header.png
dinsdag 19 november 2019

Beknopte inventaris Akten Heijen

Inventaris van geselecteerde Akten in printvorm van digitale opnamen uit het Gesamtarchiv von Romberg, Bestand Haus & Herrlichkeit Heyen, (ex: Landesarchiv Nordrhein-Westaflen, Staatsarchiv Münster, Bohlweg 2, 48147 Münster/Dld.)
sinds 4 mei 2010 zich bevindend in het Gemeentearchief te Gennep.


Samengesteld in concept door: Rien van den Brand, Venray                    status 17 oktober 2011


Genomen uit het Münsterse archiefbestanddeel: Karton 23
subbestanddeel Herrlichkeit Heyen, Akten V, 11 B, en verdere kartons.

Ordn. 1  Opnamenr. 0000 – 0005    
Ao.: 12 april 1655        Inventarium aller ahn Hause Heijen befindliche Mobilien. Er wordt een overzicht gegeven van het aanwezige meubilair in het Huis of kasteel van Heijen.

Ordn. 1  Opnamenr.. 0006 – 0008
Ao.: mei 1703 e.v.        Rekening van de Glasemacher Jan Zeller in Gennep vanwege glas reparaties aan het kasteel Heijen, in de kelder, op de poortkamer, bij de richter Bergsum, enz, als ook bij de kleermaker.    

Ordn. 1 Opname. 0009
Karton 23, subbestanddeel Herrlichkeit Heyen, Akten V, 12 A

Ordn. 1 Opname. 0010
Ao.: 3 mei 1522         Akte van Elisabeth Spannerbock, weduwe van Eickel, vrouwe van Heijen, en de schepenen met de gemeenschappelijke naburen van Heijen, over de kosterij die onder bepaalde voorwaarden aan Ruth van Veltum gegeven wordt. De overeenkomst is mede ondertekend door de Heijense pastoor Alard Michiels.

Ordn. 1  Opnamenr. 0011-0012
Ao.: 20 november 1577     Pachtakte afgegeven door Galand van Meverden, vrouwe van Heijen en tevens weduwe van Arnt Spannerbock, met inspraak van haar twee dochters, voor het gebruik van een weiland aan de Maas, die Wittestein geheten. Dit weidegebied is eerst voor de som van 70 dalers gepacht geweest door Henrick Spaenrebock, custer tot Heyen en Johan Michiels.

Ordn. 1  Opnamenr. 0013-0015
Ao.: 22 maart 1635         Regeling van Peter Vermasen, Arndt Verhasselt en andere schepenen van Heijen over een overeenkomst met de Heijense pastoor Marcellis Busselius (uit Asten) en de Heijense kerkmeesters Wilhelm Lamberts en Hanrick Haess over de Heijnse schoolmeester en koster Adolph Rutgeri Veltum en zijn inkomen. Het schooltje is een getimmerde schoel op den Kerckhoff van Heijen.

Ordn. 1  Opnamenr. 0016-0020
Ao.: 1628-1663         Extract uit Aerdt ten Haeff’s aantekeningen over de tijd dat hij koster in Heijen was, voornamelijk inkomsten en uitgaven. O.a. wordt genoemd Jan Bantz, den dooven pauper.

Ordn. 1  Opnamenr. 0021-0022
Ao.: 15 april 1659         De Heijense pastoor Cornelius Vermeulen en de schepenen en naburen van Heijen hebben tot nieuwe schoolmeester aangenomen Arnold then Haeff, met opgaven van zijn verplichtingen en zijn inkomsten, jaarlijks twaelff Ryxdalers, via de Vrouwe van Heijen. Mocht de Vrouwe nalatig blijven, dat zullen de schepenen voor uitbetaling zorgdragen. Ook mag hij de pachtpenningen genieten van een stuk land naast den Papelier.

Ordn. 1  Opnamenr. 0023-0033
Ao.:  Cleve, 14 febr. 1664        Moeilijkheden en ernstige klachten van Heijen over het functioneren van hun custer en schooldiener Arndten ten Haeff. De klacht is mede ondertekend  geweest door de procurator van de Gaesdonck. Zelf noemt hij zich onderdanigen ende gehoersamen dienaer Arndt ten Haeff.

Ordn. 1  Opnamenr. 0034-0039
Ao.:  1664            Weigering van inkomen aan de Heijense schoolmeester voor zijn onderwijs- en kosterwerk (klokluiden, begrafenissen, e.d.) met een verzoek van Arn ten Haeff om hulp en beliefft mij in alles behulplick te wesen om de lieffde Godts, mijn officie in staet te stellen, dat ick mach ongehindert de renten, bijvallen en vrijnheijt, nae behooren, genieten. De verzoekbrief wordt gericht aan Jan van Lottum ende sommige inwoonders der Vrijheerlickheijt Heyen.
Bijgevoegd is onder meer een korte verklaring van 13 jan. 1664 van Chirurgijn Cornelis van der Poel, dat Aerdt te Haeff, custer tot Heyen, door iemand gestoken is en een flinke wond heeft in de hand.

Ordn. 1  Opnamenr. 0040-0041
Ao.:  9 mei 1670     Uit de brief blijkt de heer van Blienbeek/Afferden de collatie of het benoemingsrecht van de Heijense kosterij te bezitten. Blienbeek wil nu een andere koster op de post in Heijen aanstellen, zeer tegen de wil van de Vrouwe van Heijen. Zij en de inwoners van Heijen zijn tevreden met de huidige persoon: Jacob Custer van den Hoeft, die nog voor 6 jaar in functie blijft. Cornelis van Aerssen en vijf schepenen Derck Ebben, Jan Hendrickx, L(?)ens Bossen, Alart Peters en Willem Hendrickx en nog een 20-tal inwoners ondertekenen de begeleidende brief, waarvan er negen niet schrijven kunnen en slechts een symbool tekenen.

Ordn. 1  Opnamenr. 0042-0044
Ao.:  3 mei 1582 (?)         Uit de brief Elis. Van Spanrebock, weduwe van Eijckel, Vrouwe van Heijen blijkt Rut van Veltum, met toestemming van Alard Michels, pastor, de Custerij sijnen leven lanck ehrbarlich und dienstbaerlich sall bedienen, ook zal hij er de bediening van de school verzorgen, dus onderwijzer zijn. De kinderen zal hij in goeder disciplinen und Gades vrucht underhalden.
Ingevoegd is een brief van de schepenen en de raad van de stad Gennep van 15 juni 1685 waarin ter instantie van fraulein Berthina Elisabeth van Vittinghoff gnt. Schell, gerichtsfraulein der herlicheit Heijen, Arnoldus then Haeff als koster van de parochiaal kerk te Gennep (!) voor hen komt, aldus een notitie van de stadssecretaris Const. De Mentrop van 27 sept. 1696.

Ordn. 1 Opname. 0045
Ao.:  ca. 1705 ???        Brief gericht aan de plaatselijke richter van Heijen inzake de bedieninge van de Custerie en schoole tot Heijen ten tijde van de frij Heere van Bolderen (=Buldern). Jaarlijks op Pasen en Kerstmis genoot de koster/schoolmeester van Heijen een tien pont broot (uit ieder huisstede), zoals alle Custers so to Otersum, Hommersum, Kessel, Mook dat ontvingen. De brief is ondertekend door Johan Lensens, Custos in Heijen.

Ordn. 1  Opnamenr. 0046-0047
Ao.: rond 1700        Staat van korenpacht, die als jaarlijkse rente aan de Custerie tot Heijden uitgekeerd wordt met vermelding van de fam. Scheif(fen), de Hoppenkamp, een weiland geheten Custers hoef neffens den Leijgraeff, den Sparenbroek, in den Masenhoek en boulant genant het Cromlant. Deze landerijen blijken van alder tot alder tijns ende schattingvrij gehalden.

Ordn. 1 Opname. 0048
Ao.:  rond 1700        Gedetailleerd overzicht van de renten, allemaal roggepachten t.b.v. de schoole tot Heijden, welcke op den Kerckhof ut der kerken middelen gebouwt ende getimmert is.

Ordn. 1 Opname. 0049
Ao.:  Gennep, 19 september 1705    Kort bericht van de gewesen Custer in Heijen, Arnoldus ten Haeff aangaande de tegenwoordige koster Johan Lijnsens over het zogeheten Paesbroot en het Kersbroot, dat in de jaren van 1658 tot 1665 door Arnoldus werd ontvangen.

Ordn. 1  Opnamenr. 0050-0053
Ao.:1658-1664        Uittreksel uit Aert ten Haeff syn aentekeninge voor den tijt als hij Custer tot Heyden is geweest. Per huisgezin wordt de ontvangst van het Paas- en Kerstbrood opgegeven.

Ordn. 1 Opname. 0054
Ao.:  rond 1705        Drie verklaringen van Jan Maes, koster te Kessel; van Hendrik van Neer, koster te Hommersum en van Johannes Jurgens, koster te Afferden, dat zij jaarlijks uit ieder huis , al waer rook op gaet een 15 pont broot ontvangen.

Ordn. 1 Opname. 0055
Ao.: 1 mei 1706        Enige quaet willigen tot Heijen, met naam genoemd, die weigeren het Paas- en Kerstbrood jaarlijks aan de Heijense koster en schoolbediender der Heerlycheijt Heyen Johan Lensen (elders in de akte Linsen geschreven) te voldoen.

Ordn. 1  Opnamenr. 0056-0061
Ao.: 3 aug. 1734        Groot Consistorium, gehouden in Gennep i.v.m. het beroepen van eenen nieuwen Latijnsen Rector en organist. Het beroep geschiedt gewoonlijk in de kerk, maar dit maal op het Raadhuijs, wanneer de Magistraat ook consenteert. De vorige organist was Bollenberg. Getekend door Theod. Erpers, prediger.
Met een brief van 15 november 1741.

Ordn. 1  Opnamenr. 0062-0063
Ao.: 11 dec. 1746        Via een schepenbrief van Heijen keurt de heer van Diepenbrock, vrijheer van Buldern en Heijen, goed dat de vacante post van koster en schoolmeester in Heijen wordt ingevuld door Arnoldus Ebben, de zoon van Derck, inwoonder alhier en van ouders tot ouders hier uijt Heijen gesprooten, onder conditie dat sich op toecomende Sancti Johannis in den somer (24 juni) daer toe bequaem sal hebben te maecken. Hij zou niet oudt genoegh zijn (17 jaar).

Ordn. 1  Opnamenr. 0064-0066
Ao.: 4 juli 1747        Over de collatie van Custerie en schoolmeesterie te Heijen ten tijde van de Heijense pastoor Barth. Heckermans i.v.m. de incapaciteit van Arnoldus Ebben.

Ordn. 1  Opnamenr. 0067-0070
Om november 1695        Extract uit een register over de kosterij van Heijen, geschreven door Emericus Krift, eertijds pastoor in Heijen en daarna geworden pastoor in Gennep (gestorven in 1695), betreffende o.m. de koreninkomsten aan rogge per gezin.

Ordn. 1 Opname. 0071
Karton 20, subbestanddeel Herrlichkeit Heyen, Akten V, 11 A 3

Ordn. 1  Opnamenr. 0073-0076
Ao.: rond 1656        Overzicht van 4 lijsten inzake Armen Einkompsten zu Heijen, Einkompsten in Gelde.

Ordn. 1  Opnamenr. 0077-0078
Ao.: 1665-1667        Rekening van de behuijsingh Heiden (kasteel Heijen) betreffende ijzerwerk zoals nagels, ankers, vensterhaken, putemmers, nachtslot, putkettingen, deurschaaf, e.d.

Ordn. 1  Opnamenr. 0079-0092
Ao.: 1664-1666        Schuldenboek van het Huis Heijen vanwege geleend geld o.a. uit Beugen, Venray/klooster Jerusalem, Hassum, gasthuis Gennep, Goch, Klooster Marienbaum, vicarie St. Nicolaas-Heijen, e.d.

Ordn. 1  Opnamenr. 0093-0096
Ao.: 1664-1665        Rekening van ijzerwerk- en timmerkosten gemaakt ten behoeve van het Kasteel Heijen (trap, zolder, koetsschuur, den bock voor het kasteel om het ijs te breken, verbouw gevangenis, een catrali (katrol),  grote grendels e.d.

Ordn. 1  Opnamenr. 0097-0100
Ao.: 1665            Kerk- en armmeesters van Heijen aangaande het in een herberg verpachten van bouwland, het zogeheten Armen landt e.d. tegen speciale voorwaarden en brandende kaars. Het land is o.m. bij de Leemskuijlen gelegen.

Ordn. 1  Opnamenr. 0101-0102
Karton 19, subbestanddeel Herrlichkeit Heyen, Akten V, 11 A 3, Band 2,2

Ordn. 1  Opnamenr. 0103-0106
Ao.: 1640-1650        Rekening van meester-smid Hermen Jegerlingh inzake allerlei reparatie- en nieuwbouwwerkzaamheden, voornamelijk ijzerwerk, ten behoeve van t Huijs ten Heyden (kasteel Heijen). Het betreft het maken van mestrieken, deurklinken, deuren, sleutels, winkelhaken, kettingen, sloten, nagels, het bouwen van WC’s secreten geheten, brandroeden, enzovoorts ten tijde van kasteelbewoner Gisbert Johan von Vittinghoff genant Schell.

Ordn. 1  Opnamenr. 0107-0116
April 1648-1650        Pachtlijst van de Verwalter des Hauses Heijen met de grootte vermeldingen van de verschillende landerijen onder Heijen, met hun specifieke veldnaam genoemd, zoals der grosse Schmalert, der kleiner Schmalert, der Houck, das Treckgras, Lanckersche Wehrt, Grosse hogewij, Düstercampgens, zweij Kämpe der Locht, grosser Wittenstein, kleiner Wittenstein, Nierspoel, der Kornacker, Elsen Camp, Hoge Pollacker, Lege Pollacker, Newercamp, Pölleken, Bögensche werth, Papenlier, Schmale Kämpgen, Kuhcamp, Die Steil, Gysenbush en Hünshert.

Ordn. 1  Opnamenr. 0117-0118
Rombergsch. Archiv [Depositum], Karton 28, subbestanddeel Herrlichkeit Heyen,
Akten VI. Nr. 11

Ordn. 1  Opnamenr. 0119-0123
4 mei 1556        Kopie van een breedvoerige erfdelingsoorkonde (erffscheit) tussen Aleff van Meverden te Hassent enerzijds en Arnt Spanrebuck, heer te Heijen, en zijn vrouw Galanth van Meverden en Goert van Meverden als gekoren momber juffer Arntz van Meverden anderzijds, eliche broeder ende susteren. De deling geschiedt na guutliche under handlunge der verwanten und frunden und maegen, zogenoemde arbiters. De partijen moeten zich strikt aan de verdelingsafspraken houden, anders geldt een boete van duesent golden alde schylde (muntsoort). Als arbiters worden genoemd Aleff van Meverden te Smithuisen koeckenmeister, Henrick van Diepenbroick ther Empell, Ruetger van Randwyck en Derick van der Kollick. Het betreft vooral verdeling van geldsommen en enige goederen uit het sterfhuis tussen de verwanten, zijnde vaederlich und moederlich erven.

Ordn. 1  Opnamenr. 0124-0127
9 maart 1558        Overeenkomst en vergelijk i.v.m. een klacht over een betalingsgeschil, mede ondertekend is door de hoofdpersonen Aleff van Meverden tho Hassent en Arnt Spanrebock heer te Heijen. Tussenkomst is verleend door leenheer Wilhelm, graaf van Bergh, heer van Boxmeer. Andere bemiddelaars zijn: Henrick van den Hoevelwick, Thomas van Bellinghaeven haiffmeister, Sander Tellich(t) en Arndt Visscher, richter t Westerfoirdt. Hierdoor moet onder meer voornoemde Aleff, in de akte genoemd Adolff van Mevordt, onmiddellijk aan zijn zwager, de heer van Heijen, 500 goudgulden uitbetalen.

Ordn. 1  Opnamenr. 0128-0131
Rombergsch. Archiv [Depositum], Karton 28, subbestanddeel Herrlichkeit Heyen,
Akten VI. Nr. 10

Stamtafeloverzicht van 16 voorvaderen, uit vermoedelijk de 16e eeuw, van enkele families van Mutter seite und Vatter seite waaruit geen directe relatie met Heijen te zien is. Als hoofdpersoon is genoemd: Johan van Ledebur Erbherr zur Obermühlenburg und Langenbrouck.

Ordn. 1 Opname. 0132
Rombergsch. Archiv [Depositum], Karton 28, subbestanddeel Herrlichkeit Heyen, Akten VI. Nr. 9.

Ordn. 1  Opnamenr. 0133-0135
24 augustus 1593        Verklaring, getekend door Alther Knippinck, heer van Heijen, waarin hij bekend schuldig te zijn aan Conrad Knippinck, commandeur van Heilbronn, zijn lieve broer, en al diens erven een som van 1900 gulden Brabants.

Ordn. 1  Opnamenr. 0136-0137
10 december 1660        Brief over wijlen Alter Knippinck en zijn vrouw Elisabeth Spannerbock, heer en vrouw van Heijen, die aan wijlen het echtpaar Lambert van Till en zijn vrouw Frans Spannerbock die bij hun huwelijk in 1583 bij huwelijkse voorwaarden afstand gedaan hebben van de vaderlijcke ende moederlijcke erftenisse en de voorschreven grootmoeder Frans Spannerbock kindsgedeelte aen de heerlijckheijt Heijen ende de goederen aldaer, 4.000 daelers. Ook de tegenwoordige vrouwe van Heijen (en Schellenbergh), douveagiere van Vittinghoff genempt Schell, geborene van Bonen wordt als erfgename genoemd vanwege rechten op eenigsints op het huys ende heerlijckheijt Heijden ende derselve toebehoorlijckheden ende aldaer gelegene haere goederen van onze voorouders ….. naer leenrechten ende van bloetswege ons competeren. De brief is voor akkoord ondertekend door Joost van Till van meij ende mijn met eerve.

Ordn. 1  Opnamenr. 0138-0141
4 mei 1611            Doorgehaalde verdragsdocument van 4 mei 1611. Hierin staat dat joffer Elisabeth Spanrebock eerst op 1 januari 1578 met Hendrik van Eijckel gehuwd was en daarna in 1582 met Alter Knipping, beide keren als vrouwe en heer van Heijen. Verder wordt gezegd dat haar jongste zuster Frans afstand gedaan heeft van de vaderlijke en moederlijke erfenis. Voorst worden landerijen genoemd onder Heijen: den grote en kleinen Smalert mit die Dusters kempkens und Pulmanskamp, vervolgens een weiland achter Beringers Ossenkamp mit noch die helfte van twintig malder so rogh als garst erfrente tot Beck (Vierlingsbeek) und Loen (Overloon), dar van d’ander helfte Joh. Wilhem van Till voorschreven tobehoert.
Tot getuige treden op: Wilhem van Steinhuys tot Opplo, Helmich van Schewick to Driesberge, Liffort van Beringen en Arnolt van Randwijk.

Ordn. 1  Opnamenr. 0142-0147
4 mei 1611            Min of meer woordelijke herhaling van voorgaand document inzake erfenisaangelegenheden met een verplichting of obligation aan Tillen (= van Till).

Ordn. 1 Opname. 0148
1 juli 1611            Verklaring uit de Kleefse Rekenkamer over een pachtaangelegenheid op verzoek van Alter Knippinck te Heijen en Henrichen van Meverden, ondertekend door Wessel van Löhe, heer te Wissen, namens de vorst van Brandenburg, Pfalz en Neuburg van de Kleefse raad.

Ordn. 1  Opnamenr. 0149-0151
2 – 7 juni  1613        Verdrag van Alter Knippinck, heer van Heijen en ambtman in de Liemers. Betrokken hierbij zijn een houtgewas, die Heese genandt, het viswater onder en boven Heijen in de Maas in dem Amptte Gennep und Herrlichkeitt Heijen gelegen, waartoe hij tot de helft gerechtigd is.

Ordn. 1  Opnamenr. 0152-0153
Rond 1613 ???        Rechtsaangelegenheid tussen Alther Knippinck en Josine Soentgens inzake Genneperloo.

Ordn. 1  Opnamenr. 0154-0157
1 Mei 1615            Concept Obligatieverdrag van Alther Knippinck, heer te Heijen en drost te Emmerick, in de Liemers en Zevenaar, Kriegs Commissarius, gehuwd met Elisabeth Spannerboeks. Er is namelijk een grote brand in kasteel Heijen geweest en daarom zijn omvangrijke herstelwerkzaamheden nodig en een obligatielening van 1900 gulden Brabants.

Ordn. 1  Opnamenr. 0158-0163
22 augustus 1618        Memorial wegens des Vatters Hern zu Heijen sache …. te weten een schuldvordering tussen Alther Knippinck, heer te Heijen, en Josina Soitgens en haar kinderen.

Ordn. 1 Opname. 0164
Rombergsch. Archiv [Depositum], subbestanddeel Herrlichkeit Heyen,
Akten VI. Nr. 4.
    
Ordn. 1  Opnamenr. 0165-0171
5 augustus 1648        Originale huwelijksakte tussen Peteren Diethrichen van Eickell, Herre zu dem Ham, van wijlen Dietherichen van Eickell zu dem Ham, keurvorstelijk Brandenburgse raad tevens waltgraven zu Nirgennai (Nergenna), drost te Goch en de edele vrouwe Margreten van Aldenbockum, echtelieden, wettige zoon enerzijds en jonkvrouwe Hertzlieb von Boenen van wijlen Georgen van Boenen zu Overfelde, Here zu Heijen und Galandt gebohren Knippinck, echtelieden, nagelaten wettige dochter anderzijds. Ingebracht worden o.a. het adellijk huis Hamm met bijbehorende goederen, inventaris en 4.000 rijksdaler. De akte wordt eigenhandig ondertekend door Peter Derick van Eijckel, Her zu den Ham en Hertzlieb von Boenen en voorzien van lakzegels.

Ordn. 1  Opnamenr. 0172-0173
Rombergsch. Archiv [Depositum], subbestanddeel Haus Heyen, Akten, Karton 27
Akten VI. Nr. 3, Band 2

Ordn. 1  Opnamenr. 0174-0175
Rombergsch. Archiv [Depositum], subbestanddeel Herrlichkeit Heyen, Akten, Karton 24
Akten V. Nr. 14

Ordn. 1  Opnamenr. 0176-0179
5 maart 1622            Onderdanig schrijven inhoudende een verzoek aan het keurvorstelijke Commissariath (te Kleef?) van Alter Knippinck zu Heijen, ambtman in de Liemers o.a. over betalingen aus meinen Beutel en der werdinnen im Engell zur Cleve en over beschutting en beveiliging. Genoemd worden onder meer Pässe, Landtwehren, Schlagbaume, alsook Tractement en kosten. De Duitstalige akte bevat diverse Latijnse begrippen. Bijgevoegd is een betalingskwitantie van 18 mei 1622, getekend door Adam, graaf te Schwartzenbergh.

Ordn. 1  Opnamenr. 0180-0183
5 maart 1622            Kopie-brief en verzoek van Alter Knippinck aan de keurvorstelijke Kleefse en Markse raad, waarin gesteld wordt dat er goed toezicht moet zijn op de in Kleef gelegerde soldaten vanwege de oorlog (80 jarige oorlog woedt) mede vanwege het feit dat deze soldaten geen of nauwelijks soldij ontvangen en de militaire bezetting in het Genneperhuis.

Ordn. 1  Opnamenr. 0184-0187
27 april 1744            Kopie-brief d.d. 16 april 1744 van de Kleefse Kriegskammer inzake een Cabinets-ordre vanuit het Pruisische Charlottenburg over regimenten o.a. naar generaal en gouverneur van Dossen(?) in Wezel. De brief is gericht aan de richter te Kranenburg en ondertekend namens koning Friedrich door de heren Geelhaas, B. Rappard en Siedler.

Ordn. 1  Opnamenr. 0188-0190
Januari 1610 (?)        Brief, (als concept?) opgesteld door Helmich van Schewick ten behoeve van en namens Alter Knippinck, heer te Heijen (aan de regering in Kleef??), waarin Aleander Pasqualin, sluijter zu Üdem en een Geographum von Calckar Johan van der Weij genoemd worden, laatstgenoemde heeft einen abrijss dieser sijedtz Rhyns getekend. Ook is sprake van de monstering van soldaten (in 1609) onder onderdanen, waaruit die bequemtste und wehrhafftichste im Auszugh genomen und uber Ihnen oich zum theill Capiteinen und Officiren gestalt. Dit alles is gebeurd onder groot gevaar voor zijn huisgezin en de woning in kasteel Heijen. Zijn traktement hoopt hij dat daarop aangepast wordt.

Ordn. 1 Opname. 0191
Rombergsch. Archiv [Depositum], subbestanddeel Herrlichkeit Heyen, Akten, Karton 24
Akten V. Nr. 13
    
Ordn. 1  Opnamenr. 0192-0195
14 juli 1648            Ordonnantie schutterij St. Dionysius te Heijen.
Noot: Deze regeling heb ik (Rien van den Brand), tezamen met pastoor Theo Driessen gepubliceerd. Zie: Th.W.J. Driessen & M.P.J. van den Brand "Een reglement voor het St. Dionysius-gilde te Heyen" in 'De Maasgouw' 1971, kolom 123-128.

Ordn. 1  Opnamenr. 0196-0200
2 december 1717        Verslag van een bespreking te Heijen van de plaatselijke gildebruderschaft over de aanstelling van een kapitein en luitenant en vervolgens mit der compagnie aufzuziehen, zonder daarvoor permissie te vragen aan de Heer van Heijen. Bij de ondervraging zijn betrokken: Lambertus Groenewald, Jellis  Kuper en Derck Ebben. Er wordt beweerd dat daarvoor eerst om toestemming van de Heer verzocht moet worden. Er wordt een ton bier voor verwed, dat de Heer van Heijen daarin geen inspraak heeft.

Ordn. 1 Opname. 0201
Rombergsch. Archiv [Depositum], subbestanddeel Herrlichkeit Heyen, Akten, Karton 24
Akten V. Nr. 12 B

Ordn. 1  Opnamenr. 0202-0205
1546        Registrum Pastoratus in Heijen – Copia  der pastorijen Renten tot Heijen aengetekent van Heer Alardt Michiels van der Horst,den welcken in ’t jaer 1546 op Nativitatie S. Joannis Baptisten avondt als Pastoor tot Heijen sijnen intreed heeft gedaen, gepraesenriert van den Heer tot Afferden, Derick vander Lip genandt Hoen, etc. met detailgegevens over zijn oude, novale en smaltienden, zijn bouw- en weilandstukken, inkomsten aan gerst, kapoenen (=gesneden hanen), spek, bier, een vette hamel, het houden van een beer voir die vercken. De pastoor moet jaarlijks een tiendmaaltijd in Heijen geven.

Ordn. 1 Opname. 0206
6 September 1645            Kopie van een Latijnse brief van Gisbertus Johannes de Vittinghoff condictie (genannt) Schell, heer in Heijen, in verband met de vicarie van Sint Nicolaas in de parochiekerk van Heijen.

Ordn. 1  Opnamenr. 0207-0209
26 september 1645            Vermelding van Henricus Onna, tijdelijk vicaris van het St. Nicolai-altaar in de kerk van Heijen, als Schulmeister voor de jeugd, met aangifte van een jaarlijks inkomen tot zijn onderhoud.

Ordn. 1  Opnamenr. 0210-0212
5 september 1645            Patent wegen der frühpredig zu Heijen de Anno 1645 den 5e September, vastgelegd in een officiële brief van Gisbert Johan von Vittinghoff genannt Schell, heer zu Heijden aan de pastoor van Heijen. Deze zal weer horen te gaan zorgen voor een ordentliche Sontags frühepredig ter ere God en tot heil van de gemeinte seelen heijl und seeligkeit. Door de voortdurende zware oorlogen (80 jarige oorlog tot 1648) was die Zondagse preek vaak niet mogelijk geweest. De daartoe bekwame en tegenwoordige Heijense pastoor Henricus Emricus Kriffs heeft hier voor te zorgen. Als tegenprestatie zal deze van het kasteel Heijen (vanwege de collatie door de heer van Heijen) jaarlijks daarvoor 42 gulden Kleefs ontvangen.

Ordn. 1  Opnamenr. 0213-0216
24 juni 1647 EN 2 juni 1648        Brief vanwege het vacant worden van de bezetting met een pastoor in Heijen. Daar de collatie voor de Heijense pastoor steeds in Afferden berust, is Jan van Gelre, als tijdelijk Heer van Blienbeck benaderd. Buiten de benoeming van een nieuwe pastoor is ook de door de oorlog erg bouwvallig geworden pastorie of weym van Heijen onderwerp van grote aandacht, waarbij gerekend wordt op de aanvoer van bouwmaterialen van de parochianen.

Ordn. 1  Opnamenr. 0217-0220
1658 – 1664        Extract uit de aantekeningen voor de tijd dat Aert ten Haeff Custer tot Heijen is geweest e. De 4-pagina’s tellende lijst bevat de inkomsten van de Heijense met naam genoemde inwoners aan de koster. Het geeft de jaarlijkse ontvangsten weer in verkregen ponden brood rond de Kerst- en Paastijd als vergoeding voor zijn werk.

Ordn. 1  Opnamenr. 0221-0226
1666 – 1667 met eindnotitie van 31 juli 1674        Gespecificeerd kostenoverzicht van t geene ick Alardt Peters ten tijde als ick kerckmeister geweest ben in de jaren 1666 en 1667 aen de kercke tot Heijen met Perdt en karr verdient, die Arbeiders in kost ende dranck verpleegt en voor en na voorgeschoten heb.
Zo worden ook vrachtkosten genoemd voor via de Maas aangevoerde kalk en 2.000 leien, verder leem en 12 karren zand om het priesterkoor te hogen en van een vloer te voorzien, Gennepse timmerlieden werkzaam aan de Heijense kerk en toren o.m. met schragen, kettingen, touwrepen, metselen. Reisgeld wordt uitgegeven voor de bankdelen vant hoege altaer worden in Boxmeer gehaald en het veergeld wordt betaald, en 100 aan de arbeiders uitgedeelde kannen bier, enzovoorts.

Ordn. 1  Opnamenr. 0227-0233
1666 – 1667        Gespecificeerde kosten of Rechenungh Alardten Peters cum Adjuncto Henrich Hanssen als kirchmeisteren der Jahren 1666 undt 1667. Als jaarlijkse kerkinkomsten, tegen Martini te ontvangen (11 november), worden vermeld: geldrenten, gerst, rogge, erfpachten, verpacht wei- en bouwland,
Uitgaven zijn aan olie, ruebzaad, wijn, het kerkuurwerk, kerkelijke ornamenten, e.d.

Ordn. 1  Opnamenr. 0234-0237
1667 - 1669        3-Jarige pacht- en conditiebrief van den kerckenweykamp genaemt den kalckhof ende het kercken drijsken liggende neven den Papenpas onder Heijen, tot gebruik van weiden en hooien,  met noch het Kercken Bouwlant. Bij de pachtverlening moeten adequate borgen worden gesteld. De pachter moet elk jaar drie willigen poten ten behoeve van de kerk of een betaling aan de verpachter doen. Bij de verpachting is ook de koster Jacobus Custer aanwezig.

Ordn. 1 Opname. 0238
1694        Inkomstenpagina van renthen der custerie in Heyen. Op bepaalde Heijense families rust een plicht, vanwege het verstrekken van een soort hypotheek op hun huis of als pachtsom voor land of vanwege een gefundeerd jaargetijde voor een overledene, van het jaarlijks leveren aan de koster van b.v. een halve malder gerst, 2 vatten rogge, een aantal broden, e.d.

Ordn. 1 Opname. 0239
28 sept. 1720        Kwitantie getekend te Heijen door de vicarius (dienstdoende pastoor) Johannis Verhorst van de vicarie S. Nicolai (zij-altaar van Sint Nicolaas) en officii matutinalis (versperdienst?). Hij is door de vrijheer van Diepenbrouck, heer tot Bolderen (=Bulderen/Westf.) en Heijen, benoemd en de op 24 juni 1720 vervallen inkomsten van 86 Rixdaler Clees geldt zijn hem betaald.

Ordn. 1  Opnamenr. 0240-0243
25 april 1725        Theodoor van Erpers van de gereformeerde gemeente schrijft vanuit Gennep een brief aan vermoedelijk de Heer van Heijen. Het handelt over te Heijen gekochte stenen, waarbij hij meent dat burgemeester Van der Linden te Nijmegen betrokken is. De stenen zijn volgens een aantekening van secretaris Mentrop op basis van gegevens van wijlen hr. Scholtis (schout) voor de burgermeester gekocht en de rekening staat nog onbetaald open. Verdere mededelingen betreffen een ernstig zieke, waarvan de briefschrijver hoopt dat hij opgenomen mag worden in dat eeuwige en heerlicke huijs daerboven in de hemelen.

Ordn. 1  Opnamenr. 0244-0246
31 december 1735        De onderdanige dienaar en pastor Theodoor van Erpers benadert de Heer van Heijen, die op zijn ander kasteel in Buldern verblijft, in verband met een twist over een verkiezing in het Gennepse raadhuis waarbij de Gennepse kerkenraad betrokken is. De schrijver hoopt dat in het nieuwe iaar voortaan in onderlinge liefde, vreede en eenigheid gewerkt kan gaan worden en dat deze wens aan de Gennepse burgemeester kan worden doorgemeld.

Ordn. 1  Opnamenr. 0247-0248
Gesamtarchiv von Romberg – Akten Nr. 7947 – betreft gegevens over de Heijense vicarie.
1338    perkament Latijnse oorkonde van Walram
25 juli 1338    Oorkonde, waarin een bevestiging van Walram vanuit het Keulse bisdom van het stichten van een altaar in de kerk van Heijen door vrouwe Heyll van den Huyfgheweer tot ziels zaligheid van haar zelf en oere alders en wel de vicarie van de H. Maagd en synter Clays in het kerspel Heijen.
Datum anno Domini M CCC tricesimo octavo in die beate Margarete virginis.
Opmerking: Elders bij de oorkonden in het privé archief van de familie Von Romberg bevindt zich nog een soortgelijke originele oorkonde met één zegel over hetzelfde onderwerp.

Ordn. 1  Opnamenr. 0249-0256
Gesamtarchiv von Romberg – Akten Nr. 9423
Ca. 1530        Latijnse breedvoerige akte, waarin vernoemd worden het S. Victorstift te Xanten, waarin vernoemd worden:  dominus Florentius van de Laer, clericus Leodiensis dioc. (priester van het Luikse bisdom) als vicaris verbonden aan het St. Nicolaas-altaar in de St. Dionysius-parochiekerk te Heijen en de collatierechten van de heren van Afferden, te weten Johannes Schenck van Nideggen en Theodorus van der Lippe genannt Hoen. In dit verband worden ook  de gestorven dominus Henricus Walreick, de vorige vicaris, genoemd verder een pastoor van Afferden, geheten dominus Henricus Schenck, en Johan Spanrebock.
Noot:
1)     Zie in dit verband: M.P.J. [Rien] van den Brand “Gewelddadige aanslag op de eerste Overloonse pastoor Floris van de Laer [1544”] in ‘Merlet’ 39e jaarg. [2003], nr. 2, p. 43 tot 49.
2)    De akte behoeft nadere uitwerking.

Ordn. 1  Opnamenr. 0257-0262
Ca. 1765        Financieel overzicht met een soort bestek van de noodzakelijke reparaties aan het Huis Heijen. Veel timmer-, metselwerk en arbeid aan de leien zijn vereist. Een muur is ingestort, balken, ribben en deuren en vensters geplaatst, zolder hersteld boven het washuis, 4.400 pannen zijn nodig. Dit is vastgesteld door de meesterleidekker Willem Heesen en de meestertimmerman Godefridus Janse.
Aan het ernaast gelegen alt Casteel (met leidak) moeten nieuwe kruisramen in de sael worden ingezet en Closter raemen, dat geldt ook voor de Blau Caemer , in de Stueff (elders Staeff geschreven), in de kamer boven de Cäiker (keuken?), een nieuw kelderdeur en kelderraemkens en kruisramen in den Thorn (toren), de korenzolder

Ordn. 1  Opnamenr. 0263-0265
Ca. 1760        Timmerwerk: Financieel overzicht van kosten aan het Huis Heijen o.a. koren zolder. Opgesteld door de meesterleidekker Willem Heesen en de meestertimmerman Godefridus Janse, zoals een nieuwe schoorsteen, nieuwe pannen, paardenstal, koetshuis, koestallen en schaapskooi.
 
Ordn. 1  Opnamenr. 0266-0267
Gesamtarchiv von Romberg – Akten Nr. 4328 met gekleurde tekening (18e eeuw?) van plannen tot ombouw van kasteel Heijen tot een Castellum novum Heijen, zoals dat niet tot uitvoering gekomen is.

Ordn. 1 Opname. 0268
Rombergsch. Archiv [Depositum], subbestanddeel Herrlichkeit Heyen, Akten, Karton 30 / 31

Ordn. 1  Opnamenr. 0269-0278
Rombergsch. Archiv [Depositum], subbestanddeel Haus Heyen, Akten VI Nr. 21, Karton 29
1 december 1660        Johan Deusing, schout van de heerlijkheid Heijen, Johan van Langen, Jacob Bouwmans en andere schepenen van Heijen maken bekend, dat voor de schepenbank en in het gericht van Heijen verschenen zijn Henrich Wilhelm van de Hoeve, heer te Hoeve en Peelerick (??) van de keurvorstelijke Brandenburgs, Kleefse en Märkische justitieraad en president tevens drost in de Hetter van het Land van Arssel te Rees en Iselburgh (?) als gevolmachtigde van Vrouwe Agnes Margaretha, geboren van Boenen, weduwe van Vittinghof genant Schel, Vrouw van de heerlijkheid Heijen en Schellenberg te Münster en Padernborn, als moeder en voogd over de minderjarige Gisberts Johan van Vittinghof genant Schell, heer te Heijen en Schellenberg. Daarbij wordt verwezen naar een making van 4 mei 1611 van Alter Knippinck en Elisabeth Spannerbock en grootouders Lambertus van Til en Frans Spanrebock wegens afstand van o.a. heijrathspfenningh. De verdeling van de erfenis houdt diverse financiële regeling in en betrokkenheid van de Kleefse jurist Martine Haesbaerts. De regeling wordt bekrachtigd door het Gerichts Siegel der herlighkeidt Heiden.

Ordn. 1  Opnamenr. 0279-0285
1501                 Willem van Asselt, Adrian opten Berge, Henrick en Conradt Hack gebroders, zijnde maghe und vrijnde (in de praktijk naaste familieleden, neven en nichten) en gekozen gescheidtsluijde, scheidsrechters van beide zijden, bewerkstelligen een erfenis- en boedelscheiding met Henrick, Gerart, Aleyden en Katerine Spanrebocks, broder end suister. De erfenis omvat all alsulcken versterff, erve end nagelaten guede ….. herliche guede, lyddgewijns guede, weyde, pesse, buijsche (bossen), huijsinge, huisraeth, haeffstat, kleinod, levendige have …. ruerende end onruerende, dat Henrick Spanrebock, eijn her tot Heijden, en zijn vrouw Lijsbeth sijne echte huisfraw beide zelig gedachten en gestorven, bezeten hebben. Daarvan niets uitgescheiden. Henrick, de oudste zoon, ontvangt de heerlijkheid Heijen. Aleyden blijkt clöster joffer tot Daelheim te zijn en zij ontvangt levenslang jaarlijks een geldbedrag uit de erfenis.

Ordn. 1  Opnamenr. 0286-0288
Ca. 1560             Vanwege grote onenigheid, tweedracht en twist tussen de ambtlieden van Gennep uit naam van de Kleefse hertog en Arndt Spainrebock thoe Heijden over het houtgewas in der Hezen, over de visserij, de vangst van konijnen en de wranden en dergelijke, hebben alle partijen de situatie besproken, afgekalt en zijn tot een overeenkomst gekomen. Het gericht van Heijen zal voortaan (niet meer in Gennep), maar in het neutrale Kalkar in hoger beroep gaan. Aan de Kleefse hertog zal door Spannerbock, als Kleefse halfheer van Heijen, een gevangene overgeleverd worden en wel op de derde dag van de gevangenneming. Deze overdracht moet geschieden an der Hezen tuschen Gennep und Heiden. Belastingen van Heijen moeten voor een helft aan de Kleefse hertog en landvorst worden overgedragen und die ander helfft den van Spanrebock toekomen. Zonder toestemming van de hertog mag de Heijense heer geen heidegrond ontginnen of aan anderen uitgeven of verkopen. De ‘illegaal’ aan de gang zijnde ontginningen van die kaetere (keuterijen) van Peter van Kuijck,  Peter die Rademecker en Melis die Wever zullen nog door de vingers gezien worden. Wel zullen zij de jaarlijkse bijenwas aan de kerk van Heijen en de tijnsbetaling in hoenre (kippen) e.d., half aan de Kleefse landsheer en half aan de Heijense heer verschuldigd blijven. De andere afspraken gaan over de inkomsten van het Sint Nicolaasaltaar in de Heijense parochiekerk, de turflevering uit die Genneper Vennen. De namens de Heijsen heer aangestelde schout zal geen oordeel mogen vellen en als swijgender Schultiss naast de Kleefse rechtsprekende schout zitten. Deze laatste legt de martelingen op de pijnbank op en laat de verdere veroordelingen ook uitvoeren. Boetes en andere inkomsten zullen steeds gedeeld worden tussen de beide heren. Dat geldt ook voor de konijnenvangst der Wranden met garn und fretten en ook met de visvangst in der Maesen tho Heiden zal gedeeld moeten worden tussen de Kleefse ambtman te Gennep en de Heer van Heijen. DE afspraken over de ruzies over den holtgewass der alden und nyen Hezen ontbreken, omdat de rest van het document verloren is.

Ordn. 1  Opnamenr. 0289-0290
21 mei    1677        Vordering van 10 Reichsdaler. Genoemd wordt: Frau up Oberfelt …. zu Buldern. Ondertekend door die getreue dienerine C E Swansbell.

Ordn. 1 Opname. 0291
18 juni    1560        Korte verdragsnotie van Arnt Spannerbock met verwijzing naar een regeling van 20 augustus 1585 van Alther Knippingh, here tot Heijen.

Ordn. 1  Opnamenr. 0292-0298
    18 juni 1560          Ik, Arndt Spanrebock te Heijen, getuig dat Willem hertog van Kleef, Gulick en Berge … en here van Ravenstein ……………..

Ordn. 2  Opnamenr. 0299 - 304
    17 juni 1560          Twist en onverstand tussen de ambtslieden van Gennep en Arnt Spannerbock van Heijen vanwege de omvang van de heerlijkheid Heijen en haar inwoners m.b.t. het houtgewas, de heide, visserij, konijnenwranden e.d.
Voortaan moet volgens de regering in Kleef het gericht van Heijen in Kalkar in hoger beroep, ter appellatie. De regeling is mede ondertekend door Arnt Spaenrebuck, Johan Spanerbock.

Ordn. 2 Opname. 305
    6 april 1577          Kopie van een overeenkomst over 200 Rydergulden, getekend door Henrich van Eickel, heer te Heijen en Elisabeth Spanerbock belangende die herlicheit Heijen. De kopie is gemaakt door de Heijense koster Ad Veltum.

Ordn. 2 Opname. 306
    25 jan. 1585        Johan van Spannerbock heeft een testament gemaakt met believen van zijn echtgenote Elijsabeth van Delfft. Met ook haar goedvinden vermaakt hij aan seines broeders natuerlicke soen Hnrick tho Heijen eins hondert daler. De akte is o.a ondertekend doot Johannes Heinnen, pastoor in Appeltern, Balthasar Neijkercken genant Nijvenheijm.

Ordn. 2  Opnamenr. 307 - 309
    6 april 1577        Kopie obligationis van het echtpaar Henrich van Eijckel en Elisabeth Spannerbock vanwege een kapitaal van 200 Ryder-gulden als gevolg van het overlijden van Arndt Spannerbock, heer te Heijen.

Ordn. 2  Opnamenr. 310 – 0319
    1 januari 1578        Huwelijksovereenkomst en bevestiging vanwege de overleden Galand van Meverden, de weduwe van Arndt van Spanerbuck, heer te Heijen i.v.m. hun dochters. De oudste dochter Elisabeth trouwt met Henrick van Eykele en krijgt een huwelijksgift uit de 6.000 goudguldens van de broederlijke deling en magescheid van Dietrich, Joesten, Henrich en Gerhard van Eijkell. Elisabeth brengt in: het huis en de heerlijkheid Heijen met alles wat daartoe behoort. De huwelijksvrienden getuigen.

Ordn. 2  Opnamenr. 0320 – 323
Arnhem, 19 januari 1580 + 3 april 1580        Schrijven aan Johan van Spaenrebock van Johan, graaf te Nassau, Catzenellenbogen, etc., stadhouder van het vorstendom Gelre en graafschap Zutphen, die een reis wil maken naar Antwerpen, die uitgesteld wordt. De landdagvergadering van de bannerheren, ridderschap en steden zal nu tegen de 4e februari in Arnhem plaatsvinden en Johan wordt daar verwacht om uitleg te komen geven. Met vervolgbrief van april.

Ordn. 2  Opnamenr. 0324 - 0328
    6 september 1580        Schepenen van Venlo (Gerardt van Loenn en Herman die Laet) verklaren dat tussen drie en vier uur ’s middags in het convent In der weyden binnen der statd Venlo Getrudt Spanrebock, weduwe van Oeyen verschenen is. Zij was swaick van licham doch alnoc van gueden vernunfft und verstande. Zij verklaart in de vorige maand augustus reeds haar testament te hebben gemaakt voor de Heijense pastoor Allardt Michiels en de kuster Henrick Spanrebocke. In de akte wordt ook Peters van Beeck genoemd als secretarius tot Gennep. Zij vermaakt o.a. goederen of geld aan personen in Ottersum, Vierlingsbeek, Beugen en voornoemd klooster.

Ordn. 2  Opnamenr.: 0329 - 0330
    4 april 1580            Schrijven aan Johan van Spannerbock van de burggraaf, schepenen en raad van de stad Nijmegen over een uitnodiging voor een bespreking op 11 april in de Gelderse Raadkamer te Arnhem op belaicken Paisschen in Arnhem.

Ordn. 2  Opnamenr. 0331- 0332
Stamboom gegeven   -  Series Genealogia – Veterum Comitum de Geneppa unde prodiere Domini de Batenburg, Spannerbock Meeckeren.

Ordn. 2  Opnamenr. 0333- 0335
7 augustus 1515        Verzeichniss van de opvolgende heren van Heijen, vanaf Henrich Schardenberch in 1340, overgeschreven uit ein alte verleit zedell. Daarna volgt Isbrandt Schardenberch, die huwt met Mechtell van Doijenbergh (nabij Cuijk) en zij krijgen drie dochters. Een daarvan huwt met Henrick Spannerbock. Hieruit wordt geboren IJsbrandt Spannerbuch, heer tot Heijen, en is gestorven zonder huisvrouw en kinderen. De staat wordt eerst vervolgd tot 1525 en vervolgens voortgezet tot 20 september 1677.

Ordn. 2  Opnamenr. 0336-0337
28 december 1580        Akte, ondertekend door Henrick van Eijkell zu Heijden (op de omslag van de brief genoemd Grafen van Heijden!) en Elisabeth Spaenerbock, echtgenoten, waarin genoemd Steffen Staell van Holtstein, waldgraaf te Nergena, hun lieber Oehm und Swaeger wegens een geldsom van 250 dailer.

Ordn. 2  Opnamenr. 0338-0344
26 december 1583         Huwelijksakte met condities bij kinderen uit een 1e en 2e huwelijk, alsmede inbreng tussen Lambrecht van Thijl in Grietherbusch, zoon van de overleden Wilhelm van Thijll en juffer Anna van Randwick, met joffer Franck van Spannerboch, dochter van de overleden Arnolt Spannerbock, heer te Heijen, en Galant van Meverden.

Ordn. 2  Opnamenr. 0345-0348
1560             Akte van overeenkomst tussen de Kleefse hertog en wijlen Arndt Spannerbock, een heer te Heijden, over financiële geschillen met de inwoners van Heijen, de pastoor, als ook met Gennep.

Ordn. 2  Opnamenr. 0349-0350
1 augustus 1589.         Akte ondertekend door Alter Knippinck zu Heijen en zijn echtgenote Elysabeth Spanrebock over 500 gulden Brabants. Genoemd wordt ook Francisca van Spannerboick.

Ordn. 2  Opnamenr. 0351-0352
7 februari 1611         Akte over 100 Philippus guldens.
\
Ordn. 2  Opnamenr. 0353-0355.
1577                Huwelijks-overeenkomst tussen Albert, natuurlijke zoon van Johan Spaenrecboick en Siken Jans van Eicke dochter met een inbreng van 100 Philippus gulden te Vierlingsbeek te ontvangen met nogmaals 100 gulden à 25 stuver uit de renten van Boxmeer ende uit den hoff the Boegen (Beugen) en 100 Philippus gulden aan Arnt Spaenrebock, heer tho Heijen vanwege een magescheits (verdeling) tussen voornoemde Arnt en Jan Spanrebock, gebroeders, en roggenpacht, die Jan Spanrebock binnen Vierlingsbeek geldende is.

Ordn. 2  Opnamenr. 0356-0406    
Haus Heijen Akten nr. 11    Een kopieboek bevattende:

Ordn. 2  Opnamenr. 0357-0358
7 april 1545            Koop van een weikamp by die Mehr gelegen, genannt den Merpass, dat aan een zijde grenst aan het Sijnter Claijs altaers lant met nog een weikamp en een stuk bouwland.

Ordn. 2  Opnamenr. 0358-0359
5 december 1549        Aflossingsbrief van Jan Ebben en Peterken zijn huisvrouw, opgemaakt voor de schepenbank van Heijen.

Ordn. 2  Opnamenr. 0359-0360    
1 juni 1548            Voor de Heijense Roleff Vermaesen en Arndt van Hasselt, schepenen van beider heren wegen (=Kleef en Heijen) verschijnen Mechtelt Rixkens (voor haar dochter Rixken) en Jan, gesuesteren en zij doen afstand van twee stukken land.

Ordn. 2  Opnamenr. 0360-0362
10 maart 1553            Peterken Luyffss weduwe verkoopt aan de dochter Elsken Lueffs voor de Heijense schepenen oer huijsken und hoff met toebehoor en een weiland in den Merpass, dat hollandt met een einde aen der Maesen grenzend.

Ordn. 2  Opnamenr. 0362-0363
19 september 1561        Voor de Heijense schepenen waaronder Herman Pelen en Johan Michels, verschijnen Eijbbe Seger Balthus zoon en Berdtgen zijn eheliche huijsfrau mit orren momber, voorts Derrick Beltgens our brueder. Zij verkopen en dragen over aan Jorien Henrick Driessen en zijn voorkind Ulandt en Hylleken gesuesteren en irre vorkinderen vijf Hornse guldens jaarlijkse renten, steeds op 11 november te voldoen,

Ordn. 2  Opnamenr. 0363-0364
25 april 1583            Voornoemde vijf Hornse jaarlijkse renteguldens, staande op naam van Eb Segers of Beltgens Berta zijn huisvrouw zijn afgelost door Gaerdt, Gerritt, Jan, Trijn en Peter, nagelaten kinderen van zalige Jan Campus en zijn huisvrouw Jenneken. De lossing is gebeurd met vijfftich Ryder.

Ordn. 2  Opnamenr. 0364-0366
1 juni 1548            In de Heijense schepenbank en voor de Heijense richter (die van beide wegen de hertog van Kleef en de heer van Heijen was aangesteld), zijn verschenen Derrick Lijnssen met zijn vrouw en kinderen, in verband met grondoverdracht.

Ordn. 2  Opnamenr. 0366—0369
Etliche verteickeningh der Rechten so binnen Gennep und Heijden gehalden werden …… aengaande peinden (straffen), pachten, schulden, de aankondiging van rechtszaken, geërfd land, e.d. getrokken uit de Gennepse stadsrechten.

Ordn. 2  Opnamenr. 0369-0375
Ca. 1577        Der heren Rheden (van Willem, de hertog van Kleef) protestation gegen dem heren zu Heijden eines gefangen halden, genaamd Beltgen, in november van het jaar 1577 wegens diefstal van schapen. Regeling inzake overdrachten aan Kleef en Gennep en deling van boeten.

Ordn. 2  Opnamenr. 0375-0380
1 oktober 1536    Van diensten der undersaeten (onderdanen) im Fürstendumb Cleve ten tijde van Johan, hertog van Kleef.

Ordn. 2  Opnamenr. 0380-0382
16 juni 1570        Voor Herman Peellen en Jan Michels, Heijense schepenen, verschijnen Peter Driessen en zijn huisvrouw geven drie stukken land over aan Wilhem Boens. Een stuk ligt onder meer in die pastoirschap, een ander bij der Custerijenlandt te Heijen.

Ordn. 2  Opnamenr. 0382-0385
16 januari 1572    Voor Herman Peellen en Jan Michels en de overige schepenen van Heijen, als ook voor Derick van Hillensbergh en Wolter Spannerbock als scholtissen van beider heren, verschenen in eigen persoon in de schepenbank: Arnt Spannerbock, ein her tot Heijen, en juffer Galand van Meverden. Deze laatstgenoemden verkopen aan Michel Reinners en Jenneken, zijn huisvrouw, erfelijke jaarrente bestaande uit 4 malder rogge en 2 kapuinen, rustende in de Torckschen pacht en geldende op de 6e januari van elk jaar. Een onderpand wordt gesteld.

Ordn. 2  Opnamenr. 0386-0388
16 december 1584        Betreft: Thies van Haeselt belangende die halffscheide einer behuijsingh binnen Genp gelegen. Voor de Gennepse schepenen onder wie Johan Lesier en Rhemmradt (?) van den Kamp en de Gennepse scholtis Otto Ruijter verschijnen de verkopers Henrich Gerardts en zijn huisvrouw Lisbeth van de achter halfschap einer alijnger behuijsing in den Pottenhoeck mit auch ein klein huijsken und eijndt haeffs. Kopers hiervan zijn Thies van Hassel en zijn huisvrouw Jutt en hun erven.

Ordn. 2  Opnamenr. 0388-0390
13 augustus 1526        Betreft: Beleidungh tuschen die herlickeitt Heijden unnd Boxmer over een stuk land dat van Jonker Derick Schenck en jonkheer Jan Schenck, zijn broeder, beide heren van Afferden was en gelegen tegen die Steijll over. Daar lag een grenssteen vortitz en een alde beeck, daer nue die wech hingaet langs die Maese.

Ordn. 2 Opname. 0391
5 juni 1545        Betreft: Beleidongh (in der kercken) over den gemeinen veldt unnd Leijgraeff. Ein gemein heerstraedt sall weijdt sein achtien voedt en einen gemeinen wegh sestien voedt.

Ordn. 2 Opname. 0392
14 april 1614             Bezichtiging of ein beleidung Alter Knippinck, heer van Heijen van grondgebieden tussen Gennep, Genneperloo en Heijen door verschillende schepenen ende gemeine naburen, waarbij grenspunten genoemd worden zoals een Essenboom, den Koepelbergh, IJshovelse felt, den Vosshoeffel e.d.

Ordn. 2  Opnamenr. 0393-0395
9 mei 1550 + 22 juni 1553        Extractum uit den Heijdenschen Prothocollen = Uittreksel van Heijense schepenbank-uitspraken inzake rechten, overtredingen met boetebepaling.

Ordn. 2 Opname. 0395
19 oktober 1565        Vervolg van voornoemde Extractum betreffende het drijven van schapen up ten walden.

Ordn. 2 Opname. 0396
27 november 1562        Etliche Kundtschappen belangende einem wegh. De verklaring, handelend over de weg doer die Lanckeren naar de Sambecker Staij, komt van Jan Krouwers off van den Staij tho Sambeck. Bij de uitspraak zijn Arnt Spannerbock, heer tho Heijen, Roloff Vermaesen, Henrick Lauwen. Arnt van Haesselt, Wolter Spanreboeck, schout, betrokken.

Ordn. 2  Opnamenr. 0397-0398
1548                Schepenakte van Roloff Vermaessen en Seger Beltgens en de gemene schepenen van Heijen, waarbij Johan Hermans, zijn huisvrouw en oeren drien Sohnen betrokken zijn bij huwelijksvoorwaarden tussen Petrus Boll vanwege een stuk land in het gericht van Heijen gelegen, in het Neer veldt, en een erff malder garsten, als een jaarlijkse pachtverplichting

Ordn. 2  Opnamenr. 0398
circa 1550         Voor de Heijense schepen Seger Beltgens en Gerritt Louwertz dragen Johan Rutten, zijn huisvrouw en hun erfgenamen einen weijkamp over.

Ordn. 2  Opnamenr. 0399-0401
1647            Collatie of benoemingsvoorstel vanwege vacant geworden pastoraat in Heijen en waarbij genoemd wordt pastoor Johan van Gelre en de collatierechten hiervan door de heer van Afferden. Ook is door de heersende oorlog (80-jarige / 1568-1648) de weem of pastoors behaussung in Heijen bouwvallig geworden en behoeft dringend reparatie.

Ordn. 2  Opnamenr. 0401-0402
10 december 1631            Kondschap of verklaring voor de gezamenlijke schepenen van Heijen tussen Arnold Henrick van Nieuwenheim, de keurvorstelijke Brandenburgse  jagermeester en waldgraaf, en Jan Clabberts vanwege een jaarlijkse erfrente van een schepel rogge aan de schoell tot Heijen steeds op de 24e juni te betalen met nog een ton bier voor de nabueren en een halve ton bier jaarlijks in de schutterije tot Heijen.
Noot: Th.W.J. Driessen & M.P.J. van den Brand "Een reglement voor het St. Dionysius-gilde te Heyen" in 'De Maasgouw' 1971, kolom 123-128.

Ordn. 2 Opname. 0402
29 december 1631        Arnold Henrick van  Nieuwenheim, keurvorstelijke Brandenburgse  jagermeester en waldgraaf (te Driesberg?) bevestigt het heideland nu meerweert (?) met een half ton bier aan der gilt tzu Heijen. (Noot: Onduidelijke situatie).

Ordn. 2 Opname. 0403
20 juli 1647            Giesbert Johan van Vittinghoff genannt Schell richt zich tot de onderdanen van Heijen dat zij de korenvruchten als tienden van het land rijden voor de plaatselijke heer als auch den Pastoren.

Ordn. 2 Opname. 0404
2 maart 1651            Jura des Scholtheissen und Gerichtzbotten thu Heijen, zijnde kosten bij een oproep voor de schepenbank te verschijnen, bij verpandingen, het opstellen van een oorkonde, bij arrestaties, het schouwen of inspecteren van de waterafvoeren, de heggen en wegen.

Ordn. 2  Opnamenr. 0405-0406
 1563 (of 1663?)        Moeilijkheden tussen Afferden en Heijen waarbij de hertog van Kleef en de schout of scholtis van Gennep betrokken zijn vanwege het weiderecht van de Heijense schapen. (De tekst is deels verdwenen).

Ordn. 2  Opnamenr. 0407-0408
 14 april 1542         De gemene schepenen van Heijen handelen op verzoek van Arnt Spaenrebock, een heer thoe Heijen over Wolter Spaenrebock, syn bastery broder, die hij graag als gerichtsbode in Heijen gezien had. Jan den Baed heeft lange tijd die baan gehad. waarna Marten Wijnetz. Met instemming van de beide heren over Heijen wordt Wolter aangesteld. Daarover ontstaan korte tijd later verschillende moeilijkheden en twysten met betrokkenheid van de schout van Gennep, zoals deze kondschap weergeeft.

Ordn. 2  Opnamenr. 0409-410
 22 april 1542         Gerijt Lauwertz en Arnt van Haeselt en de andere schepenen van Heijen verklaren dat op verzoek van Arnt Spaenrebock, een heer thoe Heijde om wettelijke reden, voor hen verschenen zijn Derick Ebben en Jan Lijnsen. Zij verklaren niet te weten dat er ooit ten tijde van des alde greve tyden …… eijnijghe mysdedycher off gevangen off peende (boeten) in het gericht van Heijen gevoerd zijn. Ook niet in de tijd dat van den kerckhoff uijter weemen dair om onse kerck een tyt lanck interdickt weer geweest. Wel dat Henrick Spaenrebock eenen aengrief hed gedaen aen Jenneken Pielen indt hedt den gevangen ind gespannen …. om dat sylveren … van Sint Anthonijs broerschap van Genp, dat hy synen broeder Derick Peelen aff gestaelen hadt. Ook is Aelbert Bans vastgepakt omdat hij konijnen gevangen had. Verder heeft de drost van Gennep, Ott van Wylick, Henrick Nab laten vastpakken.

Ordn. 2  Opnamenr. 0411-0413
 24 ….. 1551             Voor Heijense schepenen waaronder Alardt Bremen en Johan Rutten    verschijnt op verzoek van Arnt Spaenrebock, eyn here to Heiden, de heer tho Oyen, Martin Boegell, en Derick van den Colck vanwege een oude vordering en verblijf met paarden in Frankrijk en Lotharingen.

Ordn. 2 Opname. 0414
 1552             Voor de Gennepse schepenen, met namen Henrick van den Bungart en Johan van Hoesden, verschijnt op verzoek van Arnt Spanrebock eyn heer tot Heiden, Thonis van der Lynden. Deze verklaart dat hij samen den Rolof van Osswerdt, scholtis van het ambt Gennep myt meer ander manne bij Arnt Spanerbock tot Heiden in huyse Wolter Spanrebock basterd dess heren van Heiden eerder genoemde Bandt (elders Bans genoemd) heeft vastgenomen. Verdere uitspraken gaan over de reikwijdte van het rechtsgebied.

Ordn. 2  Opnamenr. 0415 + 0420
 17 juni 1560             Er is duckweils misverstandt undt tweidrachtt tussen de ambtluiden van Gennep en de hertog van Kleef und den van Spannerboick tho Heijden. Om het onrecht te verminderen zijn een en ander affgekaldt en een serie nieuwe afspraken, over het houtgewas, de Hezen, konijnen waranden, de schatting (belastingen), uitgave van gronden ter ontginning, vicarie-inkomsten van het St. Clais altar uit land die Papielier geheten, turfsteken in de Genneper Vennen,  het benoemen van een swijgend schout (geen stemrecht hebbend), e.d. gemaakt tot eendracht en gehoorzaamheid. Het is een verdrag tussen de vorst van Kleef en Heijen. Voortaan zal verder het gericht van Heijen voor consultatie en appellatie (=hoger beroep mogelijkheid) naar Calkar moeten gaan

Ordn. 2 Opname. 0421
 20 mei 1560             Wij Arndt van Haselt und Johann Michels en de schepenen van Heijen nemen een verklaring op, op verzoek van Arnt Spanrebock, eyn heer tho Heyen, dat Arnt die Hoigh (over de 80 jaar oud) en Johan Hermans, lange tijd in Heijen wonend zeggen dat de familie Die Haen al verschillende generaties in Heijen een huis heeft en dat ongestoord bewoont.

Ordn. 2 Opname. 0422
 25 januari 1560         Wij, Herman Pelen en Gerit Lauwoertz met de andere schepenen van Heijen, bekennen dat Lenardt van Schelberch ende Derick van Schelberg, gebruder een verklaring afgeven over Jan Wylhemken, die huysfrauw Symon Janssen in Goch, die kranck geworden is en gestorven.

Ordn. 2  Opnamenr. 0423-0425
Februari 1588            Berichtgeving of Kundschaft wegens doodslag. Op genoemde datum wordt een verklaring afgegeven voor Gundert Poylman en Reyner Reynerssen, schepenen van Gennep, en onsserem Scholtiss Otten Ruytter. Hierbij geeft de predicant van Gennep antwoorden op gestelde vragen over een dronken huisman en een vrouw, waarop geschoten, gehouwen of gestoken is. Hierop heeft den huysman einen swerlivhen doetlichen steeck gekregen. Schewyckse soldaten zouden het slachtoffer tussen kasteel Driesberg en Kleef bedreigd hebben.

Ordn. 2  Opnamenr. 0426-0427
24 maart 1588            Een verklaring afgegeven voor Gundert Poylman en Reyner Reynerssen, schepenen van Gennep, en de Gennep schout Otten Ruytter in verband met het verschijnen in de Gennepse schepenbank van Peter die Swardt van den Bwergh en dat op verzoek van Elder Knyppingh thoe Heyen vanwege een verklaring van de Gennepse predikant en verblijf in der Schantzen up Sgrevenwardt …. in dat Losement van Mychel Ogelingh … de preducantz dyner Bernt van Kesseleijck  .. die duyvell moet my daer gebracht hebben.

Ordn. 2  Opnamenr. 0428-0432
7 januari 1651            Schutter Herman Janssen legt in een verklaring in diverse punten geschonden weiderechten e.d. vast, geschied in Heijen:
- door Jan Henderichs genand Paullirt op Henderichs Derrichs sein wertken
- door de scheper van Derrich Robben op het Hoge velt en het driemalig verbod in mei 1650
- door Jan, de scheper van Peter Hacken genandt Jan, auf das Massenouffer ook in mei 1650
- door Peter, de scheper van Henderich Thiβen, ook op de Massenauffer
- door Paull, de scheper van Derrich Robben
- schending van de route van Derric Robben “über langes den Wittenstein und uber das Hogevelt
- de vrouw van Wilhem Ritters had illegaal gras gesneden in den Newenkamp
- Henderich Derrichs ook genoemd Lodter heeft zijn paard in het roggeveld van Herman Janssen laten lopen
- Peter Winnen heeft zich met zijn paard auff den poll auff den Reiswerdt opgehouden
- Sander de scheper van Jan Henderichs heeft laten grazen op de Maasoever
- Willem Art Jacops ging in de fout in die Kempe
- dat deed daar ook Hubbe Costers, die willigen gekapt had ten eigen voordele
- genoemde Hubbe en Peter Hacken hadden ’s nachts andermans hout in die Kempe opgeladen en mee naar huis gereden
- andere verboden zijn in de kerk afgekondigd geweest
- das Lottersfraw heeft gras gestolen em ein andermans paard aus des Schuttershaus gehalt
- Jan den Douve heeft hout weggehaald en zich tegen de schutter verzet

Ordn. 2  Opnamenr. 0433-0434
27 mei 1651            De Heijense Schutter Hermen Pege (soort opzichter/ politie) legt de volgende overtredingen vast, die der schütter angebracht hatt: overtreding van Derrich Roben die het in beslaggenomen paard weer van de schutter had afgenomen en hem bedreigd;
in 1651 heeft Johan van Heden op Pasen in die Kampe schapen gedreven;  tegen het verbod in heeft ook Peter Hacken op de Maasoever vee gedreven;  item heeft der zwartze This ’s nachts zijn paard in de wei van de schout laten grazen;  Willem Art Jacobszn heeft stiekem gras gesneden in den Ossenkamp; Willem Ritters heeft het hekken van de Bey Kamp geopend en er zijn paard laten weiden en tenslotte heeft de scheper van Martin Klabbers zijn schapen op het korenveld laten grazen.

Ordn. 2 Opname. 0435
20 augustus 1657            Bij de belasting of schatting is een contigent voor het ambt Gennep vastgesteld, waarbij ook in detail opgenomen zijn de bedragen voor Ottersumb undt Uffelt, de heerlijkheid Heijen en de gemeenschappelijke geestelijken Die Pastores zu Gennep in der Stadt, Uffelt, Heijen, Ottersumb, die Vicarij Gennep (met St. Anthoni cacareij, Cruicis, Martini); te Uffelt (Salvatoris et B.M. Virginis); te Heijen (St.Nocolai undt Fruhemess zu Heijen) en te Ottersumb met (Milssbeck et Lamberti).

Ordn. 2  Opnamenr. 0436-0438
18 oktober 1657        Erffbrieff Petern Driessens. De Heijense schepenen, waaronder Willem Vermaessens en Jan van Lottum, verklaren dat voor hen en unsere Scholtis Joan Deusingh persoonlijk verschenen zijn Hendrick Claessen en Gereardt  Lemmens (?) en deze hebben met een in Venray opgemaakte volmacht van 16 oktober 1657 voor zichzelf en voor Peter Bijsterfeldts ende Hendrik Hijpts en hun huisvrouwen een goed overgedragen, dat nagelaten is door Dionijsen van Oirlo zaliger en gelegen is binnen de heerlijkheid van Heijen, en wel aan Peter Driessen en Jenneken van Straalen zijn huisvrouw en hun erfgenamen.

Ordn. 2  Opnamenr. 0439-0441
1657 e.a.        Kostenoverzicht met opgelegde boeten over Jan van Louttem en zijn vrouw en vele anderen over bijvoorbeeld het halen van mergel en met malcanderen gekrekelt, over het weghalen van hooi o.a. op gen Lanckeren, het halen van bier e.d.

Ordn. 2 Opname. 0442
November 1662         Vorderingen in Kleefs geld van gerichtswege in Heijen.

Ordn. 2  Opnamenr. 0443-0445
1658                 Betalingen aan de beul of scherprichter voor uitgevoerde pijningen in de vorm van bier, vergoeding aan de voerlieden, e.d.

Ordn. 2 Opname. 0446
17e eeuw         Diefstal uit de kerk van Boxmeer (losse pagina)

Ordn. 2  Opnamenr. 0448-0451
13 Juni 1661         Bericht van de gerichtsbode Frantz Fuck, op aanwijzing van Emericus Kriffts, pastoor te Gennep, wegens gevangenname van een dief en militair Jacob Gortsalen, als Spaans soldaat gelegerd te Weert en nu vastgezet in kasteel Boxmeer. De notities komen van de Heijense gerichtsschrijver Poelman.  De pas van Jacob, die hij 3 weken geleden van dienst had gekregen, was hij in het Land van Ravensteijn (Oijen) verloren. Daarop was hij ziek geworden en verzorgd bij zijn Cameratt. Hij zou ook een vrouw bezwangerd hebben. Hij had ook diefstal gedaan in Mullem en Sambeek en tin en zilver weggenomen bij de predikant in Beugen, Henricus Stulenius, en verder’s nachts  in de kerk van Gennep gestolen.

Ordn. 2  Opnamenr. 0452-0455
17/18 Juni 1661         Articuli inquisitionales of gerechtelijke (incomplete bewaarde) ondervraging van de gevangen ex-soldaat Jacob Gordsalen voor het (Heijens) gericht, opgetekend door E. Poelman, gherichtschreiber zur Heijen. Jacob is ongeveer 26 of 27 jaar oud en heeft korte tijd in Spaanse dienst gediend. Met een paspoort-zettel heeft hij zijn garnizoen mogen verlaten. Hij heeft diverse diefstallen in de regio begaan o.a. te Gennep. Hij hield zich ook bezig met de verkoop van borden en swebelstöck (lucifers) en heeft ongeveer een jaar in Boxmeer en omgeving van Grave en het Land van Cuijk verbleven en wil vervolgens weer naar Weert terugkeren.  Zijn kameraad was 14 dagen eerder dan hij gevangen genomen. Hij ontkent o.a. diefstallen in Mullem, Sambeek, in de kerk van Kessel aan de Niers en de pastoor van Sint Anthonis te hebben gedaan.

Ordn. 2  Opnamenr. 0456-0466
6 – 13 - 17- - 25 Juni 1661     Op t ‘Sloth Boxmeer worden in hechtenisse vastzittende gevangen kameraden ondervraagd. Jacob Gordsalen wordt buiten boijen en banden (ongeboeid) verhoord. Hij was betrapt en gevangen genomen in Sambeek en door de Vrouwe van Boxmeer, als mede vrouw van Sambeecq, voor de drost geleid. Als soldaat had hij gediend in de compagnie van Capiteijn Vleminck, onderdeel zijnde van het Regiment van de graaf van Issenborgh. Hij had verbleven (al dan niet in gezelschap van een vrouw) en diefstal gepleegd in onder meer St. Anthonis, Beugen, in de Landen van Ravenstein en Kleef en in Heijen.  Soms deed hij dat samen met een zekere Jacob Sterckman uit de Meierij van Den Bosch. Hij had voor de verkoop van het gestolen (vaak verstopte) goed samen gewerkt met een schoenlapper.

Ordn. 2 Opname. 0467
Gesamtarchiv vom Romberg – Haus Heyen – Karton / Akten Nr. 6

Ordn. 2  Opnamenr. 0468-0469
Genneperhuis, februari en 3 maart 1728         Schrijven om een extract aan de Rentmeester Leurs over een op 18 juni 1560 gesloten vergelijk en verdrag tussen de hertog van Kleef en Spannerbock van Heijen vanwege de heerlijkheid Heijen i.v.m. belastingen, tienden en diensten.

Ordn. 2 Opname. 0470
1731        Gemeten landstukken im Kirspel Ottersom, ambts Gennep in aantal morgen en Hollandse roede o.m. Tillenkempken, Diepenbroicks lange kamp, zum Hövelschen Hoff gehorende stukken, in Heijensche Lucht en Pillenkamp nabij Genneperhaus.

Ordn. 2  Opnamenr. 0471-0472B
 1732        Verzoekschrift van de Vrijheer von Diepenbroick te Buldern, als Jurisdictions Einhaberen der im Herzogthums Cleve gelegen Herrlichkeit Heijen wegens het afgraven de van Heijense heide, als bepaald in 1653, 1654 en laatstelijk in 1719.

Ordn. 2 Opname. 0473
12 febr. 1738        Fragment van een tijnsbrief over gesambte Heijensche heijdenschläger,  afkomstig van de Kriegs- en Domainen Cammer te Kleef.

Ordn. 2  Opnamenr. 0477-0480
Augustus 1746        Pachtcondities van Johan Herman Freiherr von Diepenbroick, Heer zu Buldern und Heijen,  Vrouwe E.J.W. v. Diepenbroick geboren Voigt von Elspe, Frau zu Buldern und Heijen voor Pachter Derck van Wijllijck und Helena Reiniers van baw landereijen, das adelige Haus met alle toebehoor, alle gerechtigheden van het Huis Heijen en die Büsche die Heese genannt.

Ordn. 2  Opnamenr. 0481-0484
7 september 1744        Voor Richter Gerhardt Leurs en de Heijense schepenen Peter Boumans, Jan Peters verschijnen Mr. Matheus Schmitz en zijn vrouw Catharina Velmans, die afstand doen van een groot geldbedrag en ruim 2 morgen bouwland en ander land nabij het Hoogveld, bei der Heese, beijm Boxmeersche Fehr grenzend aan land tho Conventualen zu Gaesdonck, die Kleine Heese, etcetera.

Ordn. 2 Opname. 0485
Ca. 1625            Lijst om te weten wat de kempe unde landereij, behorende tot de vicarie van Heijen, jaarlijks opbrengen en die gelegen zijn neben dem Wittensteijn … der kleijne Witte Steijn genandt, verder een stuk land den halbe Niggekamp met een groote van 2 margen,  land an dem Merpass, auf die Lacker, een weiland die Papenlir.

Ordn. 2  Opnamenr. 0486 - 0498
Rond 1626            Lijsten van opgemeten Heijense landerijen, weilanden met opbrengsten in koren, soms met bewoners of pachtersnaam. Veel toponiemen

Ordn. 2 Opname. 0499
Om 1626            Wat aan onroerend goed allemaal behoort tot den hoff tho Heijden, in gebruik van Johan Lijnsse zoals Lanckeren, die Sleij, Middelpaiss, Kranefelt, Hoichfelt, op den Raijacker, op die Laick, Mastenhuick, Paipelyr en Maissoifer.

Ordn. 2  Opnamenr. 0500 – 0502
Circa 1625        Pahling des Heijenschen Hoiffs betreffende pachtgoed in de vorm van korenleveranties gehorende tot den hoieff tho Heijen, gepacht door Peitter Ebben en Juidt Ebben, gelegen o.m.  in het Nijefeldt, in die Rodedell, ahn die Laicker, nach die Heigge nha die Papeleir, den Meirpass, in den Smallert.

Ordn. 2  Opnamenr. 0503 – 0506
Rond Pasen 1531        In deze buyttynge (ruil- en delingsbescheiden) staan met naam genoemde landstukken in en rond Heijen ten tijde van joffer Spaenrebock ind Lieffart van Wylick.

Ordn. 2  Opnamenr. 0507 – 0510
Rond 1646        Opsomming van verboden, die in de kerk afgekondigd zijn i.v.m. de veedrift van schapen en ander vee in de velden van Heijen, het inkorten van heggen en wilgen e.d..

Ordn. 2  Opnamenr. 0511 – 0516
Rond 1600        Verzeichnisse van de Heijense gemene gronden en de reikwijdte van het weidtreicht van de stad Gennep nabij Heijen in de tijd van Alter Knippinck. Gedetailleerde aantekening.

Ordn. 2 Opname. 0517
Rond 1580 ???        Ongedateerd verzoekschrift aan een niet met naam genoemde Vrouwe van Heijen van Peter Perfaes, veerman op de Maase. Voor zijn brouwwerkzaamheden heeft hij heide en stro nodig als brandmateriaal, dat onvoldoende in Boxmeer te verkrijgen is en hij verzoekt brouwheyde ende strouw heyde te moegen mayen op Heijens grondgebied.

Ordn. 2  Opnamenr. 0518 – 0520
1436                Extract uijt het Legerboeck der huijs Blijenbeeck met een Beleijdinge of getuigeverklaring over de limieten Afferden-Heijen, dus de grenzen beneden Heijener velt tot midden in ghen Maess … totten Hengelboem … noordwaarts beneven den Hoigenbergh in der Heijden all tot twee kleijne bergen toe, de een horend bij Afferden en de ander tot Afferden, enz.

Ordn. 2  Opnamenr. 0521 – 0522
Verwijzing naar Gesamtarchiv von Romberg, Haus Heyen – Akten nr. karton 18.

Ordn. 2  Opnamenr. 0523 – 0524
15 april 1643            Duitstalige akte. Bevestiging van de Heijense vrouwe Agnes Margaritha van Boenen, dat zij haar dienaar Ebert Stickers al haar goederen in de heerlijkheid Heijen, met uitzondering van de weilanden den grossen Wittenstein en Bogische wertt (Beugense weide), per 1643 verpachten zal voor de som van 326 Reichstaler en enige korenpacht, zoals zij deze goederen verkregen heeft via haar schoonvader Alter Knippingh, heer te Heijden. Stickers zorgt voor een onderpand.    

Ordn. 2  Opnamenr. 0525 – 0526
Kopie van mei 1645.            In september 1625 heeft Galandt Knippinck, weduwe van tot Beunen/Boenen, Ebbe Stijcker tot rentmeester in Heijen aangenomen. Zo zal deze er alle pachten in ontvangst nemen, op het holtgewas acht neemen, op alle kribben op de Maes toezien, hij zal het surplus koren tegen de hoogst haalbare prijs verkopen. Ook draagt hij zorg voor de visserij in de Maas.

Ordn. 2  Opnamenr. 0527 – 0550
1646.                Register van ontvangst en uitgaven van Heijen uit 1646 van gesmeden, gemaakte sloten voor de schurdör (schuurdeur), vensters op de portcamer, ontvangen korenleveranties (rogge/tarwe/spurrie, boekweit/haver/gerst e.d.) en pachten, betalingen in geld, gekochte pistolen en ein par musquetens, verkochte schapen. De armen van Hassum worden vernoemd. Gekochte goederen in Nijmegen o.m. einen nachts tabert, side en andere stoffen, dekbedden, tellers of borden, Franse wijn. In Kleef werd mostard en papier gekocht, een zwarte en grijze koe, gordijnen, rozijnen, rijst, etc. In de rekening is verder sprake van spek, schapenvlees, keukengereedschap, broodkorvern, wasborstels, gekochte kalk, teergeld, tonnen bier, tuback, anijsduiker, e.d.

Ordn. 2  Opnamenr. 0551 – 0552
Verwijzing naar Gesamtarchiv von Romberg, Haus Heyen – Akten nr. 5,
Herrlichkeity Heyen V, 2 Band 2.

Ordn. 2  Opnamenr. 0553 – 0556
11 december 1692.            Pachtcondities en -contract met de duur van zes jaar voor richter Johan von Bergsum namens de Gerichtsfraulein dieser herligkeit Heijen. Het betreft een door de Vrouwe then Ham verkochte boerderij met landerijen onder Heijen.

Ordn. 2  Opnamenr. 0557 – 0561
18 maart 1693        Reinier Reiniers heeft gepacht van Vrijfräwlein Berthina Elisabeth van Vittinghoff genand Schell, Gerichtsfräwlein der Heerlicheit Heijen haer Adeliches Huijs Heijen, mitsgaeders daerbij gehoorigen gaerden, Boggaert, Vischerijen in het Mehr op de Maese, Duivenvlucht, Jagtgrechtigheit, Fehrvrijheit op de Maese ahn Peter Perfaes Vehr, als ookck Weij- en hoijlanderijen ad ongefehrlick hondert en tachtentig kleine mergen, en bawlanderijen ad ongefehrlick honderd mergen, alles schattingvrij, uijt genohmen vier mergen bawlandt to schatting tot Heijen. Item den Lochtsen Hoff, so van twaelff mergen in het Amt Gennep schatting geeven moet en met de jaarlijkse erfpachtsommen als seventijn malder drij schepel roggen, seven en daertig malder twee schepel en een half garsten, en tijn malder een schepel hafer. Item de tijnsen ad 35 kapuinen, 58 hoender, 3 Hornse gulden. Verder daarbij de helft van de jaarlijkse nieuw erftijns te Heijen, de Vehedrifft met haere gerechtigheit en de diensten van de Heijense inwoners. Naast de pachtcondities worden als verplichtingen aan korenafdracht van het Huis Heijen genoemd aan de rentmeisterij tot Gennep, het Clooster Marrienbohm, ahn de tijdelicken pastor tot Heijen en aan de Schollmeister tot Heijen. De pachter zal tijdig willigen en peppelen poten en kappen. Er wordt onderpand gesteld.            
 
Ordn. 2  Opnamenr. 0563 – 0570
6 december 1664        Verhoor / ondervraging  onder eed van Jan Reijnen, Peter Pouwels de Vinck, Altueer Gieskens, Peter Winock, Joncker Teodosius Walhorn de Deckher, Geurt ten Nyttis over jachtaangelegenheden in en om Heijen.

Ordn. 2  Opnamenr. 0571 – 0574
6 december 1664        Interrogatoria of verhoor door de schout en schepenen van Boxmeer van Willemken Loijen, 62 of 73 jaar oud, eerder gehuwd geweest met Sijbert ten Nijttis en nadien in 1638 met Eb Stijckers uit Grave, de rentmeester van de heerlijkheid Heijen en daar enige tijd op het kasteel Heijen woonachtig geweest. De vragen gaan over de jacht en of de graaf van den Bergh of zijn dienaren jacht hebben uitgeoefend met roers en jaght honden in Heijen, daar wild hebben gevangen of geschoten. Het onderzoek betreft ook of de graven van den Bergh en/of bedienden menigmaal van het wiltbraet hebben gegeten ende gedroncken opt Huys Heyden.

Ordn. 2  Opnamenr. 0575 – 0577
1 - 2 april 1681    De Heijense schout Johan Deusingh    en de schepenen met naburen van Heijen    willen voor alle inwoners het gemeynts Maas oeveren onder bepaalde condities te pacht stellen zoals voorheen verpacht is geweest met  vier bloocken offte parceelen. Het pachten in gangbaar Kleefs geld zal via opslag of hoogen plaatsvinden onder borgstelling van onderpand. De schapen, koyen ofte perden moeten binnen hun blok blijven grazen. Het eerste blok is gelegen naest de Mergelstraet, den tweeden bloock offte Cuijl geheten, enz.

Ordn. 2 Opname. 0578
4 october 1681    Vanuit het kasteel Hamm wordt door Getruit Elisabeth van Nijvenheim geboren van Eickel goedgekeurd, eigenhandig ondertekend en met haar zegel bekrachtigd dat zij niet voor het gericht tot Heijen komen kan, maar bij deze autoriseert dat 400 Rijxdallders opgenomen kan worden en daarbij tot onderpand stelt onsen onder het gericht Heijen gelegenen Hoeij ofte weijkamp, den Kooeikamp en Honshorst genaemt.

Ordn. 2  Opnamenr. 0579 – 0580
11 september 1687        Antwoord van de stad (burgemeester, schepenen en raad) Gennep aan de jegermeister op een brief van Adam den Waldtknecht. Toen de burgerschafft auff der Jagt nachen Heijen gezogen was, heeft niemandt von der Magistrat einen waldtdienar vernohmen. Nu wordt een kopie van de jachtrechten aldaar van de Kleefse keurvorst toegevoegd met daarin nova gratia zu den Heijenschen Jagt mit der Gerichtsfrewlin zu Heijen in Gemeinschafft zu sein haben gutgefunden dien jagt einmahl zu sammenerhandt zu beziehen. De stad Gennep zou mede gerechtigd zijn daar te jagen.

Ordn. 2  Opnamenr. 0581 – 0584
5 - 9 september 1698        Verkoop met gedane afkondiging in de kerk van Gennep om het hoogste bod voor een hooi- en weiland tussen Gennep en het Genneperhuis gelegen en geheten Mekerens weijde aan de Niers, vrijkomend uit een erfenis. Op dit goed rust geen schatting- of belastingplicht aan de Kleefse vorst. De lopende verpachting moet worden gerespecteerd. Betaling met Kleefse rijksdaalders. Participanten: Carl Ludwig Peil en Gerhard Peil.

Ordn. 2  Opnamenr. 0585 - 0586
13 mei 1699        Kwitantie namens de Gennepse burgermeester, nomine magistratus Gennepesis Const. de Mentrop wegens een betaling van 50 rijksdaalder door de weduwe Margaretha Beatrix von Eickel aan de Kleefse Cammer Christiaan Brandt vanwege de aan de stad Gennep verschuldigde tiende, rustend op Peilen weijde vulgo Mekerens weide.

Ordn. 2  Opnamenr. 0587 - 0595  
8 + 9 + 12 augustus 1699        Opmeting van landerijen ( in Cuckse mate)  zum Hause Heijen gehörig van de heer van Buldern en Heijen, geheten Diepenbroick, door de Boxmeerse gezworen landmeter Haret Thomas/Thomessen, zoals hem aangewezen, ter grootte van insgesambt 183 morgen, 104 roeden en 3 voet liggend op Kercke Camp, de Hoye Camp, het Heylandt, het Hogh Velt, den Loochthe hoef, Roodel of Roeydel, raeyacker, het weertstuck, den Maeshoeck,  den Dryes weerde, de Lack, Papegadt, de Meer, aen den Cuijel op de Lack, op de Aerts Berge, de Geer, het achterse veelt,

Ordn. 2  Opnamenr. 0596 - 0600  
12 mei 1717         Voor scholtis E.H. Bammelroij en de schepenen Hendrijck Aerts en Willem Wijenborg van Afferden / Lb. wordt de 75-jarige Peter Ebben als inwoner van de vrijheerlijkheid Afferden in de Gerichts Camer ondervraaagd ter instantie van de schepenen en regeerders van de heerlijkheid Heijen over de gerechtigheit van hacken en houwen tüsschen Gennep en Heijen. Peter Ebben is in Heijen geboren en woonde er circa 50 jaar, waarvan 18 jaar als schepen. Hij verklaart dat de inwoners van Heijen alleen gerechtigd zijn tussen (de stad) Gennep en Heijen de heij vlaggen ofte stroij heij te hacken en te houwen. De schutters hebben de inwoonders van Gennep hierover verschillende keren geschut (beboet) of gevlucht ende wijcken.
 
Ordn. 3  Opnamenr. 0601 - 0603  
17 october 1718         De heer van Diepenbrouck en zij gemalin Engelina Elisabeth, vrijvrouwe van Diepenbrock, geboren van Vittinghoff genant Schel, heer en vrouwe van Heijen    kopen van Rembertus Pasmans en zijn vrouw Christina Tegelaers hun onder Heijen gelegen huijs, hof ende daerbij gehoriges kemken voor de som van 353 rixdaelder Clees gelt, een pistool tot een recognitiew voor Rimbert/Rembert  (Rembrosius) Pasmans huijsvrouwe ende eenen rixdaaeler voor den Armen. ‘t Huis met toebehoor, zoals deure,vensters, hecken, peertsback, bedsteede ende anders alles wat nagelvast is. De koopsom in 2 termijnen te betalen in 1718.

Ordn. 3  Opnamenr. 0604 - 0605  
17 october 1718        De onderdanen (geërfden en ingezetenen) van Heijen hebben grooten mangel en gebreck an bauland, aldus een brief aan de vrijheer Van Diepenbruch zu Buldern, terwijl er een grote overvloed aan heidegrond is dat ontgonnen kan worden. Het al begonnen in cultuur brengen van gronden door Jacob Tervoorn en Kerst Busmans wordt goedgekeurd.

Ordn. 3  Opnamenr. 0606 – 0607
30 jan. 1719         Document van Freiherr von Diepenbruck zu Buldern over debet van de Rath und Jagd Fiscali Domini Brockhausen in casu pro Herrlichkeit Heijen contra Stadt Gennep, vermoedelijk gemaakte schrijfkosten.

Ordn. 3  Opnamenr. 0608 – 0609
Om 1718         Mandatum van de inwoners van Heijen, die de afgraving of ontginning van heidegrand verlangen. Het verzoekschrift is ondertekend door Hendrick Vermasen, Jan Jacobs, Kerst Bussman als armen meester van dat armenhuysken, Hendericke Hansen, en de individuele handmerken van de volgende families Jacob Wilms, Jan Peters Verhasselt, Jan Gijtmans, Anthon Janssen, Jan den Hardts, Jan Wilms, Jan Arndts en Berndt Theusen.

Ordn. 3  Opnamenr. 0610 – 0611    

Gesamtarchiv von Romberg, Haus Heyen, Akten, Nr. 10    Herrlichkeit Heyen V,9  Band 2
    
Ordn. 3  Opnamenr. 0612 – 0613
5 september / 18 october 1736     Brief van de onderdanigen dienaer F. P. Nabben, prior in Gaesdonck aan de heer van Heijen. Het klooster blijkt jaarlijks op Martini (11 november) een hoen en een thins groot, herkomende van den ingetrocken Hamsen Hoff tott Heijen tot 1735 betaald te hebben. Over de hoogte hiervan heeft het klooster, zonder resultaat, vaak gesproken met hr. Reiniers, pachter van de Heijense goederen. Het klooster betaalt namelijk ook al aan Huis Heijen jaarlijks 1 malder garst 1,5 spint rogh en 2 hoenre.

Ordn. 3  Opnamenr. 0614 – 0615
11 december 1736     Antwoord vanuit Buldern aan de prior van de Gaesdonck met compensatie aangaande bovenstaande aangelegenheid.

Ordn. 3  Opnamenr. 0616 – 0617
Gesamtarchiv von Romberg, Haus Heyen, Akten, Nr. 9    Herrlichkeit Heyen V,9  Band 1

Ordn. 3  Opnamenr. 0618
Driesberg, 15 maart 1719         Accoord over een te bouwen steenoven, aangegaan tussen de vrijheer van Driesberg, Kessel en Mook met meester Peeter Lusie, die woonachtig is in de stad Kleef. De capaciteit zal ongeveer 100.000 steen zijn. De tieglar zal zelf voor het leem zorg en er voor oppassen dat er geen sandt tussen de leem word gearbeijt. Op halven Aprill desen jahrs 1719 sall den arbeijt aengevangen worden.  De kwaliteit zal drie gebrande tegen eehne bleecke moeten bedragen en deze sullen in de haegen getelt worden en als den steenoven gar is, sall denselve door onpartidige maetzlers gevisitiert worden. Voor ieder duizend steen zal meester Peeter Lusie vief gulden tien stuver Clefhs geteld worden. Hiervan zullen ook de koolen, door de schipper geleverd, betaald worden .

Ordn. 3  Opnamenr. 0619
Gennep, 18 juli 1733            Afkondiging, uitgevaardigd en ondertekend door Gerh. Leurs,     aan alle schapenhouders dat het niemand is toegestaan schapen de drijven of te laten weiden op de velden, zolang daar de tienden van het koren nog niet zijn opgehaald. Ook moeten de gasten en gerffen niet door elkaar of heen en weer of het onderste boven setten,  maar netjes op reijen gezet worden, zodat deze naar behoren vertheijnt kunnen worden op straffe van twee goudgulden.

Ordn. 3  Opnamenrs. 0620-0647
Cleve, 10 juli 1734        Brief aan de landsheer, de Pruisische koning van de General Ober Finantz Kriegs- und Domainen-Directorio ingevolge een schrijven van de Kriegs- und Domainen-Cammer van 2 november 1733 aan de Freiherr von Diepenbroick zu Buldern over het afgraven en in cultuur brengen van enige gronden van der Heijensche heijden, waarom inwoners verzocht hebben. De rentmeester Leurs te Goch en Gennep wordt hiermede bevolen enige heideland van de domeingronden (van Brandenburg/Pruisen) in Heijen voor dit doel uit te geven en de uitgifte en verpachtingen goed te administreren. Er is sprake van 76 Hollandse morgen waaruit jaarlijks 113 malder en een half spint rogge als tijnsvergoeding betaald moeten worden en de novaaltiende daarvan komen aan genoemde Cammer en de jaarlijkse verplichtingen aan de heer van Heijen en de Heijense leenheer, de grafen Van den Bergh, als heren van Boxmeer .

Ordn. 3  Opnamenr. 0648
Rombergsch. Archiv (Dep), Herrlichkeit Heyen, Akten V, Nr. 8    

Ordn. 3  Opnamenrs. 0649-0650
Wezel, 22 december 1649        Brief aan Johan Gijsbert von Vittinghoff genandt Schele, here zu Heijen, over een accoord dat destijd in 1560 te Kleef gesloten is over de hoeveelheid hand- en spandiensten, die de Heijense inwoners aan hun lokale heer verschuldigd zijn, en wel ieder jaarlijks zes dagen met hand- of paarddiensten.

Ordn. 3  Opnamenrs. 0651-0652
Wezel, 24 november 1649 + Schelenberg, 3 december 1649        Brief van Gisbert Johan vom Vitinghoff gnandt Schell zum Schelenberg, Ripshorst (?) und Heijen, Erb- und Gerichtsherr aan Friderich Wilhelm, de keurvorst van Brandenburg in Kleef inzake de weigerachtigheid van het nakomen door die van Heijen, van hun hand- en spandiensten voor de heer en het kasteel van Heijen, zoals dat eeuwen lang gebeurde.

Ordn. 3  Opnamenrs. 0653-0654
Circa 1649        Aan Friderich Wilhelm, keurvorst van Brandenburg in Kleef over een klacht tegen de heer van Heijen over einheijmische- en ausheijmisch diensten. Berichten daarover komen van het gericht te Heijen, van de schepenen van Gennep en van de schout Johan Deusingh. Om de inwoners te dwingen heeft de heer van Heijen een vette koe uit een weiland in beslag en pandschap genomen, waartegen Ditterich Robben hierbij in verweer gaat.

Ordn. 3  Opnamenrs. 0655-0656
11 september 1677        Gerechtelijke brief aan Const. de Mentrop,  afkomstig van Johan Deusing, Richter der Herligkeit und Gerichtsbanck Heijen over den Heijenschen diensten. Berthina Elisabeth von Vittinghoff gnt. Schell, Gerichtsfrawlein verschijnt voor de Heijense schepenbank i.v.m. oudere afspraken over de herendiensten uit 1650.

Ordn. 3  Opnamenrs. 0657-0658
1401        Copia uut den leenboeck, teruggaande op de leenverheffing van 1401 door Henrick Spaenrebock aan Jan, heer tot Boxmer en Spalbeeck met die heerlickheit van Heijden.
1497        Margriet, Vrow tot Boxmer ende tot Haeps,beleent Henrick Spaenreboeck, Hendrikszoon, met die herlickheijdt van Heijden, etc.
1526        Via Casper van Steijn, drost en stadhouder van de lenen tot den huyse und herlickheit van Boxmer uit naam van jonker Philips graaf van Vernenborgh en Nuwenaer, heer tot Saffenborch en tot Boxmer wordt Henrick Spaenerboeck die Jonge beleend met de heerlijkheid Heijen.
23 febr. 1540    De Boxmeerse stadhouder Everhart van Haeren beleent kort na het overlijden van Henrick Spaenreboeck zijn broeder Arnt met de heerlijkheid Heijen.
    22 april 1542    Daadwerkelijke belening, als onder 1540 vermeld.

Ordn. 3  Opnamenrs. 0659-0661
Gesamtarchiv von Romberg (Dep), Haus Heyen, Nr. 4    +      von Rombergsches Archiv, Herrlichkeit Heyen – Akten V, Nr. 2, Band 1

Ordn. 3  Opnamenrs. 0662-0663
4 april 1551            Ein kundschoip van wege der Jagt, van Evert Ducker. De schepenen van de stad Gennep, met name Henrick van den Bongart en Thonis van de Lynden, getuigen op verzoek van Arnt van Spanrebuyck, eyn heer tot Heien, dat Evert Duycker van Nijmegen voor de schepenbank gedaagd is. Dit is gebeurd vanwege zijn kennis over de overleden vader Henrick Spanrebuck inzake de Jaichten in der heerlickheit van Heiden met honden wynden end garn. Hij verklaart met de vader van Arnt in Heijen op deze wijze gejacht te hebben.

Ordn. 3  Opnamenrs. 0664-0665
4 febr. 1559            Verkoopakte aan deels Arndt Spanrebock, heer tho Heyen en deels Johan Lesier van de bouwhoeve opgen Loicht met bijbehorend bouw-, wei- en hooiland met getymmer in den gericht Gennep und Heyen gelegen. Uitgezonderd dat boulandt aen Muxkens Bergh en Jaspers Camp. Ider mergen te meten op anderhalfft hundert roeyen, die royen sestien voit. Als getuige voor A. Spanrebock treedt de Heijense pastoor op Alard Michels.

Ordn. 3  Opnamenrs. 0666-0667
29 juni 1563            De schepenen van Heijen en Afferden geven een verklaring uit in verband met in beslag genomen schapen, die bij het grazen de heerlijkheidsgrens  van Heijen overschreden hadden. De heer van Blienbeck/Afferden was ter plaatse geweest bij den heyngel boum en op de scheidingsheuvels en richting Hommersum genoempt de brugvort.

Ordn. 3  Opnamenr. 0668-0669
18 april 156???        Arnt van Hasselt en Geryt Lauwerth en de gemene schepenen van Heijen verklaren, dat op verzoek van Arnt Spanrebock, eyn heer to Heyden, Johan Hermans in de schepenbank verschenen is. Deze getuigt voor ongeveer 50 jaar terug bij den Greeff gekomen te zijn, al waar hij gerechtelijk ondervraagd is of de Gennepse rentmeester problemen heeft ondervonden myt houwen of eykelen en op die alde Heess. Ook toen Christoffel van Wylich met het ambt Gennep beleend was, is onderzoek daarna gedaan o.a. over vercken up die eykelen te doen dryven. Johan kan zich niet herinneren, dat daar problemen met boeten over geweest zijn myt houwen, brant, tymmer holt und eykelen.

Ordn. 3  Opnamenr. 0670-0671
Heijen 30 juni 1563        Kopie verdrag over de grenzen tussen Heijen en Afferden. De schepenen van Afferden zijn naar Heijen gekomen. Ook is op bevel van de Kleefse hertog de schout van Gennep verschenen op de strijdige plaatsen, waar de pälinge platz aangegeven werd, evenals de plek van de Maas-veerovergang, den heijngel bom, de hövelen richting Hommersum.

Ordn. 3  Opnamenr. 0672-0674
21 juni1567            Bericht van Adriaan van den Bijlandt, heer van Well en Bergen, tevens ambtman te Gennep, die op verzoek van de hertog van Kleef, tot actie gekomen is in Heijen wegens den wegh na der Lancker, den wegh ain den Ortsberg, den gemeine Feldtwegh, den  Molen wegh, dat plecksken genoimpt die Pessen, den willigen … langs den Meer, die underhaldubgh des sweens (bijenzwermen?) e.d.

Ordn. 3  Opnamenr. 0675
25 mrt.1589            Van een perkament met groene waszegel door de landschrijver  overgeschreven het volgende bericht aangaande Jan Verhaegh, Jan Brouwer en de andere schepenen van Boxmeer over de opgeroepen Peter Funck, scholtus der vrij heerlickheyt Boxmeer. De oproep geschiedt in naam van Vrouwe Maria, geboorne gravinne zu Nassau, Catzennelleboge, gravinne zu den Bergh, frij vrouwe zu Boxmeer, Bylant etc. Peter funck heeft Peter Boll van Heijden (ongefaerlyck seventigh jaeren oud) laten arresteren die --bij weigering een boete van 25 goudgulden oploopt-- een verklaring moet afleggen of zijn kennis als boortige van Heijen, dat die voorige Heeren van Heijden in den tyt des vredens boven die Beeck tot Heijden gelegen oijt gevischt ofte eenie gereghtigheyt daerboven tho visschen gehadt…. en of Ott Drubbel ende Pouwel Crouwers zaliger die visscherije in der Mase hadden en daar altijd zonder boeten en/of opmerkingen ongestoord gevist hadden boven die beek en of ijmant anders soo van Genp als Heijden buiten Ott en Pouwel naest den Meerschen weerdt gevist hadden. Peter verklaart, dat die greeff van Heyen voor desen gewest, genaempt Arent van Spannerbroock die Visscherije wes aen der Beeck thoe niet bekroent heeft, dus ongestraft heeft gelaten.

Ordn. 3  Opnamenr. 0676 - 0678
1593 + 19 octr. 1647            Huisvestingslijst van inwoners te Heijen, en wel Die Huijsingen, die mij Arnold van Veltum van Ao. 1593, dat mijn vaeder saliger overleeden ende ick tijtelijck onschuldich Custer geweest, gestaen hebben in de Heerlyckheijt Heijen.
Er worden bijna 50 families vernoemd in de opsomming van 1593 van Arnold (van) Veltum met de gewijzigde inwoners in 1647 door Adolphe Veltum als tijtelijcken Custer tot Heijen in ‘t 1647, den 19 octobris.

Ordn. 3  Opnamenr. 0679 - 0685
1612 - 1614                Gerechtelijke uitspraak (diverse Latijnse teksten) na twisten en procederen over Genneper Loe, Yshouelsche Land en Alter Knipping, heer te Heijen met verwijzing naar oude rechten uit 1541,

Ordn. 3  Opnamenr. 0686 - 0695
16 december 1614         Vervolg van voorgaande rechtzaak. Juridische stukken.

Ordn. 3  Opnamenr. 0696 - 0700
2 juni1615              Verder vervolg van voorgaande rechtzaak van Genper Lohe. Juridische stukken.

Ordn. 3  Opnamenr. 0701 - 0703
23 juli1616              Schouw of inspectie van de straten en wilgen te Heijen. Er worden diverse onderhoudsovertredingen geconstateerd en boeten zogenaamde bruecken opgelegd. Dit treft onder meer aanwonenden van die Lanckersche strath. De boeten worden aangezegd door Johan van Bax, scholtus des Amptz Gennep und Herlicheit Heijen.

Ordn. 3  Opnamenr. 0704 - 0705
Omstreeks1616          Verpachting bij opbod van grondstukken onder Heijen te weten: - op die Laeck achter die hey aan Gerrit Claessen en borgstelling door Hermen van Cuick
- boven die Meer neeven het Kerkelandt
- op die Laeck schietende op Nielessen Papelier
- den Hesenbosch
- den hoeck an den Merpass
- een stuck in den Masenhoeck
- dat stuck vor den Bugense werdt
- den Nijenkamp
- den Pol
- die Roijdel
- 1 stuck an den Mulen wegh.


Ordn. 3  Opnamenr. 0706 – 0712
31 mei 1616  / Zahlung Martini (11/11)1617        In anno 1616 den lesten Meij hebbe ich (heer te Heijen) mijn baulandt angeteickent. Pacht zedell van der landerien, so ahn dem Hause Heyen gehörig, zoals op het hoogveld die Hoeppekamp, den Kerckenkamp, den Royacker, an die Groette Heisse, den Herwers aicker, des pastoers landt, Ridders landt,der Meirpas, den Meirgaeffe, aen Maesoefferen, bei Noetzbergh, Bisenbusch, op die Laeck, den Massenhuek, den Selick, den Neuen kamp, den Poll, die Rode dell.

Ordn. 3  Opnamenr. 0713 – 0724.
October 1617            Die Maritte (?) oder die morgenthallen der baulandt (zum Hause Heyden gehörig) aan Alter Knippinck, heer zu Heijen und drost in der Liemers: te weten: den Hoppenkamp (waar der schaepstall und die Hopp gestaan hebben); dat Nij Erff, in Genniper veldt ende Heijens veldt, daer den Druuiper wech durg gaet, dat Wortelen Landt, die Alte Hoffstatt, op dat Lochte veldt, dat Krum landt, die Roede Dell, den Poll, Ligt, enz.
Er worden ongeveer 50 pachters en grondgebruikiers (op naam, elf pagina’s) weergegeven met bijbehorende landstukken (vaak met veldnaam) en opgave van grootte: totaal 107,5 morgen en 22 roeden.

Ordn. 3  Opnamenr. 0725 – 0729.
27 October 1619            Vastlegging voor der Gemeint vann Heyenn met voorkennis van de edele Alterenn Knippinck, ein Herr zu Heyen, Drost zu Zevenaer, Lymerse und Emerich, landtfürstlichen Commissarien van de keurvorst van Brandenburg in Kleef betreffende de verkoopcondities van ettelicher parcelen unnd blocken heylandt op der Luntacker(?) in dalers en goede winterrogge als pacht. Het betreft 14 afgemeten blocken, die onder Heijen ontgonnen zijn of gaan worden. De opbrengst moet onder meer dienen tot behoeff en de onderhalt der scholen van de heerlijkheid Heijen. De afpalingen liggen onder meer tussen Jan Ebben en Tiess denn Bauwman, Herman van Cuik en Jacob Haven, Derick Rutten, Herman van Stay, Arenth Groenen, Peter Dielen, Ebb Stickers, die met een handmerk de regeling bevestigen.

Ordn. 3  Opnamenr. 0730 – 0735.
15 mei 1619             Ondervraging en vastlegging door landschrijver Claessens van een schepenbankverhoor door Peter Claess, Aeb Wijntkens en Jan van Broickum en de gemene schepenen van Beugen in den Overampte van den Lande van Cuijck, competerende aan de prins van Oranje. In de bank zijn moeten verschijnen Willem Zaerts (?) aen gen Mher, inwoner van Beugen en zijn gearresteerde broer Claess Zaerts (?) aen gen Mher, schepen van de hoofdbank van Cuijk en dat op verzoek van Alter Knippinck, heer van Heijden en ambtman in de Liemers. Zij verklaren beiden te Heijen geboren te zijn en daar schapen te hebben gehoed en dat in de tijd, toen Arnt Spannerbock te Heyden bij de belegering van kasteel Boxmeer betrokken was en daarbij om het leven is gekomen.
Uit de ondervraging blijkt verder dat er in Heijen een Clein Blaten huisken (melaaatsenhuisje) heeft gestaan, waarin een Zaerntken (?) en daarna Peter Donderbier woonden.

Ordn. 3  Opnamenr. 0736 – 0738.
17 maart 1620         De heer van Heijen, Alter Knippink als verpachter heeft, na voorbereidend werk van Helmich van Schewick tot Driesberg, aan Herman van der Stay en Ebb Stijckers het weiland den Wittensteen voor drie aaneenvolgende jaren verpacht voor 160 daler, jaarlijks tegen 11 november te voldoen. Getuige is Wolter Thuijss, pastoor tot Heijen en Jan van Fernen (?), rentmeester.


Ordn. 3  Opnamenr. 0739 – 0747.
23 augustus 1628        Verpachtingen mit uitbrenneder kerzten  van enkele bouwlanderijen van kasteel Heijen door Ebbe Stickers in naam van Ghalandt, weduwe van Boenen, geboren von Knippinck, frow tot Heijden und Oeverfelt tegen een pachtvergoeding met hogen / opslag in rogh oder garst, goedt klaar koepmans goedt, Gennipsche maten aan dat huis Heijen te leveren. De pachter draagt zorg voor adequate borgen en voor armengeld. Het derde deel van de pacht zal aan de pachter blijven en dat gedurende drie jaar, eindigend in 1631, het gepachte veld stoppelbloot te verlaten!

Ordn. 3  Opnamenr. 0748 – 0750.
2 maart 1628        Verpachtinglijst van het kasteel te Heijen, pachters en borgstellingen.

Ordn. 3  Opnamenr. 0751 - 0753.
27 april 1633        Morgentaallijst in de heerlijkheid Heijen. Perceelgrootte met gebruiker.

Ordn. 3  Opnamenr. 0754.
Heijen, Februari 1635        Peter Vermasen en Lambert Sgreven, respectievelijk schepenen en gerichtslieden van Heijen bevestigen dat voor hen Arnt van Castelen ende Jan Bantz met een verklaring verschenen is. Zij hebben gezien, dat toen dat Criessfolck van de Prince van Orannyen en dat leger te Moock, Middelaer ende Ottersum laagh in die Roijdel, dat toen Jan van Langen een stuk land van huize Heijen aangepacht heeft en nog een stuk an den Muelen.

Ordn. 3  Opnamenr. 0755.
Heijen, 13 april 1643        Brief van Agnes Margaretha von Bo(e)nen vanwege de verpachting aan Ludwigh Bender van den grossen Wittenstein voor 120 Reichsthaler en de Böchischen (Beugens) Wertt voor 100 gulden Kleefs.

Ordn. 3  Opnamenrs. 0756-0759.
19 april 1645            Lijst van de verpachting bij opbod van weilanden onder Heijen, zoals der grosse Schmalert (21,5 morgen), der kleine Schmalert (6,5 morgen), der Hoeck (ongeveer 8 morgen), den Lanckersche werth (5,5 morgen), der grosse Schör (10 morgen), das düstere Cämpges (4,5 morgen), zweij Cämp (o.a. die Loeff 7 morgen), den Bornacker (4 morgen), das schmale Cämpgen (2 morgen), der Elsencampf ( 6 morgen), die Papenlier (14 morgen), der Driess(ca. 3 morgen), der hohe Polacker (4 morgen), der Neude Camp (4 morgen) en das Pölleken (3 morgen).

Ordn. 3  Opnamenrs. 0760-0768.
2 mei1648        Gerechtlijke verpachting met 14 voorwaardelijke condities,  zoals de heer van Heijen dat wenst voor de volgende landstukken: Der gross Schmalert, der kleine Schmalert, der Houck, das Treckgras,  Lanckerse werth, grosse Hogehoy, das Düsterkämpges, zweij Kämpe auf die Locht, Grosser Wittenstein, Kleiner Wittenstein, die Wierstoel (?), den Bornacker, Elsenkamp, hoge Pollacker, lege Pollacker, Beil,  Gijsenbuss, Bögensche werth, Papenlier, Schmale Kämpges, der Kuhkamp, Hünshorst.

Ordn. 3  Opnamenrs. 0769-0778.
20 augustus 1649         een soortgelijke lijst.


Ordn. 3  Opnamenrs. 0779-0781.
27 maart 1650         Brief van Dederick Schenk van Nijdeggen, heer van Afferden, Blijenbeek en Grubbenvorst aan de schout van Heijen, Offell (Oeffelt), Moldyck (Mook) ende Kessel (a.d.Niers) over heibel dat in het rechtsgebied van Heijen is ontstaan tussen een burger uit Goch en eenen knecht van de Abdissin tot Nienclooster, die kolen afhaalden (van de Maas),    en den Boede off Schutter van Heijen.
De gemelde personen zijn er toen met hun karren en paarden vandoor gegaan en zijn gevlucht tot op het grondgebied van mijn (Afferdense) rchtsgebied, alwaar sij hunne perden hebben uijtgespannen ende de karren met de koolen aldaer hebben laten staan. De inwoners van Heijen hebben zich voorts over de lading en karren ontfermd en de karren van het Afferdense gebied naar Heijen genomen. Dat kan de heer van Afferden echter niet tolereren. Deze staat erop dat de karren weer naar de plek, waar ze weggenomen zijn, worden teruggebracht en de daders worden gestraft.

Ordn. 3  Opnamenr. 0782
15 febr. 1654         Verpachting voor weer een tijdsduur van drie jaar van landerijen onder Heijen und schar umb doe helfte zu Haien und zu baw verthan. Zodra dei landreijen stoppelbloot sein, zal in 1657 de nieuw pachtperiode beginnen. Het gaat in totaal om ruim 20 morgen. De verpachting wordt geregeld door Jan Bossen.

Ordn. 3  Opnamenrs. 0783-0786
1654/1656 /1657        Nadere uitwerking in detail van voorgaande verpachtingsregeling met de pachtbedragen en de namen van de pachters, zoals de scholtis of schout, Jacob Renirs, Jan van Lotten, Jacob Bomans, Rasfelt (=Verrasselt?), Rodert, die Frau v. nuwecloster (=Grevendaal), Peter Hack, Ian Jaspers. De weilanden, die zum Huse Heien horen, worden met namen genoemd.    De rentmeester noteert de pachtontvangsten van 1656 en 1657.

Ordn. 3  Opnamenrs. 0787-0790
Ca. 1560        Op aandringen van de Kleefse regering moet Arnt Spanrebock van Heijen aan de drost van Gennep een aantal kopie-documenten leveren, genomen uit het legerboeck. Te beginnen met een bericht van het huyss thoe Boxsmer myt bewijss besiegelder bryeven dar men clarliche in befyndt voer onss geseten Rychters van beyder heren wegen (namelijk Kleef en Boxmeer)     inzake gevangen mysdedigers und wrevellmoedigen….. inzake Schatzcedelen und die schatzbuecken (belasting) van der gantzer halver hoecheijtt van gerycht, schattonge, dyenst gebott und verboth die altijd in de kerk van Heijen van wegen beyder heren verkondigd zijn … myt allen van Heyen, Mer (Boxmeer) und oick van Gennyp, want dar altijtt twee scholtyss, twe gerichtzbaden gewest syn… die (schepen)banck gespannen van beyder wegen, broecken (boetes),  alle tytt halff und halff tho stendig gewest. Verder wordt de klokkenslag behandeld (oproep tot militaire bijstand), pijnbankstraffen, de jachtregeling en de visrechten.

Ordn. 3  Opnamenr. 0791
Gesamtarchiv von Romberg (Dep), Haus Heyen, Akten Nr. karton 17

Ordn. 3  Opnamenr. 0792
Rombergsch. Archiv (Dep.), Herrlichkeit Heyen, Akten V, nr. 11 A3 Band 1

Ordn. 3  Opnamenrs. 0793-0794
1640        De Heijense schepenen Lambert Sgreven en Teuss Eebben, ondertekend door Adolphus Veltum, verklaren dat de vrouwe van Heijen enige schapen ongeveer 9 jaar lang bij Ebbe Sticker gehad heeft, ook in de Kroatentijd  (1635/1636) , toen in de schaapskooi (de kai) voor het huis Heijen keizerlijke en Spaanse troepen gelegerd lagen en schapen gestolen zijn.

Ordn. 3  Opnamenr. 0795
24 maart 1635        Kopie, waarin staat dat de rentmeester van Heijen, Ebbe Stickers, optreedt voor Arnold Henrich von Nivenehm (Nievenheim) te Driesberg als vormünder (voogd) van de erfgenamen von Boenen zum Oberfelde undt Georgh Bruickhuiss gevolmachigde van de heer te Heijen Diederich von undt zu der Wrenge wegens zijn achtjarige bediening met ontvangsten en uitgaven over de jaren 1627 tot 1634.

Ordn. 3  Opnamenrs. 0796-0797
1635-1647        Geldvordering vanwege leningen door het cloister tot Venraeij ende Jan van Cuijck aan het kasteel van Heijen met betaalde renten.

Ordn. 3  Opnamenrs. 0798-0801
17 en 18 januari 1581        In januari heeft Frerick Knip de weilanden (den Barnacker, den Paelacker. Den overste Smaellert, den Middelpass up die Leygraeff, den düisterkamp, den wittensteyn up die Maess) zijnde 22 morgen in de Gennepse maat en het bouwland (een zaell up die Hoege, up die Velu, den Paelacker e.v.), als ook het land up de Mergraff, upt Nervelt, upt Cranne (?) velt gemeten die jonker Geratt van Erpray en Jacop van Krykenbeck verkocht hebben aan den erentfesten und fromen Henrick van Eykell, her tot Heyen. De opgaaf is bedoeld voor de Kleefse landrentmeester.

Ordn. 3  Opnamenrs. 0802-0803
28 juni 1588        Wegens het sterven van de huisvrouw van Johan Spaenrebueck van Heijen moet, naar onlangs van Peter Bluemkens vernomen, de roggepacht te Vierlinxbeck in den lande van Cuick als lijfsgewingoed weer verkregen worden door zogenoemde handwinning, en wel bij Reinier van Boickholt, rentmeester van de Spaanse koning te Grave.

Ordn. 3  Opnamenrs. 0804-0807
1 augustus 1589    Alter Knippinck en zijn gemalin Elijsabeth Spaennerbruick, heer unde frouw tot Heijen, leggen vast, dat zij geld ter leen ontvangen te hebben in de vorm van een obligatie, en wel 500 Brabantse guldens van jouffrouw Henrica van Ka(e)tz, elke gulden ter waarde van 20 stuiver en elke stuiver ein unde twintich heller. De jaarlijkse rente hiervoor bedraagt 11 malder roggen en een schepel, komende als onderpand van een landgoed gelegen in den hoeiff ende gude an gen Hoevell, wesende ein leengoed van de hertog van Kleef of indien dat problemen met Diderichen van Eijckell uit een ander aan te wijzen onderpand in de heerlijkheid Heijen. Aflossing van de schuld moet een kwartaal van te voren aangekondigd worden. Als getuige en tot meerdere zekerheid wordt vermeld: jouffrouw Francisca Spannerbock, weduwe van Till, unsser freundliche liebe suster. Ondertekening door Alter Knippinck, her zu Heien, en Elijsabeth Spannerbruck genandt Knippinck, als ook Frans van Spannerbuick, wedwe van Tiel.

Ordn. 3  Opnamenrs. 0808-0811
1 augustus 1589        Kopie, geschreven met een andere hand, van voorgaande akte. Hieruit blijkt dat deze Pfandtverschreibung wieder eingelöst is op 7 october 1650.


Ordn. 3  Opnamenrs. 0812-0830
6 januari 1592        Zins Register van Heijen met betalingsgegevens van de inwoners vanwege de huisplaats, moestuin en ander grondgebruik in de vorm van geld, hoenre, varkens, rogge, kapoenen, e.d.

Ordn. 3  Opnamenrs. 0831-0837
1615        Lijsten met tijnsbetalingsgegevens van Heijense inwoners

Ordn. 3  Opnamenrs. 0838-0840
9 mei 1608        Kommerslach of onenigheid tussen den heer van Blitterswick und dem heer van Heijen, waarna overleg wordt gevoerd, gesproken en uitgaven van verteringen gedaan worden. Er is sprake van gerichts kost meijster Ardt van Beeck, waarbij nog eens een kan wordt gedroncken. Noch den heer van Heijen en Meijster vertert 17 stuiver, doen den heer van Heijen van Blitterswick quaem. Noch den 20 september dem heer van Heijen mit Marten Schenck und Meijster Ardt undt voer ettelicke schepen tho samen vertert vijf gulden. Voorts uitgaven voor de heer van Oeijen ….. voor den scholtis van Grobbevorst (Grubbenvorst) … noch meijster Ardt verteert op den 30e november 8 stuivers doen hij van Sevenheijm (Sevenum) quam en van Geldern e.d..

Ordn. 3  Opnamenrs. 0841-0843
1 december 1625        Herman van den Stay en Jan Booss Linssen schepen en de overige gemene schepenen der heirlicheit Heijen verklaren dat jouffrouw Galant Knippinck, weduwe van wijlen Georg Boenen, vrouwe tot Heijen en Overfeldt, bekent uit handen van de conventualen des Reguliere Cloostere tot Venraij genant Jerusalem de som van 500 gulden Brabants en van de heer Joannes Goch, pastoor tot Aefferden, ook 500 gulden Brabants ontvangen te hebben, waarmee Galant zekere erfpachten en renten in- of afgelost heeft, die haer beminde voeralderen bij groote schade des brants und andere voor eenen gelimpelicken und geringen penningen verhipotizeirt und versat hadden.

Ordn. 3  Opnamenr. 0844
1 december 1625 / 1677    Bovengenoemde obligatie des closters Venraij, genandt Jerusalem ist widere ein gelosset mit 366.5 Rh. Thaler, 10 Stüver. Ao. 1677.

Ordn. 3  Opnamenrs. 0845-0849
24 februari 1628        Dit is een getuigenverhoor voor de schepenbank van de heerlijkheid Heijen en voor de beide scholtissen van unseren beyde heeren (Kleef/Boxmeer) betreffende de tijnsen uit het Sürmündts gouht (Suermonts goed), dat in 1628 in bezit is van Huis Hamm. Getuigen zijn Jan Boss Linssen (ongeveer 80 jaar oud) en Hermen van de Stay (ongeferlich seventich yaren aldt the syn), unsere mytschepenen.  De akte is beschadigd. Er worden elf vragen voorgelegd en beantwoord over voornoemde hof, die ook Wilichen (=Wylick) bouwhoff wordt genoemd.

Ordn. 3  Opnamenrs. 0850-0871
1628 - 1633        Gedetailleerde rekening van de rentmeester te Heijen: Ebben Stickers vanwege betaalde pencioenen (renten), brieven van Xanten, leien, nagels, bodegeld, teergeld, maakloon, spelden, het maken van sleutels, armen, landmeterkosten, scholmeister-kosten, het zaaien van eikels, klokmakerskosten, was(kaars)kosten, predikantkosten, dorskosten en bier. pannenbakkosten e.d.


Ordn. 3  Opnamenrs. 0872-0879
1634         Lijsten van gedetailleerde uitgaven, als hierboven vermeld.

Ordn. 3  Opnamenr. 0880
24 maart 1635        Ontvangsten overzicht van Huis Heijen van de jaren 1627-1634
    
Ordn. 3  Opnamenrs. 0881-0884
11 augustus 1634        Gedetailleerde inventaris, Inventarium d’mobilien, van wat zich op de zaal van het kasteel Heijen bevindt, en wel in de eerste kist, op de rentmeestersslaapkamer in de 2e, 3e en 4e kist, waarin bezegelde brieven, de 5e kist op der grossen Camere, in de 6e kist veel linnengoed, beddelakens e.d., opgemaakt door Georgh Brockhaussen.

Ordn. 3  Opnamenr. 0885
Gesamtarchiv von Romberg (Dep), Haus Heyen, Akten Nr. karton 16
        
Ordn. 3  Opnamenr. 0886
Rombergsch. Archiv (Dep.), Herrlichkeit Heyen, Akjten V, nr. 11 A 2

Ordn. 3  Opnamenrs. 0887-0888
St. Lucasdach, 18 oktober 1547            Akte, opgemaakt en ondertekend door de scholtis Mathijs Haghen te Venlo, inzake aangekocht landgoed onder Heijen gelegen van de familie Reyner van Holthuysen te Heijen door Arnt Spanrebock te Heijen. Reyner had dit goed versat aan Gaedert Torck, ambtman tot Goch, gelyck dat goet leenruerich is an den vorsten van Cleve en aen Gaedert Turck voer 700 golt gulden. Arnt zal gehouden zijn aan het in phasen betalen, te beginnen binnen een half jaar

Ordn. 3  Opnamenrs. 0889-0891
1574        Arnt Spaenrebock en Galanth van Mevarth, heer en vrouw van Heijen, verklaren aan goede gangbare gouden en zilveren payment van Reinner Hoen 2.000 Brabantse guldens baar ontvangen te hebben. Als onderpand stellen zij aan Reinner twee weilanden, geheten den Smal bei die Mersche werdt en den Paelacker aen dat Aefferdensche veldt. Beide wei- en hooilanden zijn leenroerige goederen van de leenheer Willem, graaf van den Bergh, heer tho Boxmer met zijn medeweten d.d. 27 october 1574 in onderpand gegeven tot zekerheid van terugbetaling. Reinner mag deze weilanden tot de aflossing gebruiken en de heggen en willigen niet beschadigen.

Ordn. 3  Opnamenrs. 0892-0893
26 juni 1582        Kopie    ---    Johan Michiels en Gerrit Claissen, schepen te Heijen, getuigen voor de gemeine schepen tot Heijen en unseren Scholtis Otten Ruijter verschenen is Alter Knippinck en Elisabeth Spannerbroeck, heer en vrouw tot Heyden, en haar momber (voogd) vanwege een geleende geldsom (200 daler) van Christoffel van Wylick en Johanna van Palant, heer en vrouwe van Gronstein, Grubbenvorst en Lottum. Tot zekerheid wordt een weiland, den Boenacker van ongeveer 4 of 5 morgen, tot onderpand gegeven.
Noot: Bij het overschrijven van de oorspronkelijke akte was onderstaande transfix-brief gehecht.

Ordn. 3  Opnamenrs. 0893-0895
19 december 1595        Transfix    ---    Wij Gerrit Claessen Herman van Kuyck, schepen, en de gemene schepenen van Heijen doen kond dat voor fuer beyde de heer Scholtis en genoemde schepenbank Jaspar Lueffs verschenen is met een volmachtbrief in dato Conceptionis Mariae (8 december1595), waarin Johan Christoffel van Wylick en Anna, geboren van Wyckraet, verklaren dat zij ihre Jasparen volkomen macht und gewalt gegeven hebben om in hun naam en voor hun rekening een lening van 200 daler aan de heer en vrouwe van Heijen te verstrekken.

Ordn. 3  Opnamenr. 0896
6 december 1633        Een soort kwitantie van betaalde renten over voornoemde lening van 200 daler, ondertekend door Gottfried Raath, Kleef.

Ordn. 3  Opnamenrs. 0897-0899
24 augustus 1593            Schuldverklaring van Alter Knippingk, Herr zu Heyen, dat hij aan Conrad Knippingk, commenthüre zu Heilpronn, meinem insonders freundlichen lieben Bruder een bedrag schuldig is en terugbetalen zal van 1900 gulden Brabants. Met dit bedrag heeft hij Alter in zijn hoge nood (zu meiner Notturfft… zu reparieren und wieder erbauwung meines Haus und Schloss Heyen) geholpen. Tot meer zekerheid aan zijn broer heeft Alter zijn leenheer Wilhelmem, graven zum Berghe in Boxmeer om borgstelling verzocht.

Ordn. 4 Opnamenrs. 0900-0903
6 augustus 1594        Wij, Johan Mijchiels en Theis van Hassell, schepenen en de gemeen schepenen van Heijen, getuigen dat voor hen Alther Knippinckh, herr tho Heyen, en sein liefden ehelige huisfrauw Elisabeit Spannerbocks met haar voogd verschenen is. Zij verschrijven met deze brief aan Adolf Heijsen en Lheoddart (?) Poilman als voogden van de nagelaten kinderen van de overleden ouders Johan Heijsen en Anna Poilmans, te weten Derich, Heiltgenn en Leonardt Heijsen, een jaarlijkse rente van 18 daler  (vanwege een kapitaal van 300 daler), in Gennep steeds op 11 november te betalen. Tot zekerheid en onderpand wordt een weijkamp genoempt den Wittenstein in der Herligkeit und Gericht Heijen gelegen gesteld.

Ordn. 4 Opnamenrs. 0904-0905
20 september 1597        Belangende Willem van Steinhuiss. Kopie-Obligatiebrief van Alter Knippink en zijn vrouw Elisabeth Spannerbock over een opgenomen kapitaal van 1000 gulden Brabants, hun geleend en verkregen van Wylhem van Stheenhuys en Joffer Maria van Ravenschoet, zijn echtgenote, tegen een jaarlijkse rente van zes procent. Een aflossing van een jaarlijks bedrag van 50 gulden is toegestaan.

Ordn. 4 Opnamenrs. 0906-0908
(1590) 3 mei 1607        In deze brief bevestigt Alter Knippingh, heer te Heijen, 1900 gulden Brabant in leen van zijn broer Conrad Knippingh, commandeur te Heilbron, in de vorm van een obligatie, verkregen te hebben. Daarnaast is nog 636 gulden in 1590 in Amsterdam opgenomen bij Peter Verhagen. De terugbetaling en renten schijnen niet correct betaald te worden. Vervolgens is Alberts broer Henrick Knippingh te Hackfort benaderd om een omvangrijke geldsom in Keulse muntwaarde, waarop een erfdeling, eines gehaltenen bruderlichen magescheid, gevolgd is.

Ordn. 4 Opnamenrs. 0909-0911
1 mei 1607        In deze brief van Alter Knipping, Heer te Heijen, spreekt hij over een in 1593 voorgestrekt bedrag van 1.000 gulden Brabants door Conradt Knippingh, commandeur te Heilbronn en in 1595 te Amsterdam van Peter Verhagen opgenomen bedrag van 636 gulden en van zijn broer Henrich Knippingh te Hackfort een hoofdbedrag van 3500 daler Keuls en 2.500. Deze bedragen zullen verrekend worden bij de erfdeling.

Ordn. 4 Opnamenrs. 0912-0915
21 januari 1613        De Heijense pastoor Wolterus Tutius wil met toestemming van de patroonheer, des heeren van Blienbeck als Collatuer und giffter der pastorien alhir als ook van Alter Knippingh, heer te Heijen, en de naburen van Heijen, de Masenhoecksche tyndt voor de tijdsduur van 10 jaar tegen bepaalde condities en bij opbod verpachten mit daleren, den daler ad dartich stuver en den stuyver ad einentwintich heller in goede, harde zilveren of gouden munten, zoals in de tijd van betaling binnen Genp ganckbaer und geeffbaer wesen sall. De nieuwe tiendpachter zal steeds twee gloeffwerdige burgen tho stellen  hebben voer die beloeffte pachtpenningen. Mocht er enige missgewass ader verderffeniss bynnen de tyt  van de verpachte tiend vallen, dan zullen de gevolgen daarvan steeds aan het Heijense gericht gemeld worden. Mocht de pastoor tussentijds overlijden, dat zal de tiendafdracht aan zijn opvolger door de pachter verplicht blijven tot het jaar 1622 op Martini (11 november) offte stoppelbloett wederumb verlaten in 1622. De beloofde pachtpenningen zullen jaarlijks in 2 termijnen op 2 februari (Lichtmis) en 24 juni (Johan de Doperfeestdag) voldaan worden ahn handen dess constituanten, so der heer tho Heyden, schepenen, kerckmeysteren mit den Pastoren …. tot optymmerunghh des wedemhoffs (pastorie). Bleef iemand achterstallig met de tiendbetaling, dan zal hij aangeklaagd en vervolgd worden. Zou bij het pachtopbieden het bod te laag blijven, zal het de pastoor vrij staen dat perck wederumb up tho trecken und ahn sich selber behalden, sonder enige onraeth (kosten) offte hueghselen daer van tho geven. De gewoonlijke onraetskosten bedragen ein halff thon biers of ein thon biers und vuer ynstellungs deser vuerwaerden und verpachtingh enen daler. De laatste slach wordt voor de pacht gegeven door Derick Rutten vuer verthien daller yder yaer und idem gehueght anderhalften daler und ein thon biers up die thien yaren. Tot borgen stelt Derick Rutten twee kapitaalkrachtige personen: Franck Drissen en Huybert Hoeben. Dit geschiedt voor de Heijense schepenen Gerardt Claessen en Hermen van de Staey, die beiden niet schrijven en lezen kunnen en waarbij Hermen een hooivork als huismerk voor ondertekening als syn merckt hanteert.

Ordn. 4 Opnamenrs. 0916-0918
11 november 1606        Het echtpaar Alter Knippingh en Elisabeth Spannerboeck bekennen met een obligatiebrief aan de echtelieden Jan Josten en Jenneken Martens 200 gulden in de Gennepscher wehrung schuldig te zijn tegen een rente van 6 procent, voor het eerst in 1607 te betalen.
Noot: Vermoedelijk in 1617 afgelost.

Ordn. 4 Opnamenrs. 0919-0920
1622/1623        Klein uittreksel uit een rekening of te wel Extract utter der Armen Gasthuijs. Restanten tot Genp ahn den heeren tho Heyden, Alter Knippingh, zijnde maandelijkse contributies en de inkomsten komende van die vicarie S. Nicolay the Heyden, opgetekend door Peter Loefs.

Ordn. 4 Opnamenr. 0921
Gennep, 1 mei  1634        Akte, gepasseerd voor de schepenen van de stad Gennep Peter van Aldenhaven en Willem Janssen en de scholtis van de stad en het ambt Gennep, vanwege een geldlening van 500 gulden Kleefs en waarbij de heer van Heijen betrokken is. De rentebetaling geschiedt door rentmeester Egbert Stickers. De akte wordt o.m. ondertekend door Conradine Knippinck.

Ordn. 4 Opnamenrs. 0922-0923
14 juli 1663 en 15 april 1659        De schepenen en naburen van de heerlijkheid Heijen hebben Aert ten Haef als scholmester aengenoemen. Enkele inkomsten worden hem voor zijn werkzaamheden toegewezen.
Het onderwijs sondachs van 2 ofte 3 ueren deed hij even wel niet uitvoeren. Ook waren er verschillende andere klachten over zijn functioneren. Er is beklag gedaan bij de vrouwe van Heijen, mede omdat aan de schoolruimte geknibbeld is om een winkelnering met drankverkoop te kunnen drijven. De kinderen hebben geen plaats meer en de dorpsgemeente wil dat hij uit de school vertrekt.

Ordn. 4 Opnamenr. 0924
23 maart 1663     Brief aangaande Vrouwe Agnes Margarethe van Boenen, weduwe van Vittinghoff genannt Schell zu Schellenberg en Heijen over rente.

Ordn. 4 Opnamenrs. 0925-0930
1664  - 1690            Opgaaf van achterstallige schulden, renten van geleend kapitaal, obligaties e.d., verdiend salaris aan dokter Huberti, aan notaris Johan Vethack, aan het convent Venray, meister Markes de Berdt, aan Georg Böennen, aan den vicarius zu Hassum, aan Llus Krefft von Bögen, ahn Steffen Kramers, aan den provisoren des Gasthauses zu Gennep, aan den Armen zu Hassum, den armen zu Goch, ein silberen lampet undt kümpgen. Als een volgende uitgave wordt uit 1687 gemeld de levering van 1,5 malder rogge aan  Arnolten Haeff, gewehsenen küster undt schülmeister zu Heijen.

Ordn. 4 Opnamenrs. 0931-0932
Buldern, 4 mei  1676            Brief, ondertekend door Bertina Elisabeth von Vittinghoff genant Schell von Schellenberg, fraulein der herligkeit Heijen, met consent van haar zuster Johannae Sophia over de heerlijkheid Heijen en de daartoe behorende goederen en een aan Johanna Maria toegewezen geldbedrag van 1200 Reichstaler tegen 5% rente.

Ordn. 4 Opnamenrs. 0933-0937
Buldern, 4 mei  1676        Doorgehaalde en afgeloste obligatiebrief van een kapitaal van 1200 Reichtaler, aangegaan tussen Bertine Elisabeth von Vittinghoff genant Schell en haar zuster Johanna Sophien von Vittinghoff genant Schell.

Ordn. 4 Opnamenrs. 0938-0941
Gennep, 4 februari 1707.    Wij, Johan van Bergsum der Rechten Licententie, koninklijk Pruisisch scholtis der stadt en Ambt Gennep, Richter der Heerlickheit Heijden, tezamen met Bern. Bossman en Andries Robben, schepenen van Heijen, is verschenen Derck Johan van Rhemen als gevolmachtigde van zijn huisvrouw Margaretha van der Moelen, in 1706 uitgeschreven te Nijmegen tot voldoeninge van eenige crediteuren, zoals controlleur Verhorst en heer Lewen, schepen tot Nijmegen, de heer Van den Berg en anderen, die verklaren ontvangen te hebben van de vrijheer Henrich Werner van Diepenbrock en zijn gemalin Engel Elisabeth van Vittinghoff genand Schell de som van 4.000 gulden    Hollands tegen 5% rente. Daarbij geldt weiland den Poll met uiterwaard tot onderpand, alsook een weiland dat vrij en allodiaal erff.

Ordn. 4 Opnamenrs. 0942-0944
1575            Wij, Arnt Spaenerbuck und Galant van Meverden, echtelieden, heer en vrouw to Heijden, bekennen van hun neef Derick van Schewick (en zijn vrouw Dorethea Hinnynck (?) te Driesberg een bedrag van 154 daler à 30 stuiver Brabants ontvangen te hebben, welckoir hundert daler wij unsen genedyge hern Grave Willem van den Berch, vrijheer tot Buxmeer up ten grote und kleynen Mersschen werdt en met de 54 daler hebben wij Fransse van der Borcht wt beveel unsen heren ypgemelt, den kleinen Mersschen werdt afgelost, gefrijdt und gequitirt und also weder van sijn Genade in pantschap ontfangen en daarop in gebruik gesteld van genoemde neef.

Ordn. 4 Opnamenrs. 0945-0948
1660-1661            Armenrekening van ontvangsten en uitgaven, opgesteld door Derrick Ebben, tijdtlicke Armenmeister tot Heijden mit mijn adiunct Bernt van Elsen. De ontvangst omvat o.m. twee gulden Kleefs van Tijs Peters van dat Armenlant en andere ontvangsten van Wolter Jansen, Derrick Ebben, Willem Janse, van Jacomine. De uitgaven geschieden vooral op instructie van de pastoor.  Ook de koster doet bier-uitgaven voor een blindenman en het begeleiden van deze naar Gennep, verder bestaan de uitgaven aan levering van koren en brood.

Ordn. 4 Opnamenr. 0949
Archief omslag verwijzend naar Gesamtarchiv von Romberg, Haus Heijen, Akten nr. 5

Ordn. 4 Opnamenrs. 0950-0957
1440 e.v.        Juridische status, discussie en verslag over de rechtmatige situatie van de Kleefse leengoederen des haves zur Heyde (Heijenscher hof, ook wel genoemd Hammscher Hof onder de heerlijkheid Heijen) und Busserhuysen (onder Ottersum, in het land van Gennep) en de opvolgende leenmannen.
Noot: Beide leengoederen worden in “die Lehnregister des Herzogtums Kleve” door E. Dösseler/F.W. Oediger onder de nummers 322 en 122 vernoemd.

Ordn. 4 Opnamenrs. 0958-0960
Ca. 1440        Brief van de prior/procurator van het convent Gaesdonck inzake eins hofes tho Heyde, Boxguet genant myt sijen zubehör. Enkele ettliche stücke, die in gemelt lehngut gehorigh zijn, blijken door de leenheer (Gaesdonck) verkocht aan Arnt Spanrebock, here thoe Heyde …. viefftien klein mergen, aan Mars Bögel, herr tho Oijen (?), ein kamp landz van tijen kleine mergen en aan Johan Verfört, schout van het land. De leenman of Lehntrager Melis van de Linde vinden wij ook vermeld.

Ordn. 4 Opnamenrs. 0960-0962
1 april 1440        Brief van met naam genoemde laten van Heijen over Herman van Honsselar en zijn vrouw Alheit, die van een boerenhoeve (Bocksgut geheiten) via verkoop afstand doen ten behoeve van het klooster Gaesdonck. Bezegeld door Henrick Spannerboick, heer te Heijen.

Ordn. 4 Opnamenrs. 0962-0963
22 juli 1440        Brief van Herman van Honselaer und vrouwe Aleidt Hermans, waarin zij verklaren dat de prior en het convent in der Gaesdonck de overeengekomen koopsom betaald hebben zoals zij die schuldig waren van de koop van den gude tot Heyden, Bocksgut geheiten.

Ordn. 4 Opnamenrs. 0963-0964
17 october 1440        Brief van Dirick Boick en jungfraw Gertruydt Diricks vorscreven wittige wyff, en Ardt Roeck en joffer Jutt Ardts vorscr. wyff ende suster Dijrick Boicks vurscreven bekennen met deze brief, dat zij afstand gedaan hebben voor de richter en laten van Heijen van den hoff tot Heyde gelegen, ….. geheiten Boicksgut en zo daar van aldes is gelegen…., soe die He(n?)rick Boicks toe te horen plach ten behoiff des priors ende conventz in der Gaesdonck, die das sellinge gutt van Herman van Honselaer nu hebben gekocht. Omdat Getruidt geen eigen zegel heeft, heeft zij Johan van Asselt gevraagd voor haar te zegelen. Ook zegelen Arndt Boick en zijn vrouw Jut. Ook is tot grotere zekerheid nog gevraagd die erbair wijze manne her Johan Storm, priester tot Straelen, met Herman van Honselair, Henrick  Maesoen van Alfer en Ryke van Acken.

Ordn. 4 Opnamenrs. 0964-0965
october 1440        Brief van betaling aan Dyrick Boick van Heyden en Ardt Boick door de prior en convent van de Gaesdonck voor het Boickgoed.

Ordn. 4 Opnamenr. 0965
1441-1550        Details over het Bockgoed te Heijen van het klooster Gaesdonck, waarin gesteld dat aan deze boerenhoeve drie manlenen als een pondigh leen verbonden zijn. Verhergewade 15 rijnse guldens. Het eerste leen is en Bowhoff gelegen tot Heyden, waarmee beleend is heer Arndt van Heyden, pastor tot Bogin (Beugen) Ao. 1441.
In 1480 is daarmee beleend Johan Peell tot Heyen en het jaar daarop vermoedelijk zijn gelijkname zoon.
In 1523 is er mee beleend Derick Peell volgens oorkonde, leenmannen: Derick Schinck, Peter Schinck.
In 1533 is beleend Theis ter Lynde (?), leenmannen Lyffert van Wylick en Henrick Kost.
Anno 1550 is beleend Melis ter Liende, leenmannen Derick Verlocht en Peter Schinck; extrahiert uit het Legerboek van kl. Gaesdonck.

Ordn. 4 Opnamenrs. 0966-0969
1417 - 1713        Extract uit de Boxmeerse leenboeken aangaande:
De herlichheijt van Heijen als een leen van de vrijherlickheijt van Boxmeer, te verhergewaden met een marck, dat sijn drij goldt gulden. Leenman: Henrick Spanrebroeck den jonghen./
Anno 1500:Arent Spannebroeck
Anno 1612: Alter Knippinch
Anno 1645: Johan van Vittinghoff genaempt Schell (gehuwd met Agnes Margreta van Boenen)
Anno 1655: namens weduwe Agnes Margreta: Johannes van Duijsent, scholtes en Borgemester tot Gennep.
Anno 1668: Martinus Hasenbaert
Anno 1691: Constantinus Mentrop, secretaris tot Gennep, als gevolmachtigde van früle Bertina Elisabets v. Vittinghoff genaempt Schell.
Anno 1713: Gerrart Huijster, namens Hendrick Werner van Diepenbroeck.

Ordn. 4 Opnamenrs. 0970-0971
1526 en 1540        Extract uit dem Buxmerschen Leenboick. Op Goensdach nae den Sondach Iudica in den vasten Anno XVc und XXVI is Henrich Spannebroick den iongen voor de Boxmeerse stadhouder Caspar van Stein namens jonker Filips, graaf van Vernenborch en Nuenaer, heer to Saffenborch und tot Boxmeer met die heerlicheit van Heiden beleend. Leenmannen: Jan van Kessell en Frans van der Borch.
Anno 1540 is Art van Spanrebroick daarmee  beleend.

Ordn. 4 Opnamenr. 0972
21 dec. 1553        Akte, gepasseerd voor Johannes Mans, notaris en secretaris tho Genp, waarin wordt bekend dat voor hem Werner van Haitzvelt, her to Wyswyler, verschenen is vanwege de onderhandelingen tussen syn Lyffden undt Arnt Spanrebock, eyn heer to Heyden, belangende die loisse des Lehen guetz genumpt Busserhuysen ende den Hamschen hoff vurmals aen Goidert Torck verpant, hefft gemelte Werner van Haitzveldt den twe Lehen mannen Engelbert van Caitz und Melis van der Lynden vurgebracht. Er wordt een oudere kopieakte (oktober 1548) woordelijk herhaald van Goidert Torck, heer tho Hemert ende Buyckhave, de drie broers Frederick Torck, Wylhelm Torck en Joist Torck en voorvaderen i.v.m. voornoemde erfgoederen.

Ordn. 4 Opnamenr. 0973
1 maart 1560    met retro-oorkonde van 8 dec. 1553        Akte van Elysabeth Turck, frouwe tot Nyenraey und ther Lucht, weduwe van Berndtz van de Boengaerdt. Zij verklaart van Arnt Spaenrebock, heer tot Heijen, zijn schulf afgelost heeft i.v.m. myner kyndtz deell die somme van 175 golden gulden, herkoemende van tguet Buysserhuysser gut ind den Haemsschen Hoeff in der heerlickeit van Heyen gelegen, leen ruerich aent huyss tot Gennep int furstendom van Cleeff gelegen, wie dan die alinge vurscr. guedere eertytz van Reyner van Hoelthuyssen vur die somme ind werde van 700 golden gulden aen Goeddert Turck zelliger, mynen alden vader versath is gewest. De helft hoorde aan zijn oom en andere verwanten.

Ordn. 4 Opnamenrs. 0974-0975
Gennep, 20 december 1553        Werner van Haetzveldt, heer tot Wyswyler, bekent dat de heer van Heijen, Arnt Spaenmreboick in 1553, op de 7e december, vanwege mynre huysfrouwen genant Maergriete, nagelaten dochter zelliger Lubbertz Torck, heer tot Hemert … eyn loess, wie recht , verkundigen doen hefft belangende eynen leen guet, leenroerig aan Wylhem, hertog van Kleef, mynen genedigen heern en leenheer met enen hoeff gelegen in der heerlicheit tot Heyden, genant den Hamsschen Hoeff ind enen hoeff genant Busserhuyssen gelegen in der heerlicheit van Gennep, eertijds van Reyner van Hoelthuyssen voor de som van 700 gouden gulden aan Goedert Toercken, myner huysfrouwen alde vader. De akte wordt bekrachtigd door de ondertekening van Werner van Haetzveldt, Engelbert van Kaetz en Mylis van der Lynden.

Ordn. 4 Opnamenr. 0976
Emmerik, 19 maart 1558.        Voor Engelbert van Till en Henrick Inghen Baedem (?), schepenen van Emmerick, is verschenen jouffer Galandt van Meverd, rechte huijsfrou van Arntz van Spainerbuck, heren to der Heijden, mit Arndt Berck oeren verkairen momber of voogd.    Zij dragen op aan Adolph van Meverden oeren broeder sodane versterff erff und guet, gerede innd ongerede nyt uitbescheiden vanwege affsterven oere vaider ind moeder  en waaraan zij enichsins beervet zijn. Het stadzegel van Emmerick is opgedrukt geweest.

Ordn. 4 Opnamenr. 0977
23 febr. 1550 en 9 januari 1558.        Extracten van twee beleningen uit het leenboek van het huis Boxmeer.
Belening met de heerlijkheid Heijen, in 1550, door Everhart van Hairen, stadhouder van de Leenkamer van Boxmeer, onder Maximiliaen van Egmond, graaf van Buren en Leerdam aan Arnt Spannerbock.
Belening met de heerlijkheid Heijen, in 1558, door Frans van der Borch, leenstadhouder van de lenen van Boxmeer en Haps, namens Willem, graaf van den Bergh, heer tot Bylandt, Hedel,  Boxmeer, Haps, Homoit en Wysch.

Ordn. 4 Opnamenrs. 0978-0983
11 augustus 1564.        Briefwisseling van Werner van Haetzfeldt, herr zu Weiswiler met juridische aan- en tegenspraken over de belening (Busserhuisen), kosten, schaden, aflossing en betalingen waarin genoemd worden Reiner van Holdhuisen, Goddert Turcken, Derich van Holthuisen, de hertog van Kleef , besprekingen op de landdag in Dinslaken tegen Aldenboeckum.

Ordn. 4 Opnamenr. 0984
10 november 1576.        Getuigen Derick van Schewick, Peter van Beringen en Conraidt van Mekeren certificeren hiermede, dat voor hen en voor Johan Loeffs, alle vier leenmannen van Willem, Graaf van den Bergh, fryherr tho Boxmer und Bilandt, in eigen persoon Arth Spaenrebock verschenen is. Hierbij hebben Spaenrebock syn Lieffden sich viermaell thom obervloet in leyden laten in ein Leengoet, dat van syn Leengoet gespleten en aver shy Joffer Liffhart Spaenrebock gewesen weduwe van Erpraedt, als deser tyt gebruickersche desselingen affgespleten leengoetz. De leenvergoeding geschiedt in de vorm van een soort korenpacht.

Ordn. 4 Opnamenr. 0985
17 juli 1576.        De getuigen Derick van Schewick, Peter van Beringen en Conraidt van Mekeren certificeren tezamen met Johan Loeffs, alle vier leenmannen van de Leenkamer van Boxmeer, dat Art van Spaenrebock, ein heir tho Heyden, tot vier verscheyde reissen, heeft vast laten leggen, dat ingevolge een erfdeling syner Nichten Joffer, Liffhart van Spaenrebock, weduwe van Erpraedt, jaarlijks etlicke lendderien, Baw und weyland, die afgedeeld zijn van het leengoed van Heijen, mag gebruiken.

Ordn. 4 Opnamenr. 0986
17 september 1576.        Jan Verlocht en Derick van Limburgh, leenmannen des Conventz und Godtzhuys Gaesdonck ontbieden joffer Geertruidt van Spaenrebock, naegelatene weduwe wilandt des Edlen Ehrentfesten Martin Boegell, herrn tho Ayhen (?) wegens het Convents Leengoet, geheyten Boxgoet, en ongeoorloofde verkoop.

Ordn. 4 Opnamenr. 0987
11 november 1612        Uit de leenboeken van de Leenkamer van Boxmeer overgeschreven beleningen met de heerlijkheid Heijen naar Rijperdts recht (=Reifferscheids recht!), te verheergewaden met een mark, datt sijn dreij goltgulden. De eerste belening dateert hier van 11 november 1612 aan Alter Knippinck met de leenmannen Henrich van Mer en Ardt van Beinum.

Ordn. 4 Opnamenrs. 0988-0990
15 juli 1614        Diederich von Schewick te Dreisberg aan de Niers attestation Copij was mein Swiegervatter Alther Knipping, Her zu Heijen, beij de Lehens empfahung der Herlicheijtt Heijen von dem wolgebornen hern, hern Wilhelm Grave zu dem Berge, freijher zu Boxmehr und Beijland, Hochloeblicher gedechtnus und obgemelten Schewick belastet worden.
De heerlijkheid Boxmeer wordt daarbij als een vrij leen van de hertog van Brabant gehouden en Heijen daar een afgeleid leen van is.

Ordn. 4 Opnamenr. 0991
1618        Diederich Ripperbandt, drost en stadhouder van de Boxmeerse leen maakt een verklaring op grond van notities in de Boxmeerse Leenboeken. De verklaring is gericht Goddert van Wilaick, rentmeester te Gennep, die van Boxmeer te leen ontvangt een halve hove landts gelegen in den Velde tot Heijden, zoals die van alts daar gelegen is. Verder op ten Poll, ongeveer 8 morgen land und den anschoot op ter Mase. Iten tegen datt Veer omtrent vijff veerdel van eenen mergen. Iten op ter Hons horst drij verdell van eenen mergen. Noch aen Mett Peel kamp ind op t Kuijlken 1,5 mergen tegen des Grevenhuijs een mergen, noch in des Papen pas eenen mergen bij der Weteringen met verdere landstukken.

Ordn. 4 Opnamenrs. 0992-0993
3 december 1627        Brief van Galandt Knippingh, weduwe von Boenen zur Uberfeldt und zur Heijen, over haar overleden vader Alter Knippink en moeder Elisabeth Spanerbuches zur Heijen en over van de graaf van den Bergh, leenheer te Boxmeer, vanwege de belening met de heerlijkheid Heijen.

Ordn. 4 Opnamenr. 0994
8 mei 1683          Extract uit het Boxmeerse leenboek E fol. 25 over het leengoed Den Poll onder Heijen wegens het afsterven van groetmoeder Gertrudt Beckers, gewesene Ehevrouwe van wijlen de heer Johan Schmitz in tijt sijns levens Burgemeister tot Gennep en het verzoek van de erfgenamen beleend te worden met voornoemd leengoed, groott wesende omtrint acht kleijne mergern en den aenschott op die Mase in die Heerlijck Heijden gelegen. Heergewaad twe alde schilden. Leenmannen: Arnolt Verheijen der rechten licentiat en Peter Sam, rentmeester.

Ordn. 4 Opnamenr. 0995
10 mei 1684          Extract uit het Boxmeerse leenboek E fol. 44. Leenverheffting voor Eherhardt Adrian Haefacker der rechten doctor, raet en stadthouder van ’t Hoogh Graeffl. Boxmeersche vrij Leenhoeve en de leenmannen door Johan Dietherick Ten Haam, die er een contract overreikt, gedateerd Cleve 5 meij 1684. Hierin wordt joffer Judit van Egeren, erfgename van Theodorus Suermont vernoemd i.v.m. enige poercelen land, waarvan er acht aan het Boxmeerse Leenghof leenroerig zijn en in Wijlackz leen gehoorige sijn, zoals ook te zien is in het leenregeister D, fol. 174. Voornoemde Ten Ha(a)m verzoekt zijn zoon met deze percelen te belenen na betaling van driemaal het heergewaad wegens versterniss, aliënatie off permutatie en deze herbelening.

Ordn. 4 Opnamenrs. 0996-997
1609 – 1627- 1640 – 1691 - 1692          Enkele extracten uit het Boxmeerse leenboek D fol. 173/4 met verwijzigingen betreffende de leenverheffing het zogeheten Wylacks leen eerst naar het out leenboeck B, pag. 102 en C. pag. 246 waarin dit leengoed in 1609 bestaat uit negen perceelen, waarvan naderhand dat eerste perceel van 8 morgen bij Reiner ingen Loedtz (?), daarna bij Jan Smitz en daarna bij Samuel Neomagus en nu bij Johan Martin Haasbaert verheefft is. De rest is bij Theodorus Suiermont sohn van Enneken van Wijlaekz bezeten en nagelaten aan de erfgenaam Judit van Egeren. Ook zijn acht percelen verkocht aan Johan Diederik Ten Ham, die daarmee in 1684 tegen betaelinghe van 3 heergeweijde, ijcker gelijck van outz met twee alde schilden offt dreij goltgulden beleend is.


Ordn. 4 Opnamenrs. 0998-1000
29 december 1697          Bevestiging, ondertekend door Diederik Ripperbandt, drost en leenstadhouder van de vrije Boxmeerse Leenkamer in de tijd van Oswald, graaf van den Bergh, dat Gerardt Huijster, landschrijver der vrij heerlichkeijt van Boxmeer met een brief van Hendrik Werner van Diepenbrouk, vrijheere tot Bulderen, Bergh en Heijden (Heijen), borghman des huijses Dulman, echtgenoot van vrouwe Engel Elisabeth van Vittinghoff genandt Schell van Schellenbergh. Daarin staat dat op 19 september 1691 vrouwe Engel Elisabeth beleend is geworden met de heerlijkheid Heijen met allen sijne Appendentien, soo als dieselve in hogen en legen, in diepen en droogen gelegen is met allen haer recht en gerechtigheijden tegen een heergewaad van een marck goltgulden offte drij goltgulden,  zoals ook in vorige leenboeken staat als C. fol. 58 en D, fol. 17. Leenmannen waren daarbij Hendrick Johan Verheijen en Albert Ansems.

Ordn. 4 Opnamenrs. 1001-1010
17 januari 1695          Ondervraging aan rechtsgeleerden (in Nijmegen) met antwoorden in Latijn (ca. 80%) en Nederlandse (ca. 20%) naar spelregels over de kwestie of een Tochtenaer off Tochtenaersche van een Leenhoff off dominerend Leengoedt an een vasal validelick kan verleenen, octroij off verloff, om over eenigh Leengoedt, van den selven Leenhoff releverende bij testament te mogen disponeren met de daarbij de vraag of de toestemming of het consent daartoe noodzakelijk is van de leenheer off directer Dominus selfs.
Voorts is de vraag aan de orde over de aanspraken bij een testamentaire beschikking bij de naeste in de bloede.
Verder komt de vraag aan de orde wat de nature ende eigenschap van de Boxmeersche Leenen is, off deselve gemeenschap hebben met de Brabantsche oft met de Geldersche, oft met de Zutphensche off met de Cuijksche Leenen en kwesties als het genieten van de vruchten ende opkomsten van de grechtigheden cq. het vruchtgebruik, recht van stemmingh ten platten lande en het feit dat de Leenrechten ofte Costumen vereischen het consent van den Leenheer. Ook komt het ter hoofdvaart gaan of haer apele heeft van het gerecht van Boxmeer bij het hooft gericht van Cuijck aan de orde.

Ordn. 4 Opnamenrs. 1011-1012
5 april 1704          Getekende kaart van de gesworen Lantmeter Thomas Harets, gemaeckt den 5 april 1704 van den Huevelsen Hoof (v/h Busserhuze geheten – opmerking van Rien van den Brand), op verzoek van Johan van Berghsom, rechter tot Gennep op enen bouuwoed gelegen tot Otersom onder Ampt Genep, toebehorende sijn Extie den Hoogh Eedele Heer van Boldere ende Heere tot Heijen. Eerst gemeten het Cempke daer het huijs ende schuer op staet ter grootte van 2 morgen en 21 roeden met de bijbehoorende hegge. Idem een kaart gemaakt van het landt op het Her velt van 39 morgen en 6 roden, geheten den huevel. Nog een kaart gemaakt van een perceel bouwland, genamt den Blaer Camp van 3¼ morgen en 6 roeden. Samen 44¼ morgen en 33 roeden.

Ordn. 4 Opnamenrs. 1013-1016
30 juni 1713          Kopie – leenbrief van de Boxmeerse Leenkamer uit de periode van sijne voorstelijcke Genade Maijnaert Carell Anthoin bij Goedes genade Furst zu HoogenZollen, Grave tot Zigmaringen ….. en Boxmeer en voordien Oswald, graaf van den Bergh, vertegenwoordigd door Joh. Diederich Ripperbandt, drost en stadhouder der Boxmeersen vrijen Leen hove vrouwe Engell Elisabeth van Vittinghoff genant Schell van Schellenberg in 1697 beleend is met de heerlijkheid Heijen. Thans het verzoek dat Gerardt Huijseter als gemachtigde daarmee beleend wordt.

Ordn. 4 Opnamenrs. 1017-1019
30 juni 1713          Schepenbrief van de richter en schepenen van Boxmeer, waarin vastgelegd dat Lambert Crouwers en Griet Versteilen daar een verklaring afleggen over een man uit Vierlingsbeek, geheten Maes op Beeckerstaeij die uit het kerspel Heijen gevlucht is. De bode van Heijen heeft hem achtervolgt en staande gehouden op het grondgebied van de Heerlickheijt van Meer. Daar was de gevangene echter vrij man en kon de bode van Heijen niets uitrichten. Ook hebben zij meegemaakt en gezien dat die marckschip van Ruermondt en Venlo hiervoor niet in den ampt und geright van Genp komen mocht en dat zij daarom aanlegden in Vierlingsbeek om aldaer oer goed te lossen und ledichten, sunder bekrunen (boeten) van Genp oft van Heijden. Tevens volgt een verklaring over de visrechten in de Maas, de vondst van een dode in dit grensgebied, loslopende paarden, grens tussen Boxmeer en Heijen, berechting van een misdadiger en een bezegelde brief uit 1527.

Ordn. 4 Opnamenrs. 1020-1021
17 juni 1737          Waarschouwinge en interpellatie van Maria Catharina, Gravinne Douarière tot den Bergh, Hohen zollern Sigmaringen etc. aan alle vasallen en leendragers van onder meer de vrije heerlijkheid Boxmeer en Haps i.v.m. het overlijden van Frans Wilhelm om alle lenen met de ledige hand opnieuw binnen een jaar te verheffen op onsen soon Johan Baptist.

Ordn. 4 Opnamenrs. 1022-1024
15e eeuw (?)          Die deylinge des lants gelegen int Hoege velt tuschen mynen broder ende my.Veel veldnamen met grootte, ligging en gebruiker.

Ordn. 4 Opnamenrs. 1025-1027
Omstreeks 1550         Bericht van Arnt Spanrebock te Heijen aan Frans van der Borch, stadhouder van de Boxmeerse lenen over betwiste aangelegenheden o.a. te Gennep, verkochte gronden, leengoed, erfenisdeling, e.d.

Ordn. 4 Opnamenr. 1028
Omstreeks 1565         Brief van Arnt Spanrebock waarin wordt gesteld dat hij en zijn voorvaderen, als  rechte eerffolger van de heer van Boxmeer altijd der gantzer alynger hoochheitt und heerlicheitt van Heyden, sonder eniger exceptieën in leen ontvangen hebben. Maar heer Wylhelm, hertzoch zto Cleeff, Gulich und ten Bergh, die helfftt der heerlichheitt voirscr. syn furstl. Genade een tyt van jairenn in syn furstl. gebruyck gehadt hefft buyten manyren van Rechten und twyvel oick nyett, dat syn furstl. Genade enyge gerechticheit aen die halff heerlichh. voirs. konnen offte moigen hebben, etc..

Ordn. 4 Opnamenrs. 1029-1032
Omstreeks 1565        Memoriaal en bericht aangaande de heerlijkheid Heijen en over het gedrag van zwager Arnt Spanrebock, die als heer van Heijen, in ongenade en gevangenis gevallen is bij de hertog Willem van Kleef en de helft van de heerlijkheid Heijen met de hoogheid (het halsrecht) noodgedwongen is geweest af te staan en waarop het uitbreken van de Tachtigjarige Oorlog gevolgd is. Bovendien zijn er problemen met omliggende bewoners uit Gennep, Genneperloo en Hommersum want die willen met geweld daar hooien, plaggen maaien en hout kappen.

Ordn. 4 Opnamenr. 1033
Archiefomslag, ex Staatsarchief Münster, Abteilung Westfalen met verwijzing naar Gesamtarchiv von Romberg, Haus Heyen -  Akten. Nr. Karton 15

Ordn. 4 Opnamenr. 1034
Archiefomslag, ex Staatsarchief Münster, Rombergsch. Archiv (Dep.) Herrlichkeit Heyen, Akten V, nr. 11 A 1

Ordn. 4 Opnamenrs. 1035-1036
1484        Naamlijst van belastinginkomsten, de zogeheten heren schettinghe van Heyden. De opbrengst bedraagt totaal 70 gulden.

Ordn. 4 Opnamenrs. 1037-1040
1501        Naamlijst van belastinginkomsten, Schettynge in den kerspel van Heyden anno dusent Vc und eyn.

Ordn. 4 Opnamenrs. 1041-1042
1519        Naamlijst van belastinginkomsten. Dyt ijs der heeren scettinghe toe Heyen geordyneyrt van den Scepen Int jaer ons Heren M CCCCC ende negenteyn.

Ordn. 4 Opnamenrs. 1043-1044
1519        Een andere naamlijst van belastinginkomsten ende schatongh to Heyen op fridach na st. Servacius Anno 1519, nu wesende Henrick Spannerboick, heer tot Heyden en gemene scepenen.

Ordn. 4 Opnamenrs. 1045-1046 (deels)
1542        Naamlijst van all sulke schettynge so durch gemeyn ryderschap, stedenn und landtschap deses Ffurstendoems Cleve bewyllicht unnd inberoempt tot behoeff dess durchluchtygh hoichgeborenn Ffursten und heer Willem, hertog van Cleve, Gelre, Gulick und Berge etc. toe stuyr unnd wederstandt dess Turks gesat unnd verordert in den Ampt cab Gennp op saterdach na de dag van Maria Geboorte 1542. Dat volgt de belasting geheven in dat kerspel van Heyden.

Ordn. 4 Opnamenrs. 1046 (deels)-1047 (linker helft)
1537        Naamlijst van Schatt Cedel anno (15)37

Ordn. 4 Opnamenrs. 1047 (rechterhelft)-1048
1542        Naamlijst van Schettynge wederom van 1542 in Heijen up den platten lande, goedgekeurd door de ridderschap, steden en landschap van het vorstendom Kleef en betaald aan rentmeester Buthendick.

Ordn. 4 Opnamenrs. 1049 -1050
1549 – 1552 en 1555        Naamlijst van belastingbetalingen door buyten geerffden tho Heijdenn, Anno XVc XLIX, gesat dubbell und Anno Lii un Lv

Ordn. 4 Opnamenrs. 1051 -1054
19 october 1549     Berekening van op te halen korengeld en andere tijns te Heijen aan de hand van de eigenarenlijst met opgaaf van de grootte van de verschillende percelen, hoeveel koeien en runder per boer. (2 naamlijsten).

Ordn. 4 Opnamenrs. 1055 -1054
1560         Kopie met punten uit een verdrag tussen mynen genedygen Ffurst unt Heren, de hertog van Kleef, met Spaenrebuck, anno zestich, den XVII juni. Voortaan gaat de helft van de inkomsten uit Heijen naar de Kleefse hertog, een schout wordt aangesteld door Kleef (die de executies en lijfstraffen op de pijnbank uitvoert) en een zwijgende scholtis door de heer van Heijen. De wedden, geldelijke bruicken of boetes, als ook de tijnsen zullen half gedeeld worden. De regeling geldt ook voor het houtgewas, de jacht en de visserij in de Maas.

Ordn. 4 Opnamenr. 1057
15 april 1550         Schepenbrief van Heijen met onderzoek en verklaring over de hoogte van de uitheynisser beerfden, die als niet-inwoner van Heijen (b.v. te Goch, Gaesdonck, Zelder, e.d.) over hun eigendommen onder Heijen belasting betaalde. Daarbij worden gebruiken uit 1511 aangehaald.

Ordn. 4 Opnamenrs. 1058 -1059
26 december 1602         Oorkonde van Scholtis Johan van Baex en twee schepenen, namelijk Hermen van Cuick en Franck Drissen met opgaaf van alle utghaende schaersteine und platzen, waar ook gestookt wordt in der herlicheit tho Heiden, aan de hand waarvan belasting betaald hoorde te worden. Dan volgt een gedetailleerde naamlijst van de inwoners met het aantal schoorstenen per huis. Daarbij gevoegd is een lijst met negen ledige platzen, daer ermaels huiseren und katen (keuterijen) op gestaan hebben (en mogelijk in deze oorlogstijd van de 80-jarige oorlog onbewoonbaar geworden).

Ordn. 4 Opnamenrs. 1060 -1061
28 januari 1614          Heijense schepenakte van Gerrit Claessens en Herman van de Stay over de Heyense schatting, die voor de helft voor de heer van Heijen Alter Knippinck, heer te Heijen, ingevorderd wordt door schout Johan van Baex, die daarover moeilijk gedaan heeft.

Ordn. 4 Opnamenrs. 1062 -1063
Ca. 1570         Antwoord vanwege de scholtis van beide heren van Heijen (de hertog van Kleef, als half-heer, en de heer van Heijen, als half-heer) over afgelegde verantwoording van Melis van der Lynden (te Gennep). Daarbij is Dirck Peelen betrokken en deze blijkt lange tijd in Heijen gewoond te hebben en zijn belasting of schatting is daar altijd correct betaald. Dirck heeft ook goederen liggend onder Gennep. Ook worden gewoonten opgehaald over de Gennepse belastingbetaling, bekend bij de vader van Melis, Thonis van der Lijnden. Dirck Peelen is verder een periode halfman geweest van een boerderij en toen heeft hij mijt synn ander nabueren betalt. Melis zal uiteindelijk niet verder vervolgd worden voor belastingbetaling.

Ordn. 4 Opnamenr. 1064
Archiefomslag, ex Staatsarchief Münster, Abteilung Westfalen met verwijzing naar Gesamtarchiv von Romberg, Haus Heyen -  Akten. Nr. 3 Karton

Ordn. 4 Opnamenr. 1065
Archiefomslag, ex Staatsarchief Münster, Rombergsch. Archiv (Dep.) Herrlichkeit Heyen, Akten 1V Nr. 3

Ordn. 4 Opnamenrs. 1066 -1068
1604 met verwijzing naar 1533    Copy utter  dem Extrackt des Legerboeks des Closters Gaisdunck aangaande het zogeheten Buxguet met verdere landgoederen en weilanden

Ordn. 4 Opnamenr. 1069
1574             Briefwisseling tussen de prior van het klooster Gaesdonck en de hertog van Kleef aangainde het leengoed Boixsguit van het klooster onder Heijen en Melis van de Lynden (te Gennep), waarbij ook Johan Verfoirt scholtis des landtz van Kessell betrokken is.

Ordn. 4 Opnamenrs. 1070 -1072
Ca. 1578         Brief aan de Kleefse Raad van de prior van Gaesdonck over hun rechten op het leengoed te Heijen, terugvoerend naar 1440.

Ordn. 4 Opnamenrs. 1072 -1073
24 juli 1550             Leenbrief van Antonis Blaeman, prior van de Gaesdonck, aangaande het leengoed Boixsguit , dat aan vazal Melis van der Linde, de zoon van Thonis en Bela, uitgegeven wordt. Leengetuigen Derick Verlocht en Peter Schinck.

Ordn. 4 Opnamenrs. 1074 -1075
9 october 1576         Klachten, aangemeld bij Jan Michiels en Thonis Baecks (?) van de Heijense schepenbank vanwege het klooster de Gaesdonck en Arndt Spanerböck, Gertrudt Spanerbock en wijlen Martin Bo(e)gell en een weiland onder Heijen.

Ordn. 4 Opnamenrs. 1076 -1077
30 juli 1578              Brief aan jonker van Eickell zu dem Ham waarin bevestigd wordt dat de prior van Gaesdonck naar het raadhuis van Goch op 1 augustus zal komen i.v.m. een Heijense aangelegenheid.

Ordn. 4 Opnamenr. 1078
Archiefomslag, ex Staatsarchief Münster, Rombergsch. Archiv (Dep.) Herrlichkeit Heyen, Akten 1V Nr. 4

Ordn. 4 Opnamenrs. 1079 -1080
8 maart 1526              Schependomsbrief van de gemene schepenen van Heijen met een verklaring dat Henrick Spaenreboick, een heer tot Heijen, in eenen vasten erffkoep ewlick ende erfflick verkofft heeft een jaarrente van tien Philippus gulden, komende uit die Smalien onder Heijen gelegen, en elk jaar te leveren op sijnt Peters dach ad Cathedram. Toekomstig eigenaar wordt nu Peter Bosman, de priester van de vicarie van onsser lieuer Vrouwen altaer tot Hassum. De Smal grenst met een zijde aan de Maas neven eenen gemeynen weech, dander sijde neven Lijffart van Wijlaijch, dat eenen eend schijetende op Gerijt Spaenrebock, dander eend op te Beeckpass. Ook rust er nog een kleine rentepost uijter den Wijttensteen.Naast het schependomszegel, zegelt ook Reynner van Loebeck, richter.

Ordn. 4 Opnamenrs. 1081-1082 (bovenste helft)
Sint Gregoriusdag 1529          Gennepse schependomsbrief aangaande de provisoren van het Sint Sebastianus gilde van Hassum, die zich beklagen over een erfbrief van jaarlijks 5 Hornse gulden, die afhandig gemaakt is en terug zou moeten komen. De rente rust als last op een onderpand te weten een weiland Den Wittensteen.

Ordn. 4 Opnamenrs. 1082 (onderste helft) -1083
Ordn. 4 Opnamenrs. 1081-1082 (bovenste helft)
Ordn. 4 Opnamenrs. 1082 (onderste helft) - 1083
25 februari 1555        Schepenbrief van Rijcket Ungeloeff, Goert Poellman en de gemene schepenen van Gennep getuigen dat Henneken Mullers te Hassum voor hen verschenen is. Deze verklaart in voorbije jaren Provisor der Kerkcken und der Ermen te Hassum te zijn geweest en dat destijds Wilhem Rutten en Henneken zijn huisvrouw vijf Hornse gulden vermaakt hebben tot behoeff der armen thoe Hassum en ook jaren daadwerkelijk betaald hebben maar door nalatigheid van navolgende provisoren problematisch is geworden.

Ordn. 4 Opnamenr. 1084
Archiefomslag, ex Staatsarchief Münster, Rombergsch. Archiv (Dep.) Herrlichkeit Heyen, Akten V Nr. 1

Ordn. 4 Opnamenrs. 1085-1091        
17 Juni 1560        Kopie-verdrag op papier tussen Willem, hertog van Kleef  (als landvorst) en Arnt Spanrebock (en zijn broeder Johan) wegens de heerlijkheid Heijen in het ambt Gennep, nadat er veel misverstand en twist geweest was met de ambtluijden tho Genp. De hertog grijpt flink in en maakt nieuwe afspraken, die de vrijheden van de heer van Heijen gaan beperken; hij wordt de tijdelijke half-heer van Heijen met de helft van de vroegere inkomsten, tijnsen en breuken (boeten) en o.m. beperking van zijn rechtspraak, benoemingen, gemene gronden, houtgewas, grondbezit-, turf-, jacht- en visrechten. Ook wordt de appellation voor het Heijense gericht van Gennep naar Kalkar verplaatst.

Noot: Het origineel verdrag berust in het LANDESARCHIV te Düsseldorf, Bestand Kleve-Mark Oorkonden en in afschrift in Reg. Cliv. XXX, 368. Gezien het belang ervan is onderstaand de volledige tekst van het origineel weergegeven:

Toe weten: Dweil duckwijls missverstand und twijdracht sich erheven hebn tuschen den ampluden to Genp en namen myns g(enedige)h(ere de hertog) und den von Spainrebock to Heyden van wegen der nutzbarlicher gerechtigkeit der herlicheit Heiden (Heijen), so is umb alle onrichtigheit to vermijden, oick by den luyden und underdanen desto beter eindracht, folg und gehorsam to underhalden, die holtgewassen der Hezen, vischerien, knynenwranden und sunst to mehrern nutz to brengen tuschen hoichgemelten mijnen g.h.  und Arnden Spainrebock to Heiden guitlich und entlich bespraicken, afgekalt und verdragen woe folgt:
1.    Anfenglich dat nu voirtmehr die consulation und appellation von dem gericht to Heiden nergent anders dan up Calcker to sucken und to halden, wilchs mit weynigster onkosten des gerichtz und partien na ordnung myns g.h. geschein sall.
2.    Dat oick myn g.h. hertoug gelyck syner f(ürstliche) g(enade) vurheren von onverdencklichen iairen gedain aldair der ongetwijvelder landfurst by irer f.g. hoeger oevericheit und lijfstraifen, und wes den anhengt durch vorgriffen (ader preventien) imant gefencklich annemen deden, dat soeliche ingetoegene up den derden dach syner f.g. als dem landfursten mit scholt und onscholt, oick wes by oen in den anfanck befunden, an der Hezen tuschen Gennep und Heiden averliefert und van sijner f.g. der geboir gestraift werden sollen.
3.    Wanneir und to welcher tijt van hoichberumpten mynen g.h. in syner f.g. furstendumb Cleve eynige stuyren ader schattongen gesatt of syner f.g. van gemeiner landschaft ingewilligt werden und die den fursten to gude kommen, dat in dem fal die eyne helft van de rherlicheit Heiden nae alden gebruick syner f.g. und die ander helft den van Spainrebock folgen und togelacht werden sollen; dair aver reichsstuyren furfallen, dat die den lantfursten voirt te verrichten allein verblijven, woe dan syn f.g. die settungen nae irer gelegenheit doin und die pennongen upboeren laten sall.
4.    Dat oick die van Spaenrebock bij sich selfs sunder furweten und bewilligung mijns g.h. geine heiden noch gemeinten uitslaen noch anderen to betijmmeren of to bouwen uitgeven sollen in maten van synes Spainrebocks vuralderen dergelycken bewilligung geworven. Aver soeliche drie kotten, als van oen Spainrebocken diese iaren uytgegeven syn, nemlich Petern Kuyck, Peteren die rademecker und Melis die wever sollen dismails gelaten werden, doch die katere dairvan [dat wass der kercken to Heide und (soll die kercke daruit gein wass hebn) die hoenre und tynss beiden fursten und hern gelijck iairlichs verrichten.
5.    Woe dan oich sulch lant als up der Maesen gelegen, die  Papielier genant, und van den nabueren to haldung der froemyssen gegeven als insgelijcken der vicariengueder und renten van sente Clais altairs so lang durch myns g.h. schultiss in sequester gelacht und gehalden bis dairtoe weder bequeme personen angestalt und die diensten dairvan, als sich geboirt, gedain ader sunst anders dairin versien werden sall.
6.    Dat van den Spainrebocken voirtmehr gein torf in die Genneper Vennen gestecken noch anderen vergunt ader uitgegeven, id werde dan dairgedain und bewijslich bijbracht, dat sie dairtoe berechtigt syn.
7.    Dat oick die schepen to Heiden van wegen myns g.h., woe van alders herbracht, syner f.g. schultiss an- und afsetten, dat gericht to iederer tijt verkundigen, alsdan oick syner f.g. schultiss van s.f.g. als derglijchen der Spainrebocken wegen die schepen beeiden, dat gericht hegen und beeleyden und weder apdyngen; und des tijtlicken heren to Heiden Spainrebocks swijgender schultiss iderntijt neffens unsers g.h. sprechenden schultiss bijzytten und dich durch syner f.g. schultiss die execution und pendung geschien soll.
8.    Die wedden und geltbroecken, oick cijsen, nielantsche und andere tienden sollen oick half und half gedeilt werden.
9.    Alsdan gliechsfals die underdanen to Heiden die ein weeke dem fursten, die andere wecke den Spanreboicken, doch nyt mehr dan einmail in iderer wecken dienen und dairoever nyt beswert werden sollen.
10.    Die canijne der wranden in Heyen gelegen sullen durch myns g.h. ader des amptmans garn und fretten gefangen und iderer tijt half by den amptman blijven und die ander helfte den Spainrebocken werden togestalt; alsdan up oere der Spainrebocken ersuecken und begeren der amptman oick frettieren sal laten.
11.    Die vyscherie in der Maesen, to Heiden gehoirich blijft oick half und half, alsdan insgelycken dat Mehr durch den eynen fur und den anderen nae mit segen up gelijcken onkosten gefischet und to iederer tijt die gefangene fysche to halven deilen under oen beiden verdeilt werden sollen.
12.    Und als tolest mysverstand und irrungen van den holtgewass der Alden und Nyen Hezen to mehrmalen entstanden, soes all dat samentlicke holtgewass, soo wal die Alde Heze als die Gemein Heze gnant beiden furstenm und heren to gelijk toestendich sijn und blijven, oick darup guede maete und ordnung gemaickt werden, wairby solich hoich- und underholtgewass nyt ferner verwuest noch verdorven, sonder wederumb in upkoemen und gedien bracht ind to irer beider nutz und besten gebruickt und erhalten werden moege, alle geferde und argelist hierinne uytgeslaten. Des in orkond synt dieser beredungs und verdragscedulen twee van gelycken inhalt geschreven und hoichberurtz myns g.h. secreitsiegel van syner f.g. wegen darup gedruckt und van wegen Arnt Spainrebocks, des einen heren to Heinden, durch oen selfs und synen brueder Johan Spanrebock underteickent, der ein to Cleve verbleven und der ander den Spainrebocken avergelevert worden. Geteickent to Cleve, up maindach den XVII Junij 1560.

Ordn. 4 Opnamenrs. 1092-1095
5 juni 1545, 9 mei 1550  -  19 okt. 1565            Kopieën vanwege Haus Heyn.  Supplicatio (nederige en ootmoedig smeekbede) der gemeinen Nachberen der Herligheit Heiden aen Ihren woledlen heren Alter Knippingh, heren zu Heijden. Dit geschiedt mede n.a.v. van voorvallen ten tijde van wijlen Arndten Spanrebroeck, heer te Heijen en de gevolgde veroordeling.


Ordn. 4 Opnamenrs. 1096-1097
1565        Brief, ondertekend door Alter Knippinck zu Heyen, aan de vorstelijke Kleefse Raad, mede wegens het overlijden van de Gennepse drost of ambtman van het Genneperhuis i.v.m. visserij in de Maas en het Heijense Mherr, de jacht en het frettieren in de Coninenwarand en het halve houtgewas in die Heess. Er is daarover geen kraeckeell meer met de Gennepenaren.

Ordn. 4 Opnamenr. 1098
Archiefomslag, ex Staatsarchief Münster, Rombergsch. Archiv (Dep.) Herrlichkeit Heyen, Akten V Nr. 6

 Ordn. 4 Opnamenrs. 1099-1100
26 maart 1621        Brief van dienaar Ebb Stickers aan de gebiedende heer van Heijen over het bakken van 100.000 gebrande en bleke stenen voor een geldsom en een ton bier met een regeling over de leem, het zand en de brandstof (kalen / heij) op de tichgell platz.

Ordn. 4 Opnamenr. 1101
29 maart 1621 / 24 april 1621        Omslagnotitie van etzige tausent steinen zu backen aan de Ziegelmeister van Heijen , vermoedelijk komend van Albertiner Neuwer en gericht aan Ebbe Stickers over geleverde stenen ter waarde van 50 gulden Clevischer wehrung. De notitie is uiteindelijk bedoeld voor Alter KInippinck, heer tot Heijen en tevens ambtman te Emmerick en Zevenaar en in die Liemers.

Ordn. 4 Opnamenrs. 1102-1103
8 mei 1647            Brief aangaande den steenoven d’welcken Aert Schenck aen Lammert Sgreven Nieuerf setten sall. Het gaat om de bouw van een tiegel ofte steenofen in de heerlijkheid Heijen, tussen Jan Bussen en Lamert Sgreven aen die Leemkuil, geschikt om 100.000 stenen te bakken in kleinere partijen, met ook stenen voor de kerk van Heijen. Als brandstof wordt beloofd geen hout uit de heerlijkheid Heijen te gebruiken. De brief is gericht aan Gisbert von Vittinghoff genannt Schell.

Ordn. 4 Opnamenrs. 1104-1105
18 aug. 1670            Brief te Gennep geschreven door Roelman van Sambeeck aan de Kleefse jurist docteur Haesenbaert inzake de gebouwde steenoven onder Heijen en de bouw van een nieuw huis, waarbij ook de heer Nijvenheim, heer zum Ham, problematisch betrokken is, waarbij woorden vallen als haet en nijt.

Ordn. 4 Opnamenrs. 1106-1109
6 maart 1671            De Heijense schatheffer Derick Robben en schepen Jan van Elsen en de Heijense kerkmeester Berndt van Elsen, allen woonachtig te Heijen en Cornelis op den Kleft te Afferden wenden zich tot de Kleefse jurist en commissaris Haessbaert i.v.m. de bouw van een geringe steenoven ter grootte van 70.000 stenen. Dit geschiedt met medeweten van richter Johan Deusing en de Gennepse burgemeester Jacob Reiniers. De brief gaat over de uhralter gewohnheit, dat daaruit kostenloos 1.000 stenen aan het Huis Heijen en 1.000 stenen aan de kerk van Heijen gegeven horen te worden. Omdat veel gebrande stenen bij de oven echter zeer veel en langdurig in de regen hebben gedaan, zijn deze stenen gantz verdorben. In de loop van de tijd zijn wel neun oder zehen grosser ofens in die herrlichkeit Heijen gebouwd geweest en zijn de stenen aan Huis en Kerk van Heijen geleverd en daarover zijn geen moeilijkheden geweest.

Ordn. 4 Opnamenrs. 1110-1118
Vanaf 8 mei 1700 tot    17 november 1700        Gespecificeerd en gedetailleerd kostenoverzicht van 230.000 geproduceerde stenen en betalingen te Heijen aan de schout.

Ordn. 4 Opnamenrs. 1119-1122
4 januari 1706        Beraamd accoordt tussen scholtis Joh. van Bergsum uit naam van vrijheer Van Diepenbrock, heer te Buldern en Heijen, en van zich zelf en Hans Michel Grunewaldt met Meister Servais Boem en Jan Smit, beijde tiggelbackers voor het maken van een oven in Heijen met een capaciteit van twee hondert dusent stehen. Een van de voorwaarden is dat Servais Boom op sijnen eijgenen kosten de stenen zal vormen en zal setten te drogen in de hagens. De leverbare stenen zullen ten minsten twee derdendeelen gebrande en een derdendeel bleecke zijn. Voor ieder duizend steen zal hij vijf schillingen Brabans gelt ende voor ieder 25.000 eene tonne bier beuren. Op tijd zal aan de oven geleverd worden de nodige hoeveelheid kolen, stroij, gerden, sand ende wissen. De heer van Heijen zal er ook voor de toegang zorgen naar de oven en deze via een baan affflacken laeten. Ook de opstartkosten komen voor rekening van de Heijense heer. Verder zal gezorgd worden voor een geleende taeffele, eenen sant back, 2 emmers, een kruijkarr, drij bennen (?) en 2 halve seepküpkes alsook het nodige hout in de vorm van schlijten, om den wint van den oven te kehren.
Er is een berekening toegevoegd.

Ordn. 4 Opnamenr. 1123
Archiefomslag, ex Staatsarchief Münster, Rombergsch. Archiv (Dep.) Herrlichkeit Heyen, Akten V Nr. 5

Ordn. 4 Opnamenrs. 1124-1125
1559 (met retro akten van 1529)        Verordening over het gebruik van het turfven (onder Gennep). Er volgt een verklaring voor Henrick van de Bungart en Melis van der Lynden, schepenen tot Gennep door Johan Spanrebock en als gevolmachtigde van jouffer  Geertruydt Spaenrebock, syner suster, die de schepenen een kopie toonden van eyner kontschap, die ook geregistreerd is inhoudende, dat destijds voor de schepenen Thonis van der Lynden en Wilhem Janssen verschenen zijn: Claijs Peters en Jan aen der Hoirst, die met hun eed getuigden, dat alsulcken Torff Venne als die Greeff (de heer van Heijen wordt hij graaf genoemd) gebruyckt nijt geweten off gehoirdt en hebn, dan den Greeff to Heyen dat tho gehoirt. Datum anno 1529.

Ordn. 4 Opnamenrs. 1126-1128
19 mei 1560         De Gennepse schepenen Rickert Ongeloiff en Sibert Lesier getuigen uyt foirderyngh Albertz van Slipenbeck, gevolmachtigd procurator van Arntz Spanrebocks, eyn heer tho Heyen, dat in het Gennepse gericht Henrick van den Bungert, Johan die Haen, Goirt aen gen Hoirst genoempt Frerix, Beel van der Lynden, weduwe Mary elige huysfrauwe Goirt Schoenmekers und Grietgen Wolffs weduwe. Zij allen hebben onder eede verklaringen  afgegeven op die fraige wes eyn ider van dess Spanrebox Venne kundich were. De eerste, die getuigt is Henrick van den Bungert, die zegt dat hij van de weduwe tho Heyen Arndt Spanrebocks moder zeliger oir huysyngh bynnen Gennep stainde etzliche jairen gehuyrt und bewoint hebbe en in diezelfde tijd de toestemming kreeg van de weduwe synen torff the stekenn op den venne ombtrynt tegen die Hoirst gelegen. Johann die Haen zegt tussen de 60 en 70 jaar oud te zijn en in 1522 eyn plack up den den Gennepschen Venne van unsen gnedigen fursten und heer (van Kleef) aan zich verkregen heeft en toen genoemd wird dess Greven Venne van Heijen.
De volgende verklaring komt van Goirt Frerix genoempt aen gen Hoirst, die daar geboren is en zegt dat die van Spanrebock tho Heijen altyt oiren torff daar gestoken hebben. De weduwe Beell, gehuwd geweest met Thonis van der Lynden, mocht reeds ten tijden van haar man tyen off twelff voir Torffs jaarlijks op den Venne steken, maar maakte daar geen gebruik van omdat hij zelf eyn erff Venne bezat.
Dan volgen verklaringen van Mary Schoenmekers en Grietgen Wolffs, beide weduwen, oud zijnde tussen de 70 en 80 jaar en hun is bekend, dat familieleden van de familie van Asselt met Spanrebock verwant zijn geraakt, namenlijk Henrick en Gerit Spanrebock en waardoor het bewuste stuk Ven is gaan heten Spanreboix Venne off dess Greven van Heyen Venne.

Ordn. 4 Opnamenr. 1129
25 januari 1560         Voor de schepenen Herman Pelen en Henrick Schamp en de gemene schepenen van Heijen verschijnen, op verzoek van Arnt Spanrebock, eyn heer tho Heijen, in de schepenbank Roloff Vermaisen, Segeer Beltgens en Gerit Lauwertz. Zij zijn ook schepen in Heijen. Zij leggen individueel een verklaring af over de turf voor Heijen uit het Genneper Venne. Roloff zegt langer dan 50 jaar myt den perden de turf gevaren te hebben uit dess Greven Ven van Heijen bij het Genneper ven in de turfschuur der Spanrebocks te Heijen. Een uitzondering hierop kwam door het verbod van Otto van Wachtendonck, drost in Gennep in het jaar 1557. Die heeft in der kerckenn doen verkondigen, dat nymant op Spanrebocks voirgenoemde Venne varen solde op verboir (verbeuren, in beslagname) und verloss oirs wagens und perden.
De verklaring van Geryt Lauwertz, die 44 of 45 jaar geleden in Heijen is komen wonen en altijd gehoord heeft dat dat selver venne van den Spanrebock vurscreven und syner alders gebruyckt wairt, uitgenomen de tijd van Otto van Wachtendonck. De kontschap van Seger Beltgens , die 37,5 jaar in Heijen woont, zegt dat hij elk jaar des Spanrebocks Troff op genneper venne ther plaitzen geheten Spanrebocks off des Greven Venne heeft helpen halen en vervoeren en nimmer van eynnich verbot off bestoirynghe gehoord te hebben. Johan Hermans zegt tenslotte dat hij over de vijftig jaar in Heijen woont en ook zeven jaar gediend heeft bij Henrick Spanrebock zaliger, Arndth vaider en noch van hem noch van diens vrouw ooit gehoord heeft van enig verbod op het ven.

Ordn. 4 Opnamenr. 1130
Juli 1537, op dynxdaich nha synte Margareta daich.         Voor de gemene schepenen van Gennep en de geseten Richter verschijnen Derich Eibben und Johan Bousman, als wesende ongeverlich tuyssen soeventich und taichtentich jaren. Op verzoek van de priester Henrick Spanrebock en vanwege en tot behoeve van de eirbarer joiffer Arndt nagelaten weduwe van Henrick Spanrebock, eyn heer tho Heyen getuigen de opgeroepen personen, dat een lange tyt heerwartz to Heyen gewoent und verkeyrt und hebn den vurscreven Henrick Spanrebock, woe oick synen vader geheiten Henrick Spanrebock und mi die vurscreven weduwe nagelaten und oer kynderen, die gediend te hebben und oren Torff up Genper Venne hebn helpen byfueren en daarbij nooit beboet zijn, daar het oir eygen ven wesen solde.
Ook zijn, blijkens deze akte, in 1529 Johan Dericks und selige Clays Peters voor een bekentenis opgeroepen voor de schepen Wilhem Johanssen zn en Thonis van der Lynden.

Ordn. 4 Opnamenrs. 1131-1132
Circa 1570.            Kopie supplicatie of verzoekschrift aan de hertog te Kleef belangende des fennes, afkomstig van en ondertekend door Arndt Spanrebock, myt heer te Heijen. Arndt beklaagt zich bij in Kleef dat oever voyll langhwilige jaren, krachtens ook een bezegelde brief van de stad Gennep, fredlich en onbelemmerd eyn plack vennes op Genper Venne gelegen inm gebuik heeft gehad om er te turven. Hij zegt daarbij zelf geenen brandt by mye selbs haiff te hebben en alleen tegen grote kosten elders moet proberen turf te krijgen. Hij hoopt door dit verzoek weer in het gebruik van zijn oude rechten te worden hersteld.

Ordn. 4 Opnamenr. 1133
Archiefomslag, ex Staatsarchief Münster, Rombergsch. Archiv (Dep.), Herrlichkeit Heyen, Akten V Nr. 4

Ordn. 4 Opnamenrs. 1134-1135
5 juni 1726.            Brief aan de Koninklijke Pruisische Kriegs- und Domainen Kammer van de Jurisdictions Richter van de heerlijkheid Heijen ten tijde van Freyherr von Diepenbrock zu Buldern und zu Heijen over de ligging van een eventuele nieuwe molen onder Heijen.

Ordn. 4 Opnamenrs. 1136-1137
16 febr. 1745.            Brief aan de ingezetenen van het Ambt Gennep und Uffelt en Richtern zu Gennep, Uffelt, Ottersum, Nergena, Heyen, Kessel und Hommersum, komend van de Pruisische Koning Friedrich in de persoon van N. van Raesfeld, i.v.m. ruzies en de molendwangplicht op de molens te Gennep, de tol en de gerepareerde Gennepsche Mühle.

Ordn. 4 Opnamenr. 1138
Archiefomslag, ex Staatsarchief Münster, Rombergsch. Archiv (Dep.), Herrlichkeit Heyen, Akten V Nr. 3

Ordn. 4 Opnamenr. 1139
17 maart 1542.            Brief van Goert van Haen en Roloff Vermaisen en de gemene schepen van Gennep, op verzoek van Aert Spanrebock, eyn heer tot Heyen. In de Gennepse schepenbank zijn verschenen: Wolter Vermaisen en Jacob Vermaisen om er een verklaring af te leggen van der vijsserrye dess Mers (meer bij het Huis Heijen) by synen huys gelegen. Zo verklaart Wolter dat hem nog goed indechtich und kundich is en duckmaill hefft hoeren seiggen wie dat Elbert van Alpen ther tyt drost tot Genp, durch twyst und onwyll herkommende, in zijn drosttenue met een speciale brief over de visserij, die de heer van Heijen niet in ontvangst wilde nemen, want daarmee werd hem de visserij voor de helft afgenomen.
De verklaring van Jacop zegt dat hij zijn vader – die lenghe tyt dess Greiffen (de graaf van Heijen) vyscher gewest is – ook dikwijls dit heeft horen zeggen en hem zelfs geholpen heeft met dit vissen.

Ordn. 4 Opnamenr. 1140
13 april 1542.        De schepenen van Beugen worden i.v.m. de Heijense rechten gevorderd een verklaring hierover af te leggen. Derhalve is in hun schepenbank Derck Hebbelen, oud ongeveer 75 jaar en nog bij goeden verstant een getuigenis door hem afgelegd voor de richter myt opgerichte vingenren ende aen den heiligen gehalden, zoals dat beteempt nae onser bancken int lantrecht. Derck zijn vader heeft wel meer dan honderd keer vroeger gezegd in de tijd dat hij lange jaeren visser had geweest tot Genep op ten huijs (Genneperhuis) en Derck zelf daar geboren is, dat Henrick Spaenrebock Arnts alde vader, die visserij die Meer g(e)nant tot Heyden by den huijs alleen gevist heeft ind vyngen sij enen breessem, die een hant breet weer off ander vleyn vis, die liet hij weeder in den water werpen, dat sy meerder solde weerden. Daernae heeft Elbert van Alpen aan den Greef van Heijen, Henrick Spaenrebock voirscreven een cledynge gesant, dair Henrick Speanrebock voirscr. op geantwoirt heeft: Ick en begeer synder cledingen nyet. Ick heb selver doeck om mij te cleeden, ind om der oirsaicken hed Elbert voirscr. als een gewalt swij man, Henrick Spanrebock voirsc.r die visserij halff affgenoemen, und als Elbert voirscr. dair nae heeft doen vissen, gynck Henrick Spaenrebock voirscr. ewech en mocht des nijet syen.

Ordn. 4 Opnamenr. 1141
1542, dynstaichs na Paeschen        Voor de Heijense schepenen, met namen Gairt van Haen en Arnt van Haeselt komt, op verzoek van de heer van Heijen, Wilhemken Boytkens in de schepenbank. Hij zegt dat hij zijn oom Derck Visser, ook genoemd die lange poerter ind visser te Genp op ten huys (=Genneperhuis), vaak heeft horen zeggen, dat die helfft der visseryen van der Meer, den Greef genoemen weer, by tyt Elbert van Alphen, drost tot Genp … ende dat om eenre cledijnge wyl end dat hijse den Greef wael gevist hedt, ther beeden, dat die visch nijet gedeylt en worden.

Ordn. 4 Opnamenrs. 1142-1147
1606        Onderzoek d.m.v. ondervraging van vijf getuigen over de visserij in het Meer bij het huis of kasteel van Heijen in de tijd van en op verzoek van Alter Knippinck, heer te Heijen, door de schepenen (o.a. Derrick van Wijlick) en voor de scholtis of schout Johan van Baix van de stad Gennep. In eigen persoon verschijnen daartoe de getuigen: Jacob Nij(e)rsman, Henrich Lauwers, Jacob Haevens (?), Herman van Kueck en Gaerdt van Hoekelom. Door de eed op het heilich Evangelium zullen zij de Interrogatoria of gestelde vragen eerlijk beantwoorden.
Deze luiden of hij, Jacob Nijersman, ongeveer dertig jaar geleden op het Gennerperhuis is komen wonen en de Gennepse drosten heeft geholpen bij het vissen in het Heijense Meer bij het kasteel en of er uitzonderingen zijn gemaakt bij hoogwater, de Maas in het Meer stroomde en toen de drost en de heer van Heijen samen er gevist hebben en de vangst samen gedeeld. Kon de heer van Heijen bij gewone waterstand ongestraft in het Heijense Meer alleen vissen? Of de vader van zijn huisvrouw, Johan die Fischer zaliger, de visserij in het Heijense Meer gepacht heeft gehad? Hoe was dat geregeld in de tijd van de Gennepse drost Van Hoentzeler.
** Jacob antwoordt, dat  hij circa derig jaar geleden in het Genneperhuis is komen wonen en dat twee in het jaar, in het voor- en in het najaar in het Heijense Meer gevist is, maar dat dat de laatste tien jaar niet meer het geval is. Ook heeft hij onder drost v. Boetzelar gediend.
Voorst moeten Henrich Lauwers, Jacob Haevens en Herman van Kuuck en Gaerdt van Heukelom hun leeftijd opgeven en persoonlijk opgeven hoe de visserijrechten in den Heyense Meer tussen de Kleefse vorst (via de drost van Gennep) en de heer van het Huis Heijen in de praktijk uitpakten en hoe de gang van zaken was bij hoogwater.
** Henrich Lauwers zegt over de zeventig jaren te zijn en ten tijden van het aflopende hoogwater samen met de drost van Gennep en de Heijense heer geholpen te hebben bij het vissen aldaar en de opbrengst van die visch gedeilt. Daarna viste de visser van de heer van Heijen er gewoonlijk alleen.
** Jacob Hermans, circa vijftig jaar oud, verklaart ook dat bij hoogwater de drost en de Heijsen heer samen in het Heijense Meer gevist hebben en de vangst deelden.
** Herman van Kueck zegt ongeveer 42 of 43 jaar oud te zijn en bevestigt de uitspraken van zijn voorganger.
** Tenslotte komt Gaerdt van Hoekeloem, ongeveer 50 jaar oud, die het samen vissen van de drost en de heer bevestigd maar daar aan toevoegd, dat dat de laatste tien jaar niet meer is voorgekomen.

Ordn. 4 Opnamenrs. 1148-1149
4 november 1645    Verpfachtung von das Mehr. Pachtbrief  tussen de hofmeester van het kasteel te Boxmeer hern Johan Stieggers (?) en vrouwe Agnes Margaretha von Vittinghof genant Schel, geboren van Bonen, mefrow van Heyden, vanwege de verpachting van de visserij in het Heyense Meer    mede in verband met de bijzonder grote vangsten (met treknetten?) bij aflopend hoogwater en de verdeling van de opbrengst tot de normale pegelstand bereikt is met de hofmeester en de pachtbetaling van 12 Rijksdaalder.
        
Ordn. 4 Opnamenr. 1150
Archiefomslag, ex Staatsarchief Münster, Rombergsch. Archiv (Dep.), Haus Heyen, Akten 1.
    
Ordn. 4 Opnamenrs. 1151-1154
5 oktober 1610        Alter Knippingh, heer te Heyden, Obrist-Lieutenant und Hauptman over een groep soldaten, ein Fahlein, van 125 soldaten. Op verzoek van de Clevische Stende, de Kleefse regering, zijn zur Landts Defension gedurende ruim twee maanden tijd 125 soldaten geworven ohne Erstattung der angekaufften wehr und waffen, kraut, lonten unnd loth, wie auch lauff und taggelt. Daarvan moet de bewezen door soldaten veroorzaakte schaden in mindering gebracht worden. De vergoeding is 1192 daalder per maand en beloopt over de ruim twee maanden 2950 daalder en 15 stuiver. De afrekening wordt gemaakt met de Kleefse commissarissen.
De specificatie, opgesteld door Mercator, geeft de uitbetaalde contibuties aan en de ontvangsten van de steden Goch, Gennep en de betaalde geweren door de stad Nijmegen. Verder betalingen door onder meer jonker van Schewick bij de drost Eickelen, door de drost van Wittenhorst, de heer Boitzelers te Calcar, e.a.. in 1611 voor geleverd pulver, betalingen te Duisburg, Düsseldorf, Orsoy, aan des Jegermesiters dochter e.d.

Ordn. 4 Opnamenrs. 1155-1156
26 april 1621        Kopiebrief aan de Kleefs Churfürstl. Brandenburgische geheimbtte undt zur Ambtts Cammer over opgelegde aflossom van een pandbrief en renten met bezwaar en beklag van de Heijense heer.

Ordn. 4 Opnamenr. 1157
Kleef, 26 april 1621        Antwoord van Adolph Steinigen van de Brandenburgse regering in Kleef aan Alter Knippinck van Heijen en tevens ambtman in de Liemers over de Steinswerdischen Pfandt verschreibungh om tot een vergelijk te komen.

Ordn. 4 Opnamenr. 1158
Kleef, 26 april 1621.        Brief over de Steinswerdischen Pfandt verschreibungh en oproep tot verschijnen i.v.m. lospenningen, pandbrief  en kwitanties. Tevens de klacht dat het onderpand van de weerd in de Rijnstroom praktisch verdwenen is en ander onderpand te stellen is.

Ordn. 4 Opnamenrs. 1159-1162
9 januari 1622        Schrijven aan de Brandenburgse regering in Kleef van de onderdanige heer van Heijen, Alter Knippingh inzake inkwartiering van soldaten vanwege des immer werrenden niederlandischen Kriegs aangerichte schaden, duizende Reichs daller, toevlucht in kasteel Heijen en andere gebouwen in Heijen en omgeving, grote afbreuk aan eigen bezit, bedreigde en arme onderdanen van Heijen, trouwe dienst ook aan de voorgaande hertogen van Kleef, e.d.

Ordn. 4 Opnamenrs. 1163-1165
3 mei en 27 juli 1622        Brief van Alter Knippingh zu Heijen aan de keurvorst in Kleef in verband met o.m. tractement, inkomen, e.d..

Ordn. 4 Opnamenr. 1166
22 november 1621 / 27 juli 1622        Kopie van een omslag betreffende een onderdanig verzoekschrift van Alter Knippinck van Heijen bij de waardin im Engeli en Kleef en bij de waardin in den blawen Druve te Wezel vanwege notities van verteringskosten
    
Ordn. 4 Opnamenr. 1167
9 januari 1622            Kopie van een omslag van een verzoekschrift van Alter Knippingh zu Heyen om compensatie van gemaakte kosten voor trouwe vaderlandsdienst,  van dem Vatterland erzeigte trewe Dienste, en daaruit gevolgde grote schaden.

Ordn. 4 Opnamenrs. 1168-1170
1702 en 16 febr. 1703.        Ingevuld voorbedrukt formulier van geleden schaden in de tijd van de heer van Diepenbrock van Heijen door de legering van en het doortrekken van Franse troepen in het ambt Gennep, met name in de heerlijkheid Heijen, Kessel en Mook met afgebroken of verwoeste huizen, gestolen vee, meubels en baar geld, koren, brandschatting en uitgaven van betaalde sauve-guardes, houtgewas, verloren hooi en gras.
De schaden van de predikant van Gennep heeft hij in die van de stad opgegeven en de pastoor van Heijen in die van de heerlijkheid Heijen. De totale schade beloopt ongeveer 40.000 Reichsthaler.

Ordn. 4 Opnamenr. 1171
Archiefomslag, ex Staatsarchief Münster, Rombergsch. Archiv (Dep.), Haus Heyen, Karton 12.
       
Ordn. 4 Opnamenr. 1172
10 mei 1667            Uitgedeelte boeten, na verhoor vastgelegd te Heijen, wegens allerlei overtredingen, zoals oproerige uitlatingen, gewelddadigheden, scheldwoorden, vechtpartij of schlagereij mit den alten Custer, slaan en messentrekken.

Ordn. 4 Opnamenrs. 1173-1175
1669, 1670            Boeten te Heijen wegens het mestrekken op 31 mrt. 1669 van Merten Kusters op Handrijck Harkens; einde april 1669 heeft Marten Kousters de vrouw Lijesken van Seijmmens op haar borst geslagen; op de 16e mei 1696  heeft Martten Kusters een kind van Goussens ijnde Vran een brandwonde toegebracht; op 6 augustus 1696 zijn Tijs Ebben met Jan met den schop gaan vechten; einde aug. 1670 heeft Marten Kusters gevochten met Coejen Handdrijcke en is met een mes in de duim gestoken; op 2 september 1670 heeft Marten Kusters weer met een mes gestoken op de knecht van de heer van Heijen, zijnde Houbbert Weijllems; in juli 1670 vechten Andrijs Robben en onsen Weijllem en er wordt een mes getrokken; Derck Robben heeft knecht Frans van de heer van Heijen uitgescholden voor een per(d)sdijef en koedief; op 3 okt. 1670 liep Marten Kusters weer een boete op, nu voor de huid vol schelden van een vrouw; e.d.. Marten Kusters wordt o.m. een zeer hoge boete van vijf goud gulden opgelegd.

Ordn. 4 Opnamenr. 1176
18 augustus 1671    Voor de Heijense schepenen Cens (?) Bossen en Jan van Lottum is verschenen Joannes Cappelair, chirurgijn op het fort Gennep. Hij verklaart dat in de heerlijkheid Heijen een gewonde, een gequetst liggende persoon Hendrick van Weese aangetroffen is en op dit moment is den selven gequetsten buyten peryckel van sterven. De chirurgijn heeft de gewonde nu vijftien dagen bijgestaan.

Ordn. 4 Opnamenr. 1177
8 augustus 1671    Voor twee schepenen Derck Ebben en Jan Hendrickx van de vrijheerlickheyt Heijen geeft Hendrick van Weess een verklaring af dat hij van Gennep kwam en toen is Marten Custers bij Hendrick van Weess gekomen, vergezeld van kar en paard. Hem werd gevraagd of hij mee wilde varen en Hendrick antwoordde dat hij zich liever varen liet als gaen. Hij ging mee tot bij de Heess en onderweg is gesproken over die glaser welcke staen in joffrou Wijlickx huijs, als dat hij die betaelt soude hebben. Daerop heeft Marten Custers, Hendrick van Weess toegesprochen en geseijt dat light (liegt) ghij als een schelm. Daarop is Hendrick van de kar gesprongen, met een houweel achterna gezeten door Marten en daarop is Hendrick op het hoofd geslagen door de hoed heen en ter aerde geslagen. Vervolgens heeft Marten zijn zoon Jan het bevel gegeven er zo snel mogelijk vandoor te gaan door te roepen gaet jaegen, gaet jaegen.

Ordn. 4 Opnamenrs. 1178-1179
14 september 1677     Financieel overzichtje in een Heijens protocoll van boeten en betalingen b.v. aan de vicaris Bosch wegens de vicarie S. Nicolaas te Heijen met korte gegevens over de reis van Docter Haesbaert, de aanstelling van twee nieuwe schepenen, de monniken van St. Agatha genoemd den mungen zu S. Agten, i.v.m. het plaatsen van bijenkorven, het jagen met de heer graff von Buxmer.

Ordn. 4 Opnamenrs. 1180-1185
1730-1735     Opgelegde boeten in de tijd van Van Diepenbrock, heer te Heijen, wegens o.m. het foutief drijven van schapen, het maaien van klaver op een boetedag, het slaan van een dienstmaagd, het steken en weghalen van bloemen, plaggen halen op een zondag, heimelijk plaggen steken.

Ordn. 4 Opnamenrs. 1186-1188
18 maart 1719                 Mandatum, lastgeving en opdracht van Heijense ingezetenen wegens grooten mangel en gebreck aen Bouland …. en daer tegens grooten overvloet van Heijde land. Deze heide kan met alderminste schade voor bouwland ingezet worden als hoognoodigen en nuttelijcken wercks aldus dit schrijven van de ingezetenen Jacob Ter Vooren, de schepenen Berndt Bosmans, Derck Bouman, Peter Bouman, Derck Claessen, Kerst Busmans, Henrick Bossen, Jan Daemen aan zijne majesteit, de Pruisische koning, gericht. Dan volgen de eigen handmerken van deze ondertekenaars, omdat het meerendeel het schrijven niet machtig is en geen handtekening kunnen plaatsen.

Ordn. 4 Opnamenrs. 1189-1193
1691 en 10 maart 1692.        Gedetailleerde overzicht door de Heijense gerichtsbode en schepenen voor te betalen boeten, de opbrengst over te dragen aan de heer van Heijen, vanaf 4 maart 1691 wegens het aantreffen van vier met naam genoemde herders met schapen op den Hees, een scheld- en vechtpartij (door de Scholtis beboet), kapot getrokken kleding, het hooien op een zondag, het neerslaan en aanhitsen van honden, het drijven van schapen op land waar de tienden nog niet afgehaald zijn, het niet werken aan de oeverbeveiliging van de Maas, het doen van huiszoeking bij Marten Custers, verstopt gestolen hout, het tot bloedens slaan op een voorhoofd, ook slaan tijdens het drijven van vee, e.d..

Ordn. 4 Opnamenrs. 1194-1197
Circa 1665.            Inkomplete dus fragment ondervraging voor de Heijense schepenen Tijes Ebben en Jan van Lottum, waar ook voor de onsenen Scholteis Joan Deusingh een aantal lieden gedaagd zijn, zoals Jenneken Janssen, Teuws Janssen, Hendrick Bonenbergh.   
De vragen gaan over: de ouderdom der getuigen, welke meubelen en huisraad uit een huis gehaald zijn, waar verstopt en wat voor soort meubelen het waren? Of ook huisgenoten en kinderen geholpen hebben bij het wegdragen der meubelen? Of Derick Robben, “na gedaener nederlage“ van N. Raesfeldt, niet meer in zijn huis gekomen is? Of Derick Robben met andere gemeenschap heeft aan de meubelen, als ook in de Duffelt? Hoeveel hoornbeesten van koeien en ossen heeft hij in Heijen en in de Duffelt? Waar deze beesten in de nacht van de overval naar toe gedreven zijn? Hoeveel schapen hebben zij beiden voor dese nederlage in gemeenschap in Heijen en in de Duffelt en in welke schapskoij? Waar houden de beesten zich momenteel op? Of voor het voorval zij nog onderling discussies over beestenverkoop gehad hebben? Wanneer hebben zij den weerd van zijn Excellentie onder Beugen gepacht? Off niet waer, datt als Derick Robben de nederlage gedaen hadde, eijnige meubelen van Derick Robben huis gesinde aen offte voor deponents hujs zijn gebroeken? Wat soort meubelen zijn het geweest en waar verblijven ze?
Jenneken Jans zegt ongeveer 24 of 25 jaar te zijn. Ze hadden twee bedden der eener in des Custers huijs gebracht en het ander voor die doore nedergelaicht, oock een kleermandt mit eijnigh goet, maer niet wetent wat voor guider, die die op den tuijn van den Bongart nedergesat, maer waer dieselve gebleven, wiste die niet.Verder waren spullen met zijn allen naar Afferden gebracht, maar waar de meubels waren oindergebracht, bleef onbekend. Er wordt bekend dat het gaat om 63 koijbeesten ende stieren, die in Heijense weilanden alsop de Meersche weerth gaen. In de Duffelt hadden zij onder huer beijden tezamen 80 schapen en in Heijen 20 tot 25 stuks. Er waren bovendien 75 schapen in Wanssum gekocht en nog niet volledig betaald waren.

Ordn. 5 Opnamenr. 0000
Digitale bron C 1 - 3
Archiefomslag, ex Staatsarchief Münster, Rombergsch. Archiv (Dep.), Haus Heyen, Karton – Akten 23.

Ordn. 5 Opnamenr. 0001
Archiefomslag, ex Staatsarchief Münster, Rombergsch. Archiv (Dep.), Herrlichkeit Heyen,  Akten V, nr. 11 B
           
Ordn. 5 Opnamenrs. 0002-0005
12 april 1655         Inventarium aller ahn Hause Heijen befintlicher Mobilien staande op de zolder in     A) een grote kisten met lampet, tinnen kandelaars, koperen luchters, pannen en potten, enz.
        B) in een klein kistje met linnengoed, bedlakens, handdoeken, gordijnen, enz.
        C) koper en tinnengoed op de zolder en de balken
        D) grote koffers met allerlei inhoud aan pannen, tangen, lepels, deksels, sabel, verder een gevlochten stoel, wijnglazen, kannen enz. , enz.

Ordn. 5 Opnamenrs. 0006-0008
Mei 1703          Opgave en rekening van hetgeen opt huijs Heijen aan glasreparaties door Glasmaker Jan Zeller te Gennep in opdracht van zijn vader is verricht van nieuwe glase in de keuken en kamer, verwerkt lood, herstelwerk boven de Sael Camer, in en boven `t Kinder kamerken, in de staeff  (stoof) en in de kelder, op de Poort Camer. De rekening gaat naar Hans Michell Gronewalt, de beheerder van de Heijense en Bulderse heer Van Diepenbrock. De rekening van 31 gulden wordt 3 november betaald en voor ontvangst getekend door Mechtildis Zeller, par ordre mon père.

Ordn. 5 Opnamenr. 0009
Archiefomslag, ex Staatsarchief Münster, Rombergsch. Archiv (Dep.), Herrlichkeit Heyen,  Akten V, nr. 12 A
     
Ordn. 5 Opnamenr. 0010
3 mei 1522         Brief, mede ondertekend door de Heijense pastoor Alard Michiels, en geschreven door jofferen Elisabeth Spaenrebock, weduwe van Eijckel, frouwe tot Heijen met de gemene schepenen en naburen tot Heijen inzake de gunning van het kosterschap van Heijen aan Ruth van Veltum  (elders genoemd Ruth Custer)  en dit met instemming van bovengenoemde pastoor, dat hij levenslang, eerbaar en dienstbaarlich sal bedienen als koster en er tevens schoolmeester zijn en oock die kinderen in goeder disciplinen und Gades vrucht underhalden en daarop toezien. De inwoners zullen hem daarvoor belonen en o.m.  broden geven.

Ordn. 5 Opnamenrs. 0011-0012
22 november 1577         Ondertekende brief door Jan Mijchiels, Henryck Spanrebock, coster in der tyt tot Heyen inhoudende en ist o weten woe dat die Ehrentfeste duegendtricke Joffe Ganlant van Mevardt, frow tho Heyen und naegelatene weduwe Arnt Spaenrebockz zaliger gedechteniss mit vurweten und believen oerer tweer dochteren pachtz gewiess to gebruicken ingedaen hefft Henrick Spaenrebockz Custer thi Heyen und Johan Michiels vyr jarlanck, sonder eenige opsegginghe vast stedigh wehrrende, oere drie weykemppen, geheyten die Wittestein. De herverpachting voor vier jaar gaat in 1578 in voor zes daler per jaar.

Ordn. 5 Opnamenrs. 0014-0015
22 maart 1635         Onder de Heijense getuige en pastoor Marcellus Busselius Astensis (uit Asten) verklaren Peter Vermasen, Arndt Verhasselt, lambert Schreren, Roeleph Ridders, Henrick Haess, Mathijs Damen, Johann van Langhen als schepenen te Heijen en de kerkmeesters Wilhelm Lamberts en Hanrick Haess over de prestaties van de Heijense koster Adolph Rutgeri Veltum, die de school en de kosterij van de parochiekerk te Heijen bedient. Hij mag in die getimmerde schoel op den Kerckhoff, die wij van der Kercken renthen ende seeckere mithulp hebben laten bouwen en als vergoeding en tot zijn onderhoud krijgt hij jaarlijks daar voor vijff malder roggen, ein schepell.

Ordn. 5 Opnamenrs. 0016-0019
Kerstmis 1658 tot Pasen 1663        Extract uijt meester Aerdt ten Haeff zijn aenreickeningh voort den tyt als hij Cöster tot Heijen is geweest. Het betreft kosterschap vergoeding in de vorm van geleverde broden door inwoners zoals Willem lamers genaemt Vermaesen,Willem Ebben, Alardt Peters, Gerit Alarts, Derick Ebben, Derick Robben, Andrijs Robben, Frans Fouck, Hans Tegeler, Aerdt ingen Nielen, Cens Bossen, Jan Wolters, Jan Dinnesen, Jan van Elsen, Liesbet Thönesen weduwe Roderen, Willem Horstman, Marten Thönesen genannt Cösters, Peter Kerstjens, Thomas Janssen, Jan de Hardt, Vincents Boffen, Herman Thönessen genannt Ruiter, Jacop Ross, Willem Scheiff, Peter Kerstjens, Willem Henricks, Jan Ebben, Jacob Cösters gewesene köster, Berndt van Elsen, Hendrick Dericks Lodder, Willem Ridders, Berndt Bosmans, Jacob Witfelts, Derick Bouwmans, Jan van Langen oft Bossen, Lamert Schreven, Henrick Hanssen, Thijs Peters, Jan op den Suijckerberg, Peter Hacken, Herman Janssen, Claes de Vilder, Lambert Janssen van Asten, Hendrick Arts, Jan van Helden, Jan Gietmans, Jan den Wildenboer, Jan Leeuw, Thijs Janssen, Bastiaen in de Heij, Thijs Heckselsnijder, Geurt Micchels, Jan op den Kamp in de Heij, Jan Gerardts over het broeck, Jan Gerarts, Jan Bantz den dooven pauper en tenslotte joffrouw Wijlack. 

Ordn. 5 Opnamenr. 0020
Blnco opname.   

Ordn. 5 Opnamenrs. 0021-0022
15 april 1659                Ten tijde van Cornelis Vermeulen, pastor tot Heijen, en de schepenen ende nabueren der heerlickheijdt Heijen hebben deze Arnold the Haeff tot haeren schoelmeester aenghenomen haeren jetzigen Küster …….. om deselve schole te regeeren ende de kijnders te leeren. Bovendien zal hij alle Sondaghen ontrent twee oft drie uhren de kunders onderwijsen.  De onderwijzer zal daar voor de renthen ende inkomsten trecken, die hiervoor staan. In geval de Vrouwe van Heijen de twaelff Rijsdalers niet gheeftt aan Arnoldus, zal de betaling geschieden door de schepenen en nabuiren op de feestdag van S. Martin (11 november). Dit jaar 1659 zal de meester niet de twaalf Rijksdalers genieten, maar de pachtpenningen van den vierden (tiend)Block naest den Papelier. Den aenvanck der school is geschiedt den twaalftten Januarij 1659.

Ordn. 5 Opnamenrs. 0023-0033
14 febr. 1664        Onderdanig tegenbericht bij bijlagen, gemerkt A,B,C en D    contra Arndten ten Haeff, Custer ende Schooldiener tot Heijen, aangeleverd bij Martinus Haesbaert te Kleef.
De eerste brief is gericht aan de Vrouwe van Heijen aangaande klachten en onverstand van Arnold ten Haeff, na consulatie van de procurator van de Gaesdonck. Er is sprake van stoten, steecken, mishandeling van leerlingen, waar Godt in den hemel weet in ‘t minste geen oorsaeck tot en hebben gegeven  ……. het vinden in de herberge ….. bedrogen ende belogen soude hebben ….. verder de aanklacht wegens hett leeren der reformeerde boecken terwijl er in de Gantsche Gemeente geen refomeerden en sijn die kinderen ter school sturen en men oock geen onderscheijt der religie speuren kan. Ook zou de schoolmeester kinderen reformeerde boecken geweijgert hebben om daaruit te leren, welke de moeder haar kinderen had meegegeven. De onderwijzer zegt zulx niet te hebben gedaen sonder voorweten van haren man, welcken Catholish is. De schoolmeester wordt ook beschuldigd dat hij bij de kinders soude geroockt off gesmoockt hebben. Dat kann echter niet waar zijn, omdat de onderwijzer van Toebax geenenn Lieffhebber is. Ook dat hij biert en brandewijn zou tappen is onwaar. De onderwijzer verzoekt de Vrouwe van Heijen om eerherstel.

Ordn. 5 Opnamenrs. 0034-0037
1664        Verslag of Memorial en verzoek van Arnold ten Haeff hoe schrickelick en ellendich Jan van Lottum, schepen tot Heijen, met sijnen soon Zijbert mij op 9 oktober 1664 in den duijster nacht op `s Heerestraeten hebben naegeloopen, nedergeworpen, geslagen en gesteecken … te bedde moste blyven …. in 17 off 18 dagen sonder hulpe, niet koste eeten noch kleeden ende ontrent 3 maenden moste gaen, item den gantschen winter met de gewonde handt niet bloot connen wesen.  Hij had daardoor niets kunnen doen    en ook geen meesterloon gekregen.

Ordn. 5 Opnamenrs. 0038-0039
13 januari 1664        Verklaring van de chirurgijn Cornelis van der Poel dat de koster van Heijen, Aerdt ten Haeff, bij hem gekomen is met een steekwond in zijn hand tussen de zenuw en de botten, seer periculeus, zodat daar een lamme hand uit kan voortkomen. Voor de medische behandeling had Aerdt hem ses gulden hollands betaald.

Ordn. 5 Opnamenrs. 0040-0041
9 mei 1670            Kopiebericht als dat den Heere van Blienbeck als praetenderende te hebben de collatie (benoemingsrecht) van den Custerije tot Heijen en dat Jacob Custers van der Horst al gedurende de tijd van 6 jaar dit beroep in Heijen uitoefent tot tevredenheid. De schepenen en naburen bevestigen dat met hun handtekening of handmerk.

Ordn. 5 Opnamenrs. 0042-0043
3 mei 1582            De gemene schepenen en naburen van Hweijen en vrouwe Elisabeth Spanrebock, weduwe van Eickel, bekennen unsere kustereij tho Heijen levenslang gegund te hebben aan Ruth van Veltum en dat met instemming van hun pastoor Alard Michels. Ook heeft Ruth de plaatselijke school te bedienen waar enige kindern, knechtjens ende mechtjens naar toe gaan om te leren en in goeder disciplinen und Gades vrucht worden groot gebracht tegen beloning van de gebruikelijke broden en andere toevallen.
Het origineel van deze brief berust bij Henrick Bonenberg, rector tot Kleef.

Ordn. 5 Opnamenrs. 0043-0044
15 juni 1685            Met het opgedrukte Gennepse Stadt Siegel bevestigen burgermeister, scheffen und raht der Stadt Gennep dat juridische discussie gaande is tussen Berthina Elisabeth van Vittinghoff genannt Schell Gerichtsfrawlein der herligkeit Heijen contra Arnoldus ten Haeff, custos beij der parochial kirche alhie zu Gennep, de echtheid van zekere brieven.

Ordn. 5 Opnamenr. 0045
Rond 1700         Brief van Johan Lensens, custer in Heijen,    aan de richter (te Kleef?) waarin gesteld dat hij aangesteld is door de vrijheer van Bulderen en Heijen en voor getrouwe dienst ook een getrouw loon hoort. Hij stelt dat de gewezen koster en schoolmeester Arnolt ten Haeff jaarlijks genoot op Pasen en Kerstmis tien pond brood, zoals alle kosters genieten te Otersum, Hommersum, Kessel, Mook.

Ordn. 5 Opnamenrs. 0046-0049
Gennep, 19 september 1705         Rente-overzichtlijst van Renten soo tot die Custerie tot Heijden gehoren kaern pacht (korenpacht). Daarin geeft Willem Scheif(t) uit zijn huis en hoft een malder gerst. Als pacht-onderpand gold hiervoor een land in den Hoppenkamp, maar deze pacht is later in een slechter onderpand omgezet van ongeveer een morgen licht land achter den Sprinkheuvel aen die heijde.Iten heeft den Custer uit ider huisstede 20 pont broots te weten 10 pont op Kersfeest en 10 op Paesfeet. Tot onderpand hiervoor geldt:
Een slegt weitien genaemt des Custers hoef neffens den leijgraeft en neffens die heijde, een eind ligt naest Heijen op Poelmans hoeff. Aldus worden verschillende weide- en bouwlanden genoemd die tot onderpand dienden op den Laxen wech, het Sparenbroek, in den Masenhoeck, ´t Pastorien erft
Voorts volgt de opsomming van de renten der schoole tot Heijden, welck op den Kerckhof wt der kerken middelen gebouwt ende getimmert is van de tijtlijke kerkmeester. Die renten syn gelegen  in een nieuw erf, een nieuwe boerderij, tussen Heijden en Hommersum gelegen en brengt jaarlijks 3 vat rogge op. Hiervan heeft de heer van Heijen (tiend)blocken van 1,5 amlder rogge, de rentmeester Eb Stickers één block ter waarde van 3 vat rogge, Hendrick Custers kynder 1 malder en 1 vat rogge, den wildschut 3 vat rogge en Lamert Schreven idem. Voor wordt gezorgd voor de armen van Heijen.
Opgemaakt door onderschreven Arnoldus ten Haeff, gewesene Custer in Heijen van meester Johan Lijnsens, tegenwoordich Custer aldaer, die verzocht ist e berichten hoe het precies geregeld was met het Paesbroot ende het Kersbroot.Soo heb ick hem sulkx niet konnen weijgeren, waerom ick mits desen Attestive, da tick ten tyte van mijne school en custerij bedienung voor de jaren 1658, 1659, 1660, 1661, 1662, 1663, 1664 en 1665 aldaer het Paesch ende het Kersbroot heb ontvangen.

Ordn. 5 Opnamenrs. 0050-1053
1658-1663        Extract uit de aantekeningen van koster en schoolmeester A. ten Haeff.
Deze lijst is een variant op voorgaande inkomsten, genoemd onder 0016-0019.

Ordn. 5 Opnamenrs. 0054-1055
1 mei 1706        De custer en schoolbediender Johan Lensen van Heijen bekent jaarlijks van:
1) Jan Maes, custer tot Kessel, zijn brood ontvangen te hebben.
2) mijn broot ontvangen te hebben van Hendrik van Neer, custer tot Hommersum, uit jder huis alwaar rook op gaet.
3) De koster van Afferden, Jan Jurgens, bevestigt de  ontvangst van 15 pont broot ende enen sester roggen van jeder huis.

Ordn. 5 Opnamenrs. 0056-0058
3 augustus 1734        Groot Consistorium, gehouden in Gennep. Naast de prediger Theodorus Erpers zijn aanwezig de koninklijke tolbesiender W. Ommeling, Schepen van Erpers, Monsr. Herman Nolbeek/Holbeek, ouderling, monsr. Nadler, Herman Iagers diakon van den gewesene consistorialen, die alle geconcoceert syn, syn verschenen de Heer ontfanget Cöster, de W. Reinier Reiniers, de accise inspector Helmke, de Hr. Iacob Reiniers, Hr Putten
Post in vacotionem nois Divoni
Heeft de peridger voor gestelt, dat volgens de resolutie in vorigen consistoria genomen, het oog merk van dese vergadering was, om eenen nieuwen Latijnsen Rector en organist te beroepen, de hr. Burger mr. (burgemeester) Leurs in consistorio absent blijvende, soo is hij door de schoolmeester versogt om als een consistorial in consistorio te komen dewijl het consistorium yet noodsakelicks aan hem voor te dragen hadde, die daarop verschenen sijnde, soo is het antwoord twelck een consistorium op sijnen proppositien aan/door de prediger voorgedragen,
den 1e deses in consistorio gegeven heeft, uyt het Kerkeprothocol aan hem voorgelesen, de dat het consistorium, hoewel met fundament praetendeert, dat het beroep in de Kerke geschieden moet, nogtans, als dan toestaat, dat het beroep van den Rector voor dit maal op het Raadhuijs geschiede, wanneer de Magistraat ook consenteert, dat t in toekomende in de Kerke geschienden sal, en also alternative,
ten 2e dewijl uijt het Kerkeprothocol blijkt, dat bij het beroep van de vorige Rectoren en organisten Bollenberg en Van de Wehrt ook het groot Consistorium, hare vota gegeven heeft, silks ook in andere plaatsen gebruikelik is, hetr consistorium derhalve oordeelt, dat het daarbij blijven moet,
waarop de Hr. Burgermr (burgemeester) namens de Magistraat repliceerde, dat hij de Magistraat daar over vernemen mochte, en is daarop met schepen Erpers naa het Raadhuijs, naa de Magistraat gegaan, van waar scheper van Erpers met dit antwoord terug gesonden is, als dat de Magistraat praetendeerde, dat het beroep van de Rector op het Raadhuijs geschieden moeste, wijl de Magistraat de rang toekomt, en wel door een klein consistorium.
Waarop uijt liefde tot eenigheid en vrede, de burgermeester nomine Magistratus nog maals door de schoolmeester in consistori versogt is, die sigh heeft laten excuseeren, dat wegen affairen niet konde afkomen, de wijl nu dit beroep geen verder uijtstel lijdt, soo heeft een groot Consistorium goetgevonden, daar mede voort te varen, tot dien eijnde is de BURGERMEESTER Leurs door de schoolmeester versogt, om in de naam van de vrijheer Van Diepenbrock dit beroep bij te wonen, volgens de volmagt aan hem daartoe gegeven, als blijkt ex adiuncs nr. 1
Die heeft laten antwoorden, dat hij sijnen Heer in geen actie of proces wilde brengen, dewijl nu de Burgermeester nog int eene, nog int andere sigh niet schikken will, en de Magistraat ongegronde dingen praetendeert, soo sijn in consistorio voorgestelt W. van Basten l.l. Theol studiosus, informator op het vrij adelick huijs Calbeck, en hr. Umminkhausen, rector tot Schermbeck, waarop vervolgens Hr. van Basten met eenparige stemmen tot Latijnse praeceptor en organist deser gemeinte verkoren is, op conditien, die nader in het beroep schijn sullen beschreven worden, en in consistorio voorgelesen sijn,
is deze handeling met den gebede geeyndigt.
(Ondertekend) Theod Erpers, prediger.

Ordn. 5 Opnamenrs. 0059-1061
Gennep, 15 november 1741        Overlijdensbericht (aan de vrijheer Van Diepenbrock te Heijen) dat de rector en organist van de stad Gennep is overleden, al langere tijd lijdende aan een quade borst … en verscheijde reijsen veel bloed van boven gestort heeft. In die ziekelijke tijd, tussen Paaschen en Pinckstern trouwde die goede man tot onse verwondering nog een vrouw (een ionge dogter van Goch, daar hij in het kosthuijs geweest is), daar hij reeds doen seer swaklik was. Nu hij overleden is, is het beste voor de gemeente en ieugd .. wederom een ander bequaam subiect aan te stellen. Er hebben zich al personen aangemeld bij prediker Theod. Erpers.

Ordn. 5 Opnamenrs. 0062-1063
Heijen, 11 december 1746        Bevestiging van de schepenen, geerfden en inwoonders der vrije Heerlyckheijt Heijen, dat zij vernomen hebben van hun vrijheer Van Diepenbroeck, vrijheere tot Bolderen en Heijen dat hij de aanstelling goed gevonden heeft van Arnoldus Ebben tot koster en schoolmeester. Arnoldus is nog zeer jeugdig (17 jaar) en de wettige zoon van Derck Ebben, inwoonder alhier en van ouders tot ouders hier uijt Heijen gesprooten. De ingekomen bezwaren vanwege zijn jonckheijt worden gehoord en afgewezen.

Ordn. 5 Opnamenrs. 0064-1066
Heijen, 4 juli 1747        Onder de Heijense pastoor Barth. Heckermans gaat een brief naar de heer van Heijen om die en onse niewe gemaeckte kennis en vrintschap des te beeter te stabilieren en ook over wat de onderwijzer Ebben in de mouwe en in de schilt gevuert heeft en zou de heer van Heijen wel oijt gedacht hebben, dat soo een particulieren Grootspreker die stouticheijt soude derven gebruijcken…… ende sich te opponeeren ende mit gewelt sijn soon soeckt in custerie en schoolmeesterie in te dringen, daer sijn soon noch tot het eene of tot het ander capabel is ….. en aen sijn Koning Majesteit in Prussen geangaseerter soldat is … den vaeder sijnen soon, noch den soon sich eijgen selfs tot andere dinsten konde presenteren …. En als hij de collatie gesonnen heeft de soone ouder aengegeven hebben als 15 a 16 jaaren aen wie de jugent principael, noch de kerck mit haare meubelen niet kann toe vertrout worden …. En daerom is hij niet capabel custer of schoolmeester te weesen.  Het zou goed zijn als ook richter Leurs hiervan op de hoogte gebracht wordt.

Ordn. 5 Opnamenrs. 0067-1068
1695            Extract uit een register van de kosterij van Heijen, geschreven door de heer Emericus Krift, destijds pastoor in Heijen. De notities die dan volgen komen in grote lijnen overeen onder voorgaande opnamenrs. 0046-0049. De volgende veldnamen worden genoemd boven de Meer, Spaenrebroeck, Calcker, Maessen hoek, pastorien lant, t Cromlant, het Geerken. Belangrijk is dat deze landerijen syn van alder tot alder thijns- en schatting vrij!

Ordn. 5 Opnamenrs. 0069-0070
Circa1695            Overzicht van renten, die de schoole tot Heyden toekomen, in totaal 5 malder en 2 vat rogge, komend uit diverse tiendblokken, vooral gelegen tussen Heijen en Hommersum.

Ordn. 5 Opnamenr. 0071
Archiefomslag, ex Staatsarchief Münster, Rombergsch. Archiv (Dep.), Haus Heyen,  Akten, Karton 20

Ordn. 5 Opnamenr. 0072
Archiefomslag, ex Staatsarchief Münster, Rombergsch. Archiv (Dep.), Herrlichkeit Heyen,  Akten V, Nr. 11 A 3

Ordn. 5 Opnamenrs. 0073-0076
1656 en later            Ermen Einkompsten zu Heijen -- Overzicht van inkomsten voor de armen van Heijen uit bouwland, geregistreerd door Ebb Sickers uit land van Arndt ingen Nijlen zoals vaten rogge, en uit land auff die Lehmslkuylen. Geldinkomsten uit gestort kapitaal van 200 Kleefse gulden, zoals blijkt de notities van rentmeester Jacob Reiniers, tegen 5% rente.
Andere aantekeningen zijn van de ermen meisters over de jaren 1666, 67, 68 en 1669 met de naam Wilhelm Henrichs en meister Henrich Hensen.

Ordn. 5 Opnamenrs. 0077-0078
1665 -  1667            Overzicht reparatiekosten kasteel Heijen van de vakman Jacob Reiniers, zoals ijzerwerk (ankers, solder nagels, buijtenste deur aant gevangen hüis, ancker nagels, grote nagels aent pannehuis, slot vermaakt, gewerkt aan de slagboom, een vetter of touw aan de gerepareerde putemmer gemaakt, 50 groote nagels aen de voorster gevangen deur, een nachtslot aan de poort, haken aan de putketting, een hengsel en ankers voor het pannenhuis, solder nagels aen de schapskoij, noch den emmer uijt den put gehaelt, handvaten gemaakt in de keuken,  vensters en deur van de keuken gerepareerd,  werk verricht int brauhus en in de koeijstal, dat slot van de kelder vermackt en dat van de saal kamer, een tesslot gemackt en het slot van de klincket … met een slutel.

Ordn. 5 Opnamenrs. 0079-0087
1663, 1664 e.v.             Overzicht van schulden, drukkend op kasteel Heijen vanwege geleend geld van voorheen Wernar Ruffars en nu Theijs Krifts te Beugen (100 daler Clevisch); van Convent Jerusalem te Venray (1.000 gulden Kleefs); licentiaat Johan Bosman (200 Kleefse gulden): vicaris van het altaar B. Maria Virginis in Hassum van o.m. 10 Philippus gulden vanaf 1526 (totaal 133 gulden);  de provisoren van het gasthuis te Gennep (75 gulden);  de armenkas van Hassum; van die arme Mannen zu Ghoch (100 Philippus gulden); een bedrag uit een bruidschat; een klein bedrag van de parochiekerk van Heijen;  de pastoorvan Heijen;  het klooster Marienbaum; vicarie St. Nicolai te Heijen, e.v.

Ordn. 5 Opnamenrs. 0088-0092
1664, 1665, e.v.             Overzicht van verschillende soorten ontvangsten wegen Nichte Bertine Elisabeth (von Vittinghoff, genannt) Schell, als ook van allerlei gewone en buitengewone uitgaven.

Ordn. 5 Opnamenrs. 0093-0096
1664, 1665            Rekening te Gennep opgemaakt van reparaties voor Hermen Jegerlingh, gemaakt ten behoeve van het adellijk huis Heijen, zoals een slot gemaackt aan de kamerdeur de trap op te gaen; een emmer uijt de put gehaalt een nij oor aangemaackt en een hengel;  een paar gehengh …aan de schuer;  een nij isere rol in de put, ses haltvasten gemaakt voor het huijs aan den bock tot defentzij van winterdach voor den isganck, loot om in te gieten tot houvast, een breeck iseren gemaakt;  grote nagels aan dat gevanckenis, allerlei nagels en ankers; gemaakt een castralij (traliewerk); een band gemaakt int kijckgat; werk aan de hondenstal; grendels en krammen, etc.

Ordn. 5 Opnamenrs. 0097-0100
1665            Contract of akkoord van een openbare verpachting (met brandende kaarsen en bij opbod) van seeckere bloockes Bouwlants den armen toeghehoorigh in een Heijense herberg door de kerk- en armenmeesters te Heijen in guldens van 70 stuiver Kleefs per gulden, de pacht op Martini (11/11) jaarlijks te betalen. De pachtsom kan worden uitgepijnd bij niet voldoen.

Ordn. 5 Opnamenr. 0101
Archiefomslag, ex Staatsarchief Münster, Rombergsch. Archiv (Dep.), Haus Heyen,  Akten Nr. Karton 19

Ordn. 5 Opnamenr. 0102
Archiefomslag, ex Staatsarchief Münster, Rombergsch. Archiv (Dep.), Herrlichkeit Heyen,  Akten V, 11 A 3, Band 2,2

Ordn. 5 Opnamenrs. 0103-0106
1649 / 1650            Rekening van Hermen Jegerlingh vanwege reparatie- en herstelwerk aan het Huis en Inventaris van het kasteel Heijen, zoals het maken van een mistgaffel, winckelhaecken, voor de heer van Heijen een ketting gemaakt voor zijn pistolen, een slot aen de schaeps keuij; ankers, deurhaken en handvaten aen die staldeur; anckers aen dat secreet (W.C);  vier paer gehengh mit sijn toebeheur aen den gaerden tot die deur en …. een klinck met een oplichter aen dat secreet; diverse soorten en maten handgemaakte nagels o.a. voor de paardenstal; een biel gemaeckt …. en een groot slott aen den slachboom … aen die deur in den kelder …. een paer brant roeijen gemackt.

Ordn. 5 Opnamenrs. 0107-0116
8 april 1650, 1651 e.v.            Landerij-pachtopbrengsten van het Huis Heijen uit der grosser Schmalert (21,5 morgen groot); der kleiner Schmalert (6,5 morgen), deels in geld maar ook in ponden meijbutter en fahnen bier; der Houck (8 morgen); das Treckgras (7 morgen); Lanckersche Wehre (5,5 morgen); Grosse Hogeheij (18 morgen); Düsterkämpgens (4,5 morgen); zweij Kämpen auff der Locht (7 morgen); Der Horn/Kornacker (4 morgen); Elsencamp (6,5 morgen); Hoge Pollacker ( 4 morgen); Lege Pollacker (5,75 morgen); Newercamp (4,5 morgen); Pölleken ( 3 morgen); Papenlier (15,5 morgen); Schmale Kämpgen (2 morgen); Kuhcamp (4 morgen); Die Steil (3 morgen); Gysenbues (3 morgen);

Ordn. 5 Opnamenr. 0117
Archiefomslag, ex Staatsarchief Münster, Rombergsch. Archiv (Dep.), Haus Heyen,  Akten Nr. Karton 28
       
Ordn. 5 Opnamenr. 0118
Archiefomslag, ex Staatsarchief Münster, Rombergsch. Archiv (Dep.), Herrlichkeit Heyen,  Akten VI, nr. 11

Ordn. 5 Opnamenrs. 0119-0124
5 mei 1556        Kopiebrief inzake erfenisdeling tussen Aleff van Meverden tho Hassent en Arnt Spanrebuck, heer te Heijen, als momber (voogd) van joffer Galanth van Meverden en Goert van Meverden en Goert van Meverden, als momber van joffer Arntz van Meverden anderdeils, eliche broeder und suesteren. Op de 4e mei 1556, na goed scheidsrechterlijk overleg tussen familie en vrienden, is een verdeling tot stand gekomen, die nageleefd moet worden onder een boetebeding van duesent golden alde schylde. De arbiters zijn de Erentvesten und vrommen Aleff van Meverden tho Smithuisen, koeckenmeister (keukenmeester) en Henrick van Diepenbrock ther Empell, Ruetger van Randwyck en Derick van den Kollick.
Gemelde Aleff van Meverden tho Hassent zal hebben en behouden de erven und guederen, gerede und ungerede, bewechlich und unbewechlich …. dair oer vaeder und moeder ynne verstorven unde ennichsins achtergelaeten.  Alef zal zijn zusters voor hun aandeel (kyntzdeil) uitbetalen bynnen der Stad Embrich (Emmerick) yn dat Crues Broederen klooster, zijnde die gelleffte als twelleffhundert enckelle guelden myt bescheiden golden gulden …. De ander helffte als oick twelleffhundert golden gulden myt gueden anderen golden und sylveren payment. Zo zal ook Arnt Spanrebuck, heer tho Heiden, als van wege synre huesfrouwe een aandeel krijgen.

Ordn. 5 Opnamenrs. 0125-0127
9 maart 1558        Er is irrungh ind misverstandt ontstaan tussen Arndt Spaenrebock, hern tho Heijen, enerzijds en zijn zwager Adolff van Meverdt anderteils, komende van een hoofdsom ter grootte van negenhondert golde gulden ingevolge een tussen hen beiden bestaand maichgescheidtz (erfdeling). Genoemde Van Meverdt had de besproken penningen ferdich liggende gehad en Spanrebock daarover tijdig geïnformeerd maar is den vurscr(even) hern tho Heijen ther tijt niet gelegen geweist andere penningen, dan enckell golde guldens tontfangen,ofschoon het wel de gerechte weerde an andern gueden paijment dairvoir gelacht was. Het vrijgemaakte geld in penningen heeft Van Meverdt weder moeten upseggen, waardoor de bepaalde betaaltijd overschreden is. Daarover volgt een beklag bij edelen aan beider zijden o.a. aan Willem, graaf van den Bergh, heer van Boxmeer, etc.. Hierop hebben bemiddelaars als Henrick van der Hoevelwick, Thomas van Bellinchaeven, haiffmeister, Sander Tellich en Arndt Visscher, richter t Westerfoirdt een vergelijk kunnen treffen. Vervolgens betaalt Adolf onmiddellijk vyr hondert golde gulden via Sweer van den Stein, de resterende 500 goud gulden mag Van Meverdt jaarlijks honderd gulden inhouden via goederen aan de Rijn gelegen.

Ordn. 5 Opnamenr. 0128
Archiefomslag, ex Staatsarchief Münster, Rombergsch. Archiv (Dep.), Herrlichkeit Heyen,  Akten VI, nr. 10

Ordn. 5 Opnamenrs. 0129-0131
Ongedateerde afstammingsoverzicht.         De 2 x acht, dus16 adellijke voorvaderen van moederszijde van Henriette Maria van Ittersum aus dem Hause Langenbruch en van vaderszijde van Herman von Ledeburg, Hr zur Kónigsbrüch, Arensthorst und Tappenburg, opgesteld door Muhlenkampfg.

Ordn. 5 Opnamenr. 0132
Archiefomslag, ex Staatsarchief Münster, Rombergsch. Archiv (Dep.), Herrlichkeit Heyen,  Akten VI, Nr. 9

Ordn. 5 Opnamenrs. 0133-0135
24 augustus 1593        Schuldverklaring van Alter Knippinck, heer te Heijen, wegens 1900 gulden Brabants, geleend van zijn broer Conrad Knippinck, Commenthürs zu Heillpron, en erfgenamen. Dit geld is bedoeld zu reparerungh und wieder erbawungh meines Hauss und Schloss Heijen. De leenheer van Heijen, te weten de graven van den Bergh te Boxmeer zijn hiervan op de hoogte.

Ordn. 5 Opnamenrs. 0136-0137
10 december 1660        Brief (kwitantie?) ondertekend door Joost van Till, waarin Alter Knippinck en zijn vrouw Elisabeth Spanrebock verklaren, aan het overleden echtpaar Lambert van Till en joffer Frans Spannerbock bij huwelijkse voorwaarden van 1583 afstand te hebben gedaan van de vaderlijcke ende moederlijcke erftenisse…… ende onse vorscreven grootmoeder joffer Frans Spannerbock competerende kindsgedeelte aen de heerlijckheijt Heijen en de goederen aldaer, vier duijsent daelers vorsproeken ende volgents uijt crachte van het accoord met wijlen onse vader saliger jonckher Willem van Till op 4 mei 1611. Ook de tegenwoordige vrouwe van Heijen, (Bertina Elisabeth) von Vittinghoff genant Schell , geborene van Bonen, onze veelgeliefde moije is hiervan op de hoogte. Daarop heeft Agnes Margarethem van Bonen, douwagiere van Vittinghoff genaemt Schell, vrouwe tot Heijen & Schellenberg, haer erffgename ende naekomelinge de uitbetaling gequitteerd.

Ordn. 5 Opnamenrs. 0138-0141
4 mei 1611        Doorgehaalde brief waarin verwezen wordt naar een regeling van 1 januari 1578, waarin jofferElisabeth Spanrebock eerst met Hendrick van Eijckel en vanaf 1582 met Alter Knipping gehuwd blijkt. De geldelijke uitkeringen, ijren kindsdeil to Heijen en de hoofdsom van de hilixpennungen worden weergegeven tussen de partijen van de heer en vrouwe van Heijen enerzijds en hern Til an d’ander sijde. Vier verwanten und frunden van beide partijen bemiddelen, ten eerste Alter Knipping en zijn echtgenote Elisabeth Spanrebock wegens ijren nèf Til (Tijll) voor gedachte 4.000 daler en den groten und kleinen Smalert mit die Dusterkempkens und Pulmanskamp. Verder nog een weiland achter Beringens Ossenkamp met nog die helft van 20 malder rogge of gerst erfelijke jaarrente tot Beck und Loen (Vierlingsbeek en Overloon) waarvan de andere helft jonker Wilhem van Til toehoort. Voorts wordt een zeker onderpand geclaimd op der Bügensche werdt an der Masen. Ander grondstukken worden in de regeling opgenomen, zoals die Locht, dat küningstück groet vijf mergen, beide boulant, den Wijerspoul und ein stuck lantz genant den Lanckeren.
Tot getuigen van deze regeling zijn aanwezig: die edele ehrentfeste Wilhem van Steinhuys tot Opplo, Helmich van Schewick to Driesbergh. Liffort van Beringen und Arnolt van Randwijk.

Ordn. 5 Opnamenrs. 0142-0146

4 mei 1611 (met notitie van 1 mei 1612, 1613 en 1614)        Kopiebrief, geschreven door Adolphus Braem, secretaris Gritensis (Grieth?), waarin vervat de tekst van de akte van bovengenoemde opnamen (0138-141) over Elisabeth Spanrebrock, eerst gehuwd met Hendrick van Eickell en vervolgens met Alter Knippinck en haar innigen suister Frans Spanrebrock, gehuwd met Lamberdten van Tijll.

Ordn. 5 Opnamenr. 0147-0148
9 december 1611        Extract uit de Kleefse Rekenkamer namens de keurvorstelijke Brandenburgse, Pfältz Newburgs Clevische Räthe ondertekend door Wessell van Löhe, heer te Wissen en Frans vonn Eijckell wegens notities over pachtaangelegenheden van Alter Knippink te Heijen en Henrichen van Meverden.

Ordn. 5 Opnamenrs. 0149-0151
2 – 7 juni 1613        Verdrag van de heer van Heijen, Alter Knippinck, ambtman te Liemers wegens zijn aandeel in pachtinkomsten, houtgewas die Heesse genandt darbeij die NeiHeijenschen Zehendt und den Fishwasser undenn und bovenn Heijen in der Mäesen, all ihm dem Amptte Gennep und Herlichkeitt Heijenn gelegenn, jacht- en visrechten te Heijen en de rol van de zeittlichenn Rentmeijsternn zu Gennepff.

Ordn. 5 Opnamenr. 0152-0153
1613 - 1614        Rekening inzake kosten voor Alter Knipping, heer te Heijen, van Joh. (?) Soentgens m.b.t. Genneperloe.

Ordn. 5 Opnamenrs. 0154-0157
Mai 1616.            Concept van een obligatie van Alter Knippinck, heer zue Heijen, drost zu Emmerich, der Limers und Sevenar, Kriegs Commissarius en zijn gemalin Elisabeth Spannerbock, waarin zij bekennen dat het Huis Heijen door brand grotendeels verwoest is en voor herstel grote bedragen nodig zijn o.a. 1900 munten brabandischer wehrung.
Betrokken hierbij zijn broer Heinrich Knippinck zur Hackfuerth wegens 3500 daller Cöllnischer Wehrung en broer Conradt.
Tot onderpand dient Haab und Gueter en bidden God, dat alles goed mogen gaan.

Ordn. 5 Opnamenrs. 0158-0159
22 augustus 1618            Memorial weges des vatters Hern zu Heijen sache, signatum 22a Augusti Ao. 1618. Genoemd wordt hierin Knippinck zu Hackfort; Dietrich Knippinck; Kleefse landrechten; Kindsdeel;

Ordn. 5 Opnamenrs. 0160-0163
1548, 1575 en later.        (Klad?)brief van Alter Knippinck, heer te Heijen en drost te Zevenaar en     …..  inzake een schuldvordering op Josinen Suthens (Josina  Soitgens) en haar kinderen. Blijkbaar gaat het om processtukken met frequent gebruik van Latijnse juridische termen. Verder worden daarbij genoemd: Theodorus Sandz; Sibilla, geboren van Westerholt, weduwe Knippings zur Haickfurt.   

Ordn. 5 Opnamenr. 0164
Archiefomslag, ex Staatsarchief Münster, Rombergsch. Archiv (Dep.), Herrlichkeit Heyen,  Akten VI, Nr. 4

Ordn. 5 Opnamenrs. 0165-0171
5 augustus1648        Huwelijksvoorwaarden tussen Peteren Dietrichen von Eickell, Herrn zu den Ham, zoon van wijlen Dietherichen von Eickeel zu dem Ham, keurvorstelijke Brandenburgse raad en waltgraven zu Nirgenair, drosten zu Goch en vrouwe Margreten von Aldenbockum, met juffrouw Hertzlieb von Boenen dochter van wijlen Georgen von Boenen zu Overfelde, Herre zu Heijen und Galandt, geboren Knippinck. Voorwaarden zijn o.m. dat zij christelijk huwen; dat zij een huwelijksgoed een indonationem propter nuptias inbrengt; inbreng van het adelich haus zum Hamm met alle aangehorigheden en adellijke rechten; de ouderlijke erfenis; inbreng van een zogenaamde morgengabe waarvan zij levenslang gebruik mag maken; een regeling wordt gemaakt voor de kleding, de kleinodien, de bruidschat en 4.000 daler; de erfenis van toekomstige kinderen.

Ordn. 5 Opnamenr. 0172
Archiefomslag, ex Staatsarchief Münster, Rombergsch. Archiv (Dep.), Haus Heyen,  Akten – Karton 27

Ordn. 5 Opnamenr. 0173
Archiefomslag, ex Staatsarchief Münster, Rombergsch. Archiv (Dep.), Haus Heyen,  Akten – VI, 3 Band 2

Ordn. 5 Opnamenr. 0174
Archiefomslag, ex Staatsarchief Münster, Rombergsch. Archiv (Dep.), Haus Heyen,  Akten – Karton 24

Ordn. 5 Opnamenr. 0175
Archiefomslag, ex Staatsarchief Münster, Rombergsch. Archiv (Dep.), Herrlichkeit Heyen,  Akten  V Nr. 14

Ordn. 5 Opnamenrs. 0176-0178
5 maart 1622        Brief in Zevenaar geschreven door Alter Knippinck te Heijen, ambtman in de Liemers, aan de keurvorst i.v.m. het bezichtigen, inspecteren, beschutten van de passen, landweren, slagbomen onder levensgevaarlijke omstandigheden, gemaakte kosten in herbergen als im Engell te Kleef en in der blauwen Druven te Wezel. die aus meinem Beutel betaald moesten worden.

Ordn. 5 Opnamenr. 0179
18 mei 1622        Korte notities behorende bij voorgaande verzoek van Alter Knippinck te Heijen wegens betaling door Adam graaf zu Swartzenberg.

Ordn. 5 Opnamenrs. 0180-0183
Omstreeks 1622        Verzoekschrift van Alter Knippinck aan de Kleefse en Märkische raad waarin gesteld wordt dat hij goed toezicht heeft op de in Kleef gelegerde soldaten, welke echter klagen inn zwölff, etzlich in achtt und andere in sechs Monaten kein Geltt bekommen hebben. Het gehalt en deze soldij zou uit de licenten betaald worden. Derhalve vraagt hij om onmiddellijke maatregelen.

Ordn. 5 Opnamenrs. 0184-0187
16 april 1744        Brief vanuit Charlottenburg van Friedrich, koning van Pruisen, markgraaf te Brandenburg, aan de Kleefse Kriegs- und Domainenkammer en de richter te Kranenburg i.v.m. militaire regimenten mede wegens instructies naar Wezel aan de generaal en gouverneur von Dofsoir (?).

Ordn. 5 Opnamenrs. 0188-0190
Omstreeks 1620.        Opgesteld schrijven van Helmich von Schewick in naam van Alter Knippinck betreffende de bezichtiging der grenzen van het vorstendom mit Alexander Pasqualin, sluijter zu Udem samen met de Geographum von Calckar Johan von der Weij. Voor de verrichte werkzaamheden verwacht hij zijn tractement.

Ordn. 5 Opnamenr. 0191
Archiefomslag, ex Staatsarchief Münster, Haus Buldern-Dep. , Rombergsch. Archiv (Dep.), Herrlichkeit Heyen,  Akten  V Nr. 13

Ordn. 5 Opnamenrs. 0192-0195
14 juli 1648        Opgestelde ordonnantie of reglement betreffende de schutterij S. Dionijsius, patroon der kerk van Heijen.
Zie hierover nader in de publicatie: Th.W.J. Driessen & M.P.J. van den Brand „Een reglement voor het St. Dionysius-gilde te Heijen“ in ‚De Maasgouw‘1971, kolom 123-128.

Ordn. 5 Opnamenrs. 0196-0200
2 december 1717        Protokol aangaande de gildebrüderschaft van Heijen wegens het zonder permissie van de heer van Heijen, te Buldern zetelend, tegen de gewoonlijke gebruiken in een capitain und liutenant voor de gilde compagnie hebben gekozen en zo in het dorp optrekken. Dit blijkt uit gegevens van Lambertus Groenewald, Jellis Kuiper en Derck Ebbn. Dit is tegen het recht en de jurisdictie van de heer van Heijen, die consens moet geven voor deze aanstellingen. Daarbij komt ook de gebruikelijke ton bier, die aan de gildecompagnie geschonken moeten worden in discussie ofschoon de gildebroeders van Heijen van mening zijn, dat de heer van Heijen daarover niets te vertellen heeft en degene, die het meeste bier schonk capitain sein solle. Er is sprake van een boete van 10 goudgulden. De heer van Heijen moet de handelwijze van het gilde maar vergeven en mahl pardonniren en in de toekomst rekening houden met de rechten van de Heijense heer en blijven bei ihre alte privilegien.

Ordn. 5 Opnamenr. 0201
Archiefomslag, ex Staatsarchief Münster, Haus Buldern-Dep. , Rombergsch. Archiv (Dep.), Herrlichkeit Heyen,  Akten  V Nr. 12 B

Ordn. 5 Opnamenrs. 0202-0205
Juni 1546        Registrum pastoratus in Heijen – Copia der pastorijen Renten tot Heijen aengeteickent van Heer Alardt Michiels van der Horst, den welcken in ‚t jaer 1546 op Nativitatis S. Joannis Baptisten avondt (23 juni 1546) als Pastoor tot Heijen sijnen intreed heeft gedaen, geprasentiert van den Heer tot Afferden Derick van der Lip genandt Hoen etc..
•    1e de pastoor heeft alle thienden van koorengewass uijtgenomen den nyethienden neven der Maase gelegen en ettelijcke vrij stucken bouwlandt
•    2e de pastoor heeft die ganse smaelthiend, uijtgenomen des Greffen van Heijen hoffstede frij und die koolhoff binnen dorps van ruebsaet
•    3e de pastoor heeft 13 stucken bouwlandt, soo grootsij daer sijn, daervan 2 stucken liggen op ’t Hoogevelt, 10 stucken in ’t Lege velt, een stuck aen ’t Afferse velt, noch een Camp met een rijswertjen op die Maese gelegen bij Peter Bollen Camp tegen Jacob die Vischer over die Maes over
•    4e de pastoor heeft noch 2 weijkampkens tegen die Steill over beneven Derrisken Verfoirts kemp aen beijde sijden
•    5e de pastoor heeft 3 schepel gersten jaarlijks op St. Martini van Wolter Spaenrebroeck uijt een weijkempken die Hooghoy beneven Peter van Beringens Beijkamp aen beijde sijden beneven metter sijden gelegen
•    Ten 6e heeft de pastoor 2 capuinen jaerlijx op dagh Martini voirscr. eenen van Jan Verfoirt und eenen van Derrisken Verfoirt.
•    Noch 2 capuinen jaerlijx op dag Martini voirschr. aan Jut Ebben uijtter een klein kempken bouwlandts aen haer landt schietende over en Maessenvourweg op diese sijde der Sälycken uijter welcke Sälcke maer een thiendt gehaelt wordt.
Ten lesten heeft den pastoor jaerlijx een vat garsten van Gaert aen gen Mehr uijtter een stuxken weijlandts van den Pastorijen landt aen sijnen weijkamp voor dat Maessenhoecken gat, gelegen over den wegh oock op Martini verschienende. Hiertegen gilt die pastorije wederom uytter den joolhoff bij den Wedemhoff gelegen in de Torxken pacht 2 capuinen op Martini, Ende hier toe moet den pastoor eenen Beer halden voor die vercken und oock een thiendt maeltijt geven jaerlijx den nabueren als ersten speeck, eenen vetten hamel und een ton biers, daermiott hebben sij haer gerechtigheijt.
** Maer Heer Alardt voirschr. Heeft die nabuiren //-gelijkc hij selver aengeteickent en achtergelaten heeft-// die smaelthiendt ganss quijtgeslagen Ao. 1572 mits condition dat hij geenen beer halden soll und geen thiendtmaeltijt geven, maer stelt daer bij sijnen nawrvolger magh doen wat hij will.
** Het alsoo genoemde Papengat voor het meestendeel met het daer tegen overliggende Driesken a ongefeer eenen mergen heeft voor desen gehoert bij de pastorij; maer voor ongefeer 80 jaeren isser door een ijsstukung een groot gat gescheurt / gelijck noch te sien is / waer door den wegh tusschen het Driesken en ’t ander landt weghgenomen was; welcke inbreuck den doen maelighen tijtlijcken pastoor H. Wolterus Tutius in sijn macht niet had te reparieren, is alsooo affgehangen, verkoofft en uijtgedaen voor 7 schepel garsten erftpacht op Martini mitz condition dat kooper het ingebroocken gat most op sijn eijgen kosten laeten reparieren.
Het stuck landts bij ’t Affersse velt / waervan te vooren gementioniert is / is getrocken bij den Heer van Heijen’s erffenenis, waerom de heer van Heijen jaerlijx aen den tijtlijcken pastoor op Martini moet leveren een malder garst erfftpacht.
Off nu de 2 capuinen, die jaerlijx van den tijtlijcken pastoor in den Turxsen pacht / die nu bij ’t Huis Heijen is / moesten gegeven worden hiermet ingesloten sijn off datse met de andere capuijnen omgeleit sijn, is onseeker. Dit is evenwell seecker dat den tijtlijcker pastoor in Heijen a tempore immemoriali geen capuinen heeft ontfangen, noch gelevert.

Ordn. 5 Opnamenr. 0206
6 sept. 1645        Brief, gesteld in het Latijn en ondertekend door Gijsbert Johan van Vittinghoff genannt Schell als dominus terrirorii in Heijden inzake het vacant worden van de geestelijke, die het altaar van de vicarie van Sint-Nicolaas te Heijen bediend en waarbij Henricus Onna voorgedragen wordt.

Ordn. 5 Opnamenrs. 0207-0209
26 sept. 1645        Brief, ondertekend door Henric Onna, wegens zijn benoeming tot vicaris van voornoemd altaar en het verzorgen en celebreren van 2 misdiensten per week. Ook is het dorp, als gevolg van het aflopen van de oorlog (80-jarige), weer zodanig bevolkt en bewoond dat er weer een schoolmeester nodig is.

Ordn. 5 Opnamenrs. 0210-0212
5 sept. 1645        Uit de brief, geheten Patent wegen der frühpredig zu Heijen, van Gisbert Johan von Vittinghoff gennant Schell, heer te Heijen, blijken de ordentliche Sontags frühepredig en andere godsdienstoefeningen in de parochiekerk van Heijen door de langdurige en zware oorlogsomstandigheden al lange tijd geen doorgang meer gevonden te hebben. Nu de tijd wat draaglijker geworden is wil hij deze godsdienstige belevingen weer inhoud geven en daarmee vlijtig en niet nalatend de eerwaardige en hochgelehrten herren Henricus Emricum Kriffs, de tegenwoordige pastoor van Heijen, daarmee belasten tegen een jaarlijkse beloning van 42 Kleefse guldens.

Ordn. 5 Opnamenrs. 0213-0216
24 juni 1647/1648        Capitulatio mit Herre Johann van Gelre wegen der Pastorat zu Heijen. Sinds 24 juni 1647 blijkt de pastoor van Heijen overleden en als vervanger wordt door de collator, de heer van Blienbeck, als nieuwe pastoor voorgesteld: Jan van Gelre. Hij zal voortdurend binnen de parochie wonen en als zielzorger werken in lieb und leid, fried oft kriegszeit. Door de oorlog is de pastorie echter zeer bouwvallig geworden en van de parochianen en buren wordt verwacht, dat zij de reparatie met niet alleen bouwmaterialen, maar ook via de tienden en stro de pastoor ondersteunen.

Ordn. 5 Opnamenrs. 0217-0220
1658/1662        Uittreksel of extract uit Mr. Aert ten Haeff sijn aenteickeningh voor den tijt als hij Custer tot Heijen is geweest.
Henrick Ordinarius was voor dien tijt affgebrant
Willem Lamers genaemt Vermasen 10 £ Br(abants) van Jersmis 1658, nog 11 £ broot, 6 £ b. betaelt tot  Paesschen 1660. Itemn Kersmis 1660. Item Paesschen 1661 noch 9¼ £. Item Paesschen 1662 ende Kersmis. Item Paesschen 1663 ende Kersmis ende 1664. Andere betalende inwoners zijn: Alart Peters, Derck Ebben, Derck Robben, Frans Fock, Arnt in gen Nielen, Cens Bossen, Jan Wolters, Willem Ebben junior, Jan Dimesen, Jan van Elsen, Liesbeth Tonisen weduwe Roderen, Marten Tonesen genant Custersm Peter Kerstjens, Tomas Jansen, Jan de Hardt, Vincents Bossen, Hermen Tonesen genant Ruiterm Willem Scheif, Peter Kerstjens, Willem Henricks, Jan Ebben, Gerit Jansen, Jacob Custers gewesen Custer, Bernt van Elsen, Hans Michel Groenewalt, Henrick Dericks Lodder, Willem Ridders, Bernt Bosmans, Hermen Ridders, Derisken Brocht, Jacob Witfelts,  Derick Boumans, Jan van Langen oft Bossen, Lamert Schreven, Henrick Hanssen, Thys Peters, Jan op den Suckerberg, Peter Haeken, Hermen Jansen, Claes de Vilder, Lambert Jansen van Asten, Jan van Helden, Jan Gietmans, Jan den Wildenboer, Jan Leeuw, Tijs Hecselsnijder, Geurt Michels, Jan Gerarts over het broeck, Jan Bantz den doven pauper,  Laurens Swanenburgh en Joffrouw Wijlack van het Huis van Suermondt.

Ordn. 5 Opnamenrs. 0221-0226
1666/1667        Kostenoverzicht in geld uitgedrukt van de Heijense kerkmeester Alardt Peters, voor de tijd dat hij aen de kerkcke tot Heijen met Perdt ende karr verdient, die arbeiders in kost ende dranck verpleegt ende voor en nae verschootten hebbe. Zo vervoerde hij voor de kerk anderhalff mudde kalcks, 2.000 leijen en heeft hij de kalk beslagen, voor gekochte olie en nagels, hout en schroeven voor de timmerlieden, hout gehaald aen den Hamm, den reep ende ketenen wederom naer Gennep gevaren, uitgaven voor bijenwas om kaarsen van te maken, voor kalk aan de overzijde van de Maas gehaald, aan meister Herman Jegerlingh den Slotenmaecker met knecht betaald voor werkzaamheden aan het uurwerk en de kost gegeven, voor brandhout betaald en in Gennep den kerckenkast (tabernakel) gehaald, metselaars in het Land van Cuijk gehaald, zand aangevoerd en geholpen bij het hangen van de kerkdeuren en bij de toren, bier gehaald en geschonken, Jan van Thoor den Leijendecker en zijn drie knechten op het dak geholpen, uitgaven aan zeep en stijffsel, een bode van Xanten betaald en de lieden die de voetbank vant hooge altaer tot Boxmeir haalden.

Ordn. 5 Opnamenrs. 0227-0233
1666/1667 (en gecontroleerd in 1674)    Recheningh van ontvangsten en uitgaven ten tijde van Alardten Peters cum adjuncto Henrich Hanssen als Kirchenmeisteren der Jahren 1666 undt 67. De ontvangsten van de parochiale Kirche zu Heijen betreffen geldrenten in de Brabantse munteenheid naar Kleefse waarde omgerekend; Olie (raap); Ruebzaad; Wijn; Hoenders; Rogge; gerst, erfpachten met een totale waarde van 209 gulden, 7 stuivers en 5 duiten in Kleefse waarde.
De uitgaven houden betalingen in aan Trinneken Kusters, de weduwe van Herman Derichssn.; aan Emmerick Krifft, pastore zu Gennep via Pastore Joannen Twestenendt; aan Henrich Robbers; aan Peter Evertz; Agatha Vermölen; Peterken Robben; aan Hanss Jacobs, Johan Wolters; aan Mr. Herman Jöngerlingh vor arbeidt und reparation ahn die ührewerck; Gerrit Driessen glasmeister; aan Mr. Lambert Verschuiren voor ein schabell und kast in der Kirche zu machen; aan Mr. Gört Janssen rattmächer; Mr. Gerrit Bützen zimmerman voor auftgen Hamm gekocht balken voor de Heijense kerk; aan Berndt von Elssen voor verrichte handenarbeid; aan de heer pastoor Joanni Twestenendt zu einkauffungh der Kirchennötigen ornamenten; aan kerkmeester Alardt Peters voor zijn werk met kar en paard met mondkost en drank aan de arbeitenden leuthen; e.d.

Ordn. 5 Opnamenrs. 0234-0237
1666/1668        (Pacht)condities, hier ook wel pacht cedulle genoemd, waaronder de Heijense kerkmeesters Jan van Elsen en Jan Ebben te perck stellen ende voor alle man verpachten (met brandende kaarsen) voor de tijd van drie jaar de wei- of hooilanden: den kerckenweykamp genaemt den Kalckhof ende het Kercken Drijsken liggende neven den Papenpas met nog daarbij het Kercken Bouwlant e.d. De voorwaarden worden mede ondertekend door  Jacobus Custer, custos. De pacht moet steeds op St. Maarten betaald worden.

Ordn. 5 Opnamenr. 0238
1698        Rente-Inkomsten van de custerie in Heyen, waardoor de koster/schoolmeester van Heijen in zijn levensonderhoud kan voorzien . De inkomsten worden hem in malders in natura (gerst) uitbetaald door de gezinnen van Willem Scheijf,  Metien (Metjen) Scheijf vanwege de Hoppenkamp, uijtter ieder huijs stede 20 pont broodt jaerlix, pacht uit den kalckhoof, item compt den coster den oost te weten van die met 2 peerden bouwen 6 gerven ende die met een perdt bouwen 3 gerven. Verder krijgt hij inkomsten uit diverse met naam genoemde landerijen en weilanden.

Ordn. 5 Opnamenr. 0239
28 sept. 1720        Kwitantie van de Heijense pastoor Jo(hann)es Verhorst, vicarius in Heijen, dat de Vreijheer van Diepenbrock, Heer tot Bolderen en Heijen, hem de jaarlijkse vergoeding betaald heeft voor het bedienen van de vicarie van St. Nicolai in Heijen en het officii matutinalis (zondagse vroegmis met predicatie?), dat jaerlijke depuität van deese beide vicarien bedienung, op S. Jan Baptist 1720 vervallen geweesen, zijnde 86 Rixdaler Kleefs geld.
  
Ordn. 5 Opnamenrs. 0240-0243
25 april 1725         Brief vanuit Gennep geschreven door Theod. Van Erpers (pastoor te Gennep) aan de heer van Heijen vanwege zijn reizen naar de burgemeester van Nijmegen over gekochte en geleverde stenen en de overgegeven rekening aan de Latijnse praeceptor in Nimwegen Mr. Westen Bergh. De gekochte stenen waren bedoeld voor secretaris Mentrop. De vraag is of deze kosten mogen worden ingehouden op de schatting/belastingaanslag van het dorp Heijen.
Er wordt tegelijk navraag gedaan over de slechte gezondheid van W. Richter en wanneer sijn lighaam als een aards huijs door de tijdlicken doot sal gebroken worden en sijne Ziele daar uit scheiden sal….. hij sal opgenomen worden in dat eeuwige en heerlicke huijs daarboven in den hemelen.

Ordn. 5 Opnamenrs. 0244-0246
31 december 1735    Brief, mede getekend door de Gennepse pastoor Theod. Erpers, aan een vrijheer (van Heijen?) over de onenigheden tussen burgemeester, het klein consistorium, verkiezingen, Kerkenraad, e.d. en een nieuw hoopvol begin in het nieuwe jaar in onderlinge liefde, vrede en eenigheid.

Ordn. 5 Opnamenr. 0247   
Archiefomslag, ex Staatsarchief Münster, Gesamtarchiv von Romberg - Akten, Nr. 7947

Ordn. 5 Opnamenr. 0248
7 …. 1338     Perkament Latijnse oorkonde met beschadigd zegel van de Keulse aartsbisschop Walram i.v.m. het stichten van een altaar in de kerk van Heijen. Nader uit te werken.

-----
Verwante oorkonde bij de oorkonden in het huisarchief Heyen te Munster
Oorkonde nr. 1    25 juli 1338

In den iair ons heren duysent dryehundert acht und dartich up sent Jacobs dach des hyllygen apostels is gekomen dye erbare vrouwe Heyll van der Houffgeweir voyr ons laten Arnt Cort Ians ende Henrick van Hummersum und voirt dye gemeyn laten tot Heyen dwelke Heyl voyrsc(reven) tot oere alders und selffs ziele salycheyt toe een deel gestycht hefft eyn altayr und begyftych und dayr hayr bestellyng gewyt yn de eer synter Clays und hefft begert van der laten voyrscr. und Henryck Spanrebock, als een heer tot Heyen zoe doch Heyllen voyrscr. moder eyn natuyrlycke dochter van Spanrebock was und eensdeels dat erfftal dayr her van commen si, dat hy yr gunnen wyl, dat sy daer myt mach versien here Jan van Gennyp, pryester, wylke collatie wy laten tuygen hayr geconfirmeert und geconsenteert is van Hanryck vorscr.
Vort hefft Heyl voyrscr. dye collatie ofte gyffte van deser fundatie gegoft und beloefft dat Henryck voyrscr. myt dye gemeyn
laten sonder croenen offte opspraickt van emant na doytlyck affganck here Jan vurscr. ten ewige daegen toe geven sal eynige dye dayr bequeem to is, angeseen Hanryck voyrscr. dye voyrgen(oemde) altayer eyns deyls begyfftych und mede vernocht hefft om de styftynge van dyen, wayrumb Heyl voyrscr. Henryck vurscr. gebeden hayt,, dat hye dese apene fundatie vur oen und syn erven mede besegelen wolde, twelck yck Hanryck voyrscr. als recht collateur, om beden wyll gerne gedaen heb vur zoe wy laten voyrscr. op dyt pas geen segel voer und hebben, zoe hebben wy gebeden here Jan onss pastoyr dat he syn segel vor ons an dese fundatie bryeff hangen wyl, dat yck here Jan pastoyr vurgeschreven. om bedem wyl der gemeyn latenen gerne gedaen hebbe unde myn segell haer an gehangenn. 

Ordn. 5 Opnamenrs. 0249-0255
Ca. 1535    Breedvoerige Latijnse akten (nog nader uit te werken) van het kapittel in Xanten wegens onenigheden over de nieuw voorgestelde pastoor Florens van de Laer, verbonden aan de St. Nicolaas vicarie in de Heijense kerk van St. Dionysius en opponent Johannes Spaenreboeck, na het overlijden van de Heijense pastoor en het patronaatsrecht te Heijen door de heren van Afferden.

Ordn. 5 Opnamenr. 0256   
Archiefomslag, Landesarchiv NRW, Staatsarchiv Münster, Gesamtarchiv von Romberg - Akten, Nr. 9423

Ordn. 5 Opnamenrs. 0257-0258
Ongedateerd, ca. 1765.        Kostenopstelling/besteck van grote reparatiekosten voor het Vrij huis Heien i.v.m. omgevallen muren, slechte muren van washuis, turf huis, peerden stal en verkens stalle waarvoor 22.000 stenen, 16 mud kalk, balken en oplegers en ribben, latten, venster- en kruisramen, nagels, 4.400 + 2.500 pannen, deurn en leien nodig zijn. Ook moeten de verschillende zolders dringend onderhoud hebben. Twee meester vaklieden hebben ze begroting opgesteld: Willem Heesen, meester leij decker en Godefridus Janse , meester timmerman.

Ordn. 5 Opnamenrs. 0259-0262
Ongedateerd, ca. 1765.        Kostenopstelling/besteck van genoemde vaklieden aangaande reparaties van het kasteel Heijen, met name het alt Casteel. Per vertrek wordt het groot-onderhoud bekeken in de Sael (kruisraam, vensters, glasramen, ijzerwerk, planken, glas, nagels); in de Blau Caemer; in de Staeff (stoof); in de Caemer boeven de Cuiken;  In de Caemer boeven de sael o.a. een Closter raem; in de Caemer boeven de blau Caemer; de Caemer boeven de Staeff; den inganck van de kelder; in den thorn nae de buite plaets; den korn solder; het leij daek op het alt Caesteel. Buiten deze materiaalkosten met nog kalk en verf komen het arbeits loon voor den leiendecker, den timmerman en den metselaer.

Ordn. 5 Opnamenrs. 0263-0265
Ongedateerd, ca. 1765.        Kostenopstelling van nootwendige Repaeraetsij / bestek voor het vrij Huis Heien angande het neij getimmer zoals een nieuwe deuir van den ingangh, stillen (stijlen) van den deuir raem, een schoorsteen die door den storm wint is af geslaegen, e.d. Begroting door Willem Heesen, meester leij decker en Godefridus Janse, meester timmerman.
-    Idem aengande de korn schuir alwaar nodig een nieuwe schuir deuir, nagels, pannen, het verven van deuren e.d.
-    Idem. Soortgelijke kosten voor reparaties aengande den peerden stal, kuits huis, koij stallen en schaps koij van kasteel Heijen.

Ordn. 5 Opnamenr. 0266
Archiefomslag, Landesarchiv NRW, Staatsarchiv Münster, Gesamtarchiv von Romberg, Inv. Nr. 4328

Ordn. 5 Opnamenr. 0267
Tekening in kleur van de (niet gerealiseerde) om- en nieuwbouw van een nieuwe kasteel Heijen, castellum Novum Haeijen.

Ordn. 5 Opnamenr. 0268
Archiefomslag, Landesarchiv NRW, Staatsarchiv Münster, Gesamtarchiv von Romberg, Haus Heijen – Akten, Karton 30.

Ordn. 5 Opnamenrs. 0269-0276
1 december 1660        Akte van Johan Deusing, schout, scholtis of Schultheis der Herrlighkeit Heiden, Johan van Langen, Jacob Bawmans  und wir sämtliche Scheffen dess gerichts alda getuigen dat voor hen verschenen zijn: Henrich Wilhelm van d’hoeve, herr zu Hoeve und Poelwick, keurvorstelijke Brandenburgse, Clevish und Märkischen Justitz- und Hoftgerichts Rath und Praesident, Drost in de Hetter des Lantz van Duffell zu Reeds und Iselburgh als gevolmachtigde van de hoogedele frauwen Agnes Margarethen gebohrener von Boenen, weduwe von Vittinghoff genant Schel, frouwe der herligkeit Heiden und zu Schellenberg en ook van de hoogwaardige kloosterheer Wilhelm Frantz von Vittinghoff gen. Schell, domheer te Münster en Paderborn, moeder en oom en derhalve voogd over Gisbert Johan von Vittinghoff genant Schell, heer te Heijen en Schellenberh, nagelaten minderjarige kind. De aanstelling als tutor honorarig. Ander genoemde personen, mede i.v.m. erfenis,  betreffen jonker Wilhelm von Til, Alter Knippinck. Elisabeth Spanrebock, jonker Lambert van Til en juffer Frans Spanrebock, een huwelijk in 1583, 5.000 daler Kleefs, e.v.

Ordn. 5 Opnamenrs. 0277
Archiefomslag, Landesarchiv NRW, Staatsarchiv Münster, Gesamtarchiv von Romberg, Haus Heijen – Akten, Nr. Karton 29.

Ordn. 5 Opnamenrs. 0278
Archiefomslag, Landesarchiv NRW, Haus Buldern, Rombergsch. Archiv (Dep.), Herrlichkeit Heijen – Akten VI, Nr. 21.

Ordn. 5 Opnamenrs. 0279-0285
1501 op de heilige Kruisdag.        Erfdeling door scheidslieden te weten Wijlhelm van Asselt, Adrian opten Berge, Henrick en Conrad Hack gebroeders , dat wij als maghe und vrijnde end gekaren gescheidtsluijde van beiden seden daartoe uitgenodigd een frijntelicke erfdeling verkregen hebben voor Henrick, Gerart, Aleijden en Katerine Spaenrebocks, broder end suister van de nalatenschap aan erve end negaleten guede, et sijn herliche guide, leenguide, erfftijns, eijgen offte erfpacht guede, lyffgewijns guede, weytde, pesse, buijsche, huijsinge, huisraeth, haeffstat, kleinoit, ingedoempt, levendige have end vast van allen ander guijde erve, rede und unrede, ruerende end onruerende, schout ende wederschout, daer Henrick Spanrebock eijn her tot Heijden ende joffer Lijsbeth sijne echter huisfraw beide zelige gedachten inne bestorven. Zo zal voornoemde Hnrick hebben en behouden die gantze herlickeit van Heyden met hoeren tobehoer, darinne niet uitgescheiden gelicke sijne zelige vader end moeder die hadden. Verder zal Henrick de bossen bij der Heze hebben, want hie in der deiling ingebracht heeft Mechtelen syner suister kynsdeell. Dit zal Henrick aan zijn broer Gerart uitreicken end van stonden ahn oevergeven dat derdendeel van der erfftals in der herlicheit van Heyden en een aantal malder roggen en vijf tijns hoender. Ook zal hij hebben en behalden de helft van de schuur, die op het Heijense kerkhof staat. Verder zal Gerart een bijdrage (1/3 deel) doen van het te betalen heergewade door Henrick bij leenverheffing. Hun zuster Aleijden, die in het klooster Daelheym leeft, zal levenslang haar aandeel verkrijgen van 7,5 gulden jaarlijks. Zuster Katrijn zal eveneens haar kinsdeell hebben en de pacht in die vaichdie. Trouwt zij buijten consent off raidt der tweer gebröder, zal Katrijn hiervan vervallen zijn.

Ordn. 5 Opnamenrs. 0286-0288
18 juni 1560.        Fragment van een briefstuk (3 pagina’s) over misverstanden en twijdracht tussen de ambtlieden te Gennep en den van (Arnden) Spainrebock tho Heijen over de nutzbarlicher gerechtigheit der herlicheit Heiden met regeling door de hertog van Kleef en een aantal bepalingen umb alle onrichtigheit tho vermijden, oick bij dewn luijden und onderdanen, des to beter eindracht, fol und gehoirsam to underhalde, die holtgewassen der hezen,visscherijen, knijnen, wranden und sunst tho mehreren nutz to brengen, verder zal de rechtspraak met name die confisltation und appellation van dem Gericht tho Heiden nergens ander dan up Calcker tu suecken und to halden tegen de geringste kosten, de hoge rechtspraak of hoeger Oevericheit und lijffstraiffen und wes deir anhengt, verblijven dair aver die Spainrebocken, als tijtliche halfheren en moet de gevangene na drie dagen overdragen aan de landvorst te Kleef, ook als deze gegrepen zijn an der Hezen tusschen Gennep und Heiden, om daar verder te worden gestraft. Belastingzaken zoals stuijren ader schattongen…. Sall die eijner helfft van der herlichkeit Heiden, na alden gebruick aan Kleef en de andere helft aan Spanrebock gaan.
Vaststelling van de aanslaghoogte zal de landvorst in Kleef doen. Stukken heide mogen niet ter cultivering uitgegeven door door Spanrebock sunder furweten und bewilligungh mijns gnedige heren in Kleef. De drie illegaal gebouwde keuterijen of kotten, namelijk van Petern van Kuijck, Peteren die Rademecker en Meliss die Wever zullen nu door de vingers worden gezien.
Het land up der Maesen, die Papielier genant, en destijds aan de kerk gegeven om daarmee de froemyssen (vroegmis) te bekosten, als tevens der Viacriengueder und renthen van Sente Claiss altair blijven, zolang daar een geestelijke aan verbonden is.
Spanrebock zal voortaan gein torff in de Genneper Vennen steken noch anderen dat toestaan.
Dat oick die Schepen tho Heiden van wegen mijns gnedige heren, woe van alders herbracht, sijner fürstliche Genädie Schultiss an und affseiten. De andere schout, die door Spanrebock aangesteld wordt, zal steeds een swijgender Schultiss zijn, die naast unsers gnedigen heren spreickunden Schultiss bij sijtten und doch durch sijn f. G, Schultiss die Execution und Pendongh geschien soll.
Die Wedden und geltbroicken (boetes) als ook cijnsen, nijelantsche und andere Thienden, söllen oick half und half gedeilt werdenn. Voor verplichte hand- en spandiensten voor de landvorst als voor den Spainrebocken kunnen zij eijnmaill in iederer weicken gevorderd worden.
Die Canijne der Wranden in Heijen gelegen, sullen durch mijns g.h. ader des Amptmans garn und fretten gefangen und iderer tijt halff bij dem Amptman blijven und der ander helff den Spainrebocken werden togestalt. Op verzoek van de Spanrebocken kann de ambtman ook toestaan dat er gefrettiert wordt door fretten in de holen te drijven. De visvangst blijft ook half/half gedeeld worden.
Om nieuw onenigheid over het houtgewas in der alden und nijen Hezen te vermijden. (dan houdt de tekst plotseling op!)

Ordn. 5 Opnamenrs. 0289-0290
21 mei 1677        Half notitieblaadje, ondertekend getrewe dienerine C.E. Swandbell, over blumenwaser en Buldern. Samenhang is heel onduidelijk.   

Ordn. 5 Opnamenr. 0291
21 mei 1677        Omslag-opschrift van het verdrag van 1560, waarover in bovenstaande omschijving met „Opnamenrs. 0286-0288“ sprake is en waarvan in 1585 een afschrift gemaakt is.

Ordn. 5 Opnamenrs. 0292-0298
18 juni 1560        Brief van ick, Arndt Spanrebock to Heijden, betüige und bekenne apentlick hirmit, nachdem ich tegens mijn genadige landvorst, heer Wijlhelmen, hertog van Cleve, Gulick en Berge en grave to den Marck und Ravensbergh, herre to Ravenstein, enz. in opstand ben gekomen en als gevolg daarvan een tijd gevangen heb gezeten en aver up underdenich fürbitten is vrijgelaten, met goedkeurig van de Kleefse ridderschap en steden. Als gevolg van zijn optreden hebben Arnt en zijn erfgenamen daardoor een aantal privileges verloren en nieuwe verplichtingen (puncten und articulen) opgelegd gekregen en freiwillich geloifft om zich voortaan als einen gehoirsamen underdanen te gedragen. Deze belofte doet Arnt met zijn lijffliken Eidt … to Gott undt sijnen hilligen Evangelien en niemand zal hij meer verwonden of met de dood bedreigen. Tot zekerheid en borg stellen zich: Wijlhelm van Schewich, Rütger van Stepraide en Peter van Berringen tegen een boete ter hoogte van 2.000 goudgulden.

Ordn. 5 Opnamenrs. 0299-0304
17 juni 1560        Punten wegens misverstandt und twidragt tussen den Ambtleuhe tho Genp, aangesteld door de hertog van Kleef, en den van Spanrebock tho Heyden wegens de nutzbarliche gerechtigkeit der herlicheit Heyden is er onrust ontstaan bij de luyden und underdanen over die holtgewassen, vischerien, knijnen wranden und sunst.
Genoemd worden het voortaan in hoger beroep gaan van Heijen in Kalker in plaats van te Gennep, nieuwe regelingen aangaande het vastnemen van gevangenen en uit te voeren lyfstraffen met betrekking tot Spanrebock als halfheer te Heijen, het opleggen van belasting met de helft van de opbrengst voor de Heijense heer, beperking van rechten bij het verlenen van woningbouw op in cultuur uit te geven heide, ter verpachting uitgeven van landerijen en weilanden met medeinkomsten voor de kerk,  het al dan niet gerechtigd zijn turf te steken in de Genneper Venne, het aanstellen van een scholtis of schout en schepenen, de hoogte van de wedden en geldboetes, de jacht met fretten, de visrechten in de Maas met de halve verdeling van de opbrengst voor de Heijense heer,  het kappen van hout op de Alde und Nieu Hezen. Genoemde afspraken zijn ondertekend door Arnt Spaenrebuck en Johan Spanrebock.

Ordn. 5 Opnamenr. 0305
6 april 1577        Kopie van een bekentenis ondertekend door het echtpaar Henrick van Eickel, heer zu Heijen, en Elisabeth Spanrebock (na de dood van de Heijense heer Arnt Spanrebock) inzake 200 Rijder gulden ad vier und zwentzich stuffer Brabants,welke bedrag in twee jaartermijnen betaald zal gaan worden. De akte is mede getekend door de Heijense koster, geheten Veltum.

Ordn. 5 Opnamenr. 0306
25 januari 1585     Johan Spannerbock heeft via testament en met goedvinden van zijn echtgenote Elijsabeth van Delft 100 daler vermaakt     voor de zielerust en wel Ziele Godt Almachtich in de kerk van Appeltern ende sin lijcham der geweijde arden. Johan is seins broders natuerlicke soen Hanrick tho Heijen. Dit bedrag zullen seine vrunden nha doijt seiner huisfrouwen utreicken. Voor akkoord tekent Jacobus Fleinnen/Heinnen, pastor in Appelteren en Balthasar Neijkercken genannt Nijvenheijm, Johan van den Borucht.

Ordn. 5 Opnamenrs. 0307-0309
6 april 1577     Kopie van een obligatiebrief ten name van het echtpaar Henrich van Eijchels en Elisabeth Spannerbuchs/Spaenrebock over 200 Ridders gülden, elke ryder ter waarde van 24 stuiver Brabants, rustende op het goed Sprinckhovell, na het overlijden van Arnt Spaenerbocks, heer van Heijen, ingevolge huwelijksvoorwaarden en te betalen in een of twee termijnen.

Ordn. 5 Opnamenrs. 0310-0319
13 januari 1578     Kopie huwelijkscondities Henrich van Eijkel en Elisabeth Spanrebock, oudste dochter van de overleden Arnt Spanrebock, heer te Heijen, en Galandt van Mewerde. Elisabeth zal 6.000 goudgulden inbrengen. De broederlijke deling en mageschiedt heeft plaats tussen Dietrichen, Joesten, Henrichen en Gerharten von Eijkell i.v.m. hun goederen te Krange en zu dem Hamme (aan de Niers). Elisabeth krijgt dass Hauss und Herlichkeit Heijen met alle toebehoor. Diverse details worden nader in het contract uitgewerkt.

Ordn. 5 Opnamenrs. 0320-0321
19 januari 1580         Bericht in de vorm van een Landtages brieff aan Johan van Spaenrebock te Altforst van Johan, graaf te Nassow, Catzenelnbogen etc., stadhouder van Gelre over de geplande reis vanAntwerpen naar de Gelderse Landtschap vergadering vanwege des Vaiderlantz wolfart (welvaart) met de aenwesenden Bannerheren, Rytterschappen und Stede, Frunden en te besluiten met een goede und heilsamen resolutien.

Ordn. 5 Opnamenrs. 0322-0323
3 april 1580         Bericht over de Landdag te Arnhem.

Ordn. 5 Opnamenrs. 0324-0328
6 sept. 1580         Voor de schepenen van Venlo, Gerardt van Loenn en Herman die Laet Corneliszoon verscheen  om vier uur `s-middags in het klooster In der weydennn binnen der Stadt Venlo Gertrudt Spanrebock, weduwe vann Oeyen/Oyhen, en de kloosterpater Niclas Bruyn. Gertrudt was swaick van Licham, doch alnoch van gueden vernunfft und verstande. Zij verklaart in de voorbije maand augustus voor de waarde heer Alhardt Michiels, pastoor te Heijen, ende koster Henrick Spanrebocke een testament te hebben gemaakt. Bij het maken van het testament in de morgen van de 5e augustus waren ook enkele getuigen geweest: Johan Michiels en Dierich Bruynen en de Gennepse secretaris Peters van Beeck. Jaarlijks zal Lambert aen gen Hovell tho Ottersum uit haar bezit krijgen vier malder roggen, welke last met 100 daler af te komen is. Haar zuster zal jaarlijks renten en pachten krijgen zoals derdenhalve Philipz gulden krijgen, die Gertrudt jaarlijks toekomen uit bezit to Boeghen (Beugen). Dat geldt ook voor 9 Philipz gulden uit Vierlingsbeek; vijffdehalff (let wel is 4½ !!) malder gersten aan Thyss Ebben te Heijen. Aan de nagelaten broer van Gertrudt, Johan Spanrebock,  zullen de nagelaten goederen van haar komen, so gerede offt erff guederen. De twee dienstbodes of tween maigden, Aelken ind Jenniken, zullen ieder een malder rogge krijgen en iederen thien daler, twe par slaplakens en enig doek, waarbij Aelken extra nog een degalichsche rock krijgt mit dat cleynste bedde. Zuster Agnesen, matersche in der Weyde, zal die vette koeij mit noch drie nader koyen en nog twee schapen krijgen met vier malder roggen, sieven stucken specks. De broer en suster van Gertrudt: Johan en Agnes Spanrebock zullen er verder voor zorgen dat de matersche 20 geheven daler gegeven worden.

Ordn. 5 Opnamenrs. 0329-0330
4 april 1580             Brief van de burgemeester, raad en schepenen van de stad Nijmegen, op bevel geschreven van Johan, graaf van Nassau, stadhouder aan Johan, heer van Heijen, tot bijwonen van een landdag met de bannerheren, ridderschap van het kwartier van Nijmegen.

Ordn. 5 Opnamenrs. 0331-0332
Ongedateerd.            Genealogische opstelling (onbetrouwbaar?) van het oude graafschap Gennep, waaruit voortgekomen de geslachten van de heren van Batenburg, Spannerbock, Meeckeren, aanvangend met Wilhelmus Comes de Geneppa gehuwd met Agnes van (de) Marck = Agnetam Marcanam, waaruit
A)    Wilhelmus, Comes de Gennepa duxit Aleidam, filiam Johannis comitis de Moers ex Maria de Limburg en
B)    Gerhartdus de Genneppa, dominus de Spannerbock ex Heijen, duxit Annam baronissam de Anholt.

Ordn. 5 Opnamenrs. 0333-0335
1340 – 1677    Notities over de opvolgende Heren van Heijen, in 1671 (en vervolgd in 1677) overgeschreven uit een alte verleit zedell, met als eerste beginnend met Henrick Schardenberch, opgevolgd door zoon Issbrandt Schardenberch, die huwde met Mechtell von Doijenburgh, waaruit drie dochters. Daaruit is gekomen Henrick Spanernbock, enzovoorts tot de overgang naar de familie Von Vittinghoff genant Schell.

Ordn. 5 Opnamenrs. 0336-0337
28 december 1580        Belangende den waltgreiff Staill. Brief, ondertekend door het echtpaar Hendrik van Eijckell zu Heydenn undt Elisabeth Spannerbock, over hun lieber Oehm und Swaiger Steffen Staell van Holtstein, waltgreft tho Neergenae i.v.m.  een obligatie van 250 daler à 30 stuiver Brabants.

Ordn. 5 Opnamenr. 0338-0344
28 december 1583        Huwelijksbrief tussen Lambrecht van Thijll (Till / Tilles) in Grieterbusch en juffer Franck van Spanrebuck (ondertekend met Spaenreboeck) , dochter van de gestorven Arnold Spanrebock, heer te Heijen, en vrouw Galant van Meverden. Lambrecht zal inbrengen dass geseess in Grieterbusch met alle toebehoor, wie dass van alders gelegen en gekregen van zijn overleden ouders Wijlhelm van Thijll en juffer Anna van Randwick, leengoed van de hertog van Kleef. Verder bracht hij in het huwelijk alle andere Erb, erfpacht en lijfgewinsgoederen als bij aufgerichten Magescheijt zugedeijlt (erfdeling) was. Zijn bruid Franck krijgt thausent tahler als morgengabe. Vanuit het ouderlijk huis te Heijen brengt Franck in: 4.000 daler, toegestaan door haar stiefvader Altert Knippinck en welk geld gangbaar is binnen Goch en Gennep en bij overlijden erfelijk in de familie Van Thijl zal blijven. Kinderen uit dit huwelijk zullen godsvruchtig worden opvoeden en ook worden regelen getroffen bij kindersterfte en eerder overlijden van de moeder of de vader. Huwelijksgetuigen namens de bruidegom: Floris van Randwijck, Elbert van Hertefelt thum Kolcl en namens de bruid: Johan van Spanrebuck zu Altforst, Elter Knippinck zu Heijen en uit naam van haar moeder Dederich van Schewick zu Driesberg en Lijffert van Berijngen.

Ordn. 5 Opnamenr. 0345-0348
20 augustus 1585        Na het verdrag tussen de hertog van Kleef en wijlen Arndten Spaenrebock, ein hern tho Heiden in 1560 zijn toch weer moeilijkheden onstaan over de hoogte van de belastingheffing en de pachtsommen onder de Heijense onderdanen en de houding ingevolge geboden en verboden tegenover de Gerichtspersonen. Er wordt in Kleef op de kanselarij over de problematiek een samenvatting gemaakt.

Ordn. 5 Opnamenr. 0349-0350
1 augustus 1589        Document handelend over Alter Knippinck en zijn echtgenote Elysabeth Spannerboick genant Knippinck betreffende een lening van Heinrich Catz ter grootte van 500 gulden Brabants, waarbij ook zus Francisca van Spannerboick betrokken is.

Ordn. 6 Opnamenrs. 0351-0352
7 februari 1611        Schrijven over Nicht en Zwager over rente zu Beeck (Vierlingsbeek  / hundert gulden te Groeningen en hundert gulden ahm Hause zu Heijen) wegens overleden oom Johan van Spanerbock (van Wienhorst mit der Randenhoeff) en zijn erfenisdeel. Blijkbaar zijn er problemen gerezen, want men schrijft over der schelm der Custer.

Ordn. 6 Opnamenrs. 0353-0355
28 augustus  (of februari) 1611        Brief aan Elisabeth van Spanerbock, gehuwd geweest met Alter Knippink, te Heijen, over een wettig huwelijk met voorwaarden tussen Albert, naturliken soen van Johan Spaenreboick en de erbare Siken Jans van Eick over een bedrag van eyn hondert Karolus gulden, die the Virlinxbeeck ten ontfangen liggen und noch hondert Philippus gulden, den gulden ad XXV stuver voortkomend uit rente van de heer van Boxmeer vanwege den hoff the Boegen (Beugen). De Philippus gulden aan Arnt Spaenreboick, heer the Heijen, zijn ingevolge een magescheits (erfdeling) tussen voornoemde Arnt en Jan Spaenreboick, gebroeders. Daarbij horen tevens  twee erfmalder roggen uit pacht, die Jan Spaenreboick binnen Vierlingsbeek ontvangt uit een onderpand, dat Jan der Creemer in gebruik heeft. Ook zullen zij twee mergen land en een grote wei gebruiken met rente, die Siken Jans heeft onder Maasbommel en pachten in de heerlijkheid Batenburg

Ordn. 6 Opnamenr. 0356
Archiefomslag, Landesarchiv NRW, Haus Buldern, Rombergsch. Archiv (Dep.), Haus Heijen – Akten 11

Ordn. 6 Opnamenrs. 0357-0358
7 april 1545        Voor Gairdt Drijssen en Alert Byrman, schepenen (te Heijen) en de gesetenen Richters van beider herrn wegen (Kleef & Heijen) zijn verschenen Goessen Ebben en Naijll sin eheliche huijsfrow. Zij bevestigen de verkoop aan hun broeder Johan Ebben und Peterken syn huijsfrow en erven van een weiland by die Mehr gelegen, genandt den Merpass, dat aan een zijde grensde aan het Sijnter Claijss altairs lant. Verder horen bij de verkoop een weiland en een stuk bouwland, dat met een kant aan het pastorijen landt te Heijen en jueffer Haicken lant grenst. Tenslotte nog een stuk bouwland, dat met een zijde aansluit op het Marten Wijnantz landt en met een einde reikt aan het landstuk van Arndt Spannerbrocks, eins herre tot Heyen. De kooppenningen zijn tot tevredenheid betaald.

Ordn. 6 Opnamenrs. 0358-0359
5 december 1549        Aflossingsbrief. Voor Roleff Vermaesen en Johan Rutten en de andere schepenen van Heijen en de twee richters staan Frans Mans en zijn vrouw Sophia met haar momber (voogd) en zij bekennen dat Jan Ebben en Peterken, zijn echtgenote, een aflossing mogen doen aver die dardenhalven Rider gulden en de jaarlijkse erfelijk te betalen rente op Sinterklaas dag met sestien inckell Joachim daler of in zilveren munten.

Ordn. 6 Opnamenrs. 0359-0360
1 juni 1548            Brief, waarboven geschreven staat Jan Ebben. Voor Roleff Ver
7 april 1545        Voor Roleff Vermaesen en Arndt van Hasselt van de Heijense schepenbank en de twee richters is Mechtelt Rixkens met dochters Rixken en Jan (Jenneken) verschenen en zij verklaren aan Jan Ebben en echtgenote Peterken twee stukken land te hebben overgedaan en opgedragen, dat aan de Spannerbocks landstukken grenst.

Ordn. 6 Opnamenrs. 0360-0362
10 maart 1553        Voor de Heijense schepenen Roleff Vermaessen en Seger Beltgens en voor unse gesetenen Richters van beider Herre wegen zijn in den gericht verschenen de weduwe Peterken Lueffs en oeren momber (voogd), die verklaart ewelick und erfflich aan haar dochter Elssken Lueffss, voor verdiend loon en verleende getrouwen dienst, haar huis met hof over te dragen, waarin Peterken woont. Daarbij horen ook de gereiden guederen en een weikamp aen den Merpass, dat aan het Vicarien landt ligt en met een einde beneven dat Hollandt en aen der Maessen, als ook een schuld, als oer moeder voir orren doitt schuldich bleef. Verder zal Elsken alles ther gelichter deylungh met haar broer Derricken.

Ordn. 6 Opnamenrs. 0362-0363
19 september 1561        Voor de Heijense schepenen Herman Rulen en Johan Michels en de overige schepenen en de gezeten Richter zijn verschenen Eijbbe Seger Beltgens sohen und Berdtgen sein eheliche huijssfraw met haar momber, voort Derrick Beltgens der Brueder. Zij schrijven 5 Hornse guldens of de waarde ervan als jaarlijkse renten toe aan Jorrien Henrick Driessen zoon, als vader en voogd over zijn voorkinderen Ulendt en Hyllekens, gezusters en hun voorkinderen. De betaling ervan zal elk jaar op St. Maarten, 11 november, dienen te geschieden, voortkomend uit den ganssen alingen Erff und guedt, ruerend und unruerend, zoals Ebb met zijn huisvrouw in het gericht Heijen liggende hebben en welke goederen van hun overleden vader Seger Beltgens angeërfft ijss. Deze jaarlijkse schuldenlast kan afgelost worden met ein hondert inckell Horns gulden, iedere gulden ter waarde van 12 stuiver Brabants.

Ordn. 6 Opnamenrs. 0363-0364
25 april 1583        Voornoemde vijf Hornse gulden jaarlijkse rente, sprechende up Eb Segers off Bultgens Banta (?) sein huijsfrow und Derich Bultgens zijn afgelost en van een betalingskwitantie voorzien. De aflossing geschiedt door Gaerdt, Gerritt, Jan, Trijn en Peter, nagelaten kinderen van zaliger Jan Campus en Jenneken met 50 Rijder, de rijder à24 stuver.

Ordn. 6 Opnamenrs. 0364-0365.
Ca. 1580        De gemeenschappelijke schepenen van Heijen getuigen dat voor hun gezeten richter het echtpaar Derrick Lijnssen en zijn echtgenote in het gericht gekomen zijn i.v.m. een zogeheten Erffbuetinge, waarmee zij blijkbaar een hoeve mogen overgeven waaraan Spannerbock verbonden is, die hen met recht daarvan verdringen mag en aan wie zij gehoorzaamheid verschuldigd zijn.

Ordn. 6 Opnamenrs. 0365-0366
1 juni 1548        Voor de richter en enkele met naam genoemde Heijense schepenen te weten Roleff Vermaessen en Arndt van Haselt verschenen de weduwe Mechtelt Rijckens met haar dochter en Jan Tzesuesteren (?). Zij dragen aan Jan Ebben en Peterken zijn voirfrouwe en orren erven twe stucken lantz over. Een stuk grenst beneden aan Spannerbrocks Erve, nabij Jan Lijnsen papelier. Het ander stuk ligt bij den Oirtzberch en het erf van Peter van Beringen.

Ordn. 6 Opnamenrs. 0366-0369
Circa 1560    Etliche verteickenungh der Rechten so binnen Gennep und Heijden gehalden werden. De notities geven de regels weer hoe gehandeld moet worden indien een pachter offte schuldener zijn verplichtingen over het gepacht erf, land, goederen e.d. aan pachtschuld  niet nakomt. Via allerlei dwangmaatregelen zoals verhalen op aangegane onderpanden, uitzetting en uiteindelijk lijfstraffen (peijndinge) wordt een proces in werking gesteld, zoals dat in de stadsrechten van Gennep vastligt. Daarbij worden diverse termijnen (zoals drie sonnenschijnen, 14 daegen, e.d.) gehanteerd, die uit de rechterlijke voortgang volgen voor scholtis, schepenen, gerichtsbode, e.d. Alles moet in gezegelde schepenoorkonden worden vastgelegd. Het onderpand wordt aangesproken en door iemand anders vervangen en ook wordt een soort deurslot of den rinck van der dhueren gehaald. Zowel de scholtis, de schepenen als de schrijver zullen voor hun bemoeienis en werk na rato beloond worden in de levering van zekere hoeveelheden wijn.

Ordn. 6 Opnamenrs. 0369-0375.
December 1557 – februari 1558        Der heren Rheden (Kleefse raad) protestation gegeven dem heren zu Heyden eines gefangen halven.
Nadat Arnt Spanrebroick in de vergangen maent novembris 1557 fouten gemaakt heeft bij de arrestatie van een zekere Beltgen in dit gericht tho Heijden, ontstaat veel commotie en wordt vorst Willem, hertog te Kleef, Gulick en Bergh, graaf to der Marck unnd Ravensbergh, heer tho Ravenstein schriftelijk daarover geïnformeerd. Beltgen heeft kennelijk ettlicher schaep gestolen. De gevangene was zwaar gestraft en verbannen door de heer van Heijen en die was daarbij met unvernünfft tewerk gegaan en had zijn bevoegdheid overschreden. Zo had hij zijn landsheer, de hertog van Kleef, en de heer van Gennep gepasseerd en in het geheel niet betrokken. Hij had de gevangene van rechtswege moeten overdragen aan Kleef zoals sijne vorsaten (van Spanrebock) dat voorheen meher tijden gedhain hadden. Arndt Spanreboick maakt geen uitzondering en ook hij heeft zich als Kleefs underdain te bedragen. De hertog van Kleef ziet zijn gerecht als ein pijnlick halsgericht in einer Criminaill oder Capitaill zaak, waarover hij keizerlijke en koninklijke brieven heeft van het Heilig Roomse Rijk, als ook beleningen.

Ordn. 6 Opnamenrs. 0375-0380.
2 oktober 1536      Van diensten der undersaeten im fürstendumb Cleve.
Allereerst bevestigt Johan, hertog van Kleef etc., dat unse gemeine undersaeten und huijsluuden unsers Chur Fürstendombs Cleve ongewontlichen und meher, ongewone en meerdere diensten, voor hun heer verplicht zijn, zoals voorgaande hertogen van Kleef van oudsher als landvorsten, de hertog Adolf en Jan van hun onderdanen genieten. Het is daarom goed deze condities en navolgender gemeine ordongen te vernijen und uprichten laeten.
Item mach die Richter tot mijns gnedigee herre ende seiner erven widder seggen bidden und die huijsluide moegent dhoen off sie willen, dat itlicher ploich den Richter eins in dem jare einen halven dach bouwen off vurre dhoe binnen den kerspell, daer die huijsman whoennett und die koiter dessgelichen einen halven dach tho arbeiden.
Item moegen des Gerichtsbaden unde oick die ghoene so wagenboden ampter hebben tot den Gerichtsbod ampt bidden des bouwens solche gerinen van karn up ten velde als our vorvharen van altist tho hebben plegen mer verschr. Daerup gehoegt ijs, sall afgestalt wesen, want mein her nitt en will die boendtampten hoegen uitgedanen werden sollen, den die vom altz tho gelden plegen und ditt sall staen tot mijns heren widderseggen, und wher nit gewoontlich en yss gerven thoe geven, daer mach die Boedt elcken ploech bidden als vorschr. steit, von den Richteren, eins in den jaer einem halven dach tho bouwen oof vuere tho dhoen, binnen den kerspell daer die huijssman whoent, und ie kaeter desgeliechen einen halven dach to arbeiden.
Item mach die Waegenboid die umbtrint Cleve wagenboid ijss, desselvigen gelicks van ilcken ploech bidden des jaers eine selven dach the bouwen aff vuer tho doin gelick verschreven steit in seinen bedrieve und die wagenbadem tho Calkher und to Udem moegen desgeliken dhoen.
Item hierenboven sollen noch die Richter noch boiden von den undersaeten niet nischen,bidden, noch nhemen dienst, korn, gelt, noch geltz wherde, und dit sall ilcker Richter und Baedt then heijligen swheren, beheltlichen den selvigen von updrachten, peindongen, gebodingen, besettingen und anderen Gerichtz saken als von alts gerichts recht is.
Vernher wirden wij verstaen, dat die huijsleude unseren Amptleuden (domini) sij oerers Ampts undersaeten, des tho williger und flijtiger tot geboerlichen bescheidt verhelpen in einen gantzen jaer, zweimaill eins bij grass und eins bij stroe tho dhienen plegen, is unse meinongh unnd bevelh, dat unse Amptleude daer en boven wijders geine diensten von sollen in einigerleij wijse, dat oick unse Amptleude tot ungelegenen tijden, die huijsleude derhalven van gelegenheit tho verschoenen hebben sollen, doch vorbehalden unss und unsere borgen und frühere nottürftiges und geboirliches dienstes.
Item sollen die si tot unseren huijsdeinst tot Cleve, und in unseren woingen, baeden ampten, als nementlich umbtrent Cleve, Calker,Udem und Sonsbeck gehoerich (umb den tho beter tho achterfolgen, und der geboer von waer tho nhemen) mit den tween diensten des jaers unseren Amptleuden tho doin verthoent und verfordert blyven.
Item sollen unse Amptleude, Richters, Boiden, Wagenboiden und ander boiden by sich selffs nijmantz verweijen, noch uit sonderen, noch oich gein gelt nhemen, und die buede up andere leggen sonder die gelick umbgaen laeten, wie sich gebuert.
Dergliechen sollen unse Amptleude, Richter und Baeden, oick in den gemeijnen unsen wijld in Wolffs jachten acht hebben, dat nijmantz frij gehalden, dann naeber bij naeber geboidet und daerbij gefordert werde.
Und hierboven willen wij dat unse underdaenen und huijsleude mit einigen vorderen diensten von unseren Amptleuden, Richteren, Baeden und onderbaeden, bij verluijss unser Ampter oeres belielfs und up onser hoichster straiff und ongnaid, verner nitt beschweirdt werden sollen und os eijniger von unsen underthaenen und huijsleuden dairto oick verner gehoir geven, und dat doin wurde, die sollen vurscr. alss doin, so duck und vaick datselvige geschege in einer peenen von vijff alde schilde verfallen wesen.
Wilchs wij U allen und iederen sampt und besonder (daermit sich onwetenheit halven, nijemantz tho entschuldigen heb) gnediger meynongh nitt verhalden willen, allett  solangh uns dat geliefft und wij daerinne andere versielungh doin wurden. Urkundt unsere hierup gedruckten Secret Siegels. Gegeven to Hamboch, den tweden dach des Maentz Ocotber Anno (15)XXXVI.

Ordn. 6 Opnamenrs. 0380-0382.
16 juni 1570      Willem Boens
Wij Herman Peellen und Jan Michels, schepen tho Heijen, en de gemene schepenen daar maken in deze open brief bekend, dat Peter Driessen met zijn echtgenote, voor de gezeten Richter van beider Herre wegen gekomen zijn. Zij hebben frijemoedich und upsettelick voor hun zelf en allen oeren Erven mit handt, halm und mondt drie stukken land overgegeven aan Wilhem Boens, zijn huisvrouw Leen en hun erven.

Ordn. 6 Opnamenrs. 0382-0385.
16 januari 1572      Michell Reinners
Wij Herman Peellen und Jan Michels, schepen tho Heijen, en de gemene schepenen daar maken bekend, dat voor Derrick van Hillensbergh en Wolter Spaenerbock als Scholtissen van beijder Herre wegen, in eigen persoon de Erentfester und frommer Arndt Spannerbock ein Her tot Heijen, und Jueffer Galandt van Meverdt zijn echtgenote verschenen is i.v.m. een verkoop van vier malder goeden klaerer droegen sueten Rogh met daarbij twe Cappuijn aan Michell Reinners en zijn vrouw Ienneken.  Zij ontvingen voortaan deze jaarlijkse pachtbetaling, die Spannerbock uit de zogeheten Torckschen pacht geldende was. Er wordt een onderpand tot zekerheid gesteld.

Ordn. 6 Opnamenrs. 0386-0388.
16 december 1584      Thiess van Haesselt belangende die halffscheidt einer behuijsungh binnen Genp gelegen.
Wij Hohan Lesier en Rhenmett van den Kamp schepenen en de gemeine schepenen tho Gennep getuigen dat voor unsen Scholtis Otten Ruijter in eigen persoon verschenen is: Henricj Garerdts met Liesbeth zijn vrouw. Zij verklaren die achter helfschap einer alijnger behuijsungh, gelegen in den Pottenhoeck … mitt oick ein lein huijssken und ein Endt hoeffs verkocht te hebben aan Thies van Hasell en zijn vrouw Jutt

Ordn. 6 Opnamenrs. 0388-0390.
13 augustus 1526    Beleidungh tusschen die herlicheitt Heijden und Boxmer, so Anno 1526 den 13en dach Augusti bescheen.
Wij gemein Schepen tot Heijen teugen dat in den jaeren uns Heren duijsenth, vijffhondert und sess unnd twijntich, den dartienden dach in den Oest, wij semptlich mitt unsen gemeinen naebueren von Heijen,dartoe uitgebadt seinde von beide uns heren wegen ein beleijdungh tho dhoen tusschen die herlicheit van Heijen, ende die herlicheitt van Mehr nemptlich aen ein stuck lantz dat Jonckher derrick Schenck ende Jonckher Jan Schenck, sein Broeder beide Herre van Aefferden gewest to gebruicken plegen, liggende tegen die Steijll over, aen den einde dat nair Heijen schijtt. Ende wij sein daer semptlich up uns Eidt gemaent dat ein iegenlick daer die waerheitt solden seggen, wess hem daeraff kondich where, soe hebben wij schepen vorgen. mitten gemeinen naebueren geteucht ende up unss Eidt gehalden, dat unsen gein yverreltt gewerten (?), off gehaerett hebben, dat dat vorighe stuck lantz forder gebovett off gebruicktt ijss gewest van ijmandt andersdan van unss gemein naebuerendom tot einem kleffken toe, dat men in den wiich sehen mach, ende so wordt op Lemmen huijss van der Steijlen. Ende dat dijtt einde tho
Opname 0390
Heijen wardt nue binnen drie jaeren ijss aen dat vorge(schreven) stuck geboudt, ende angeerft, alle jaeren voort forder ende forder. Ende hebben oick sommige getuecht ende gesacht, dat sie van oeren voralders verstaen ende gehoerdt hebben ende oick van den hger van Heijden nu kortz verstorven, dat daer einen steen vortitz plege tho liggen aen dat selve kleffken, die die herlicheiden scheiden, hebben oick sommige getuecht ende gesacht, dat hoen kondich wehre ende gedecht, dat die Maese ein grot stuck wegs der herlicheitt van heijen benhommen ende affgedreven hedde bij oeren gedencken, behalven dat vor oere tijtt aefgeloepen where, dat Sie teugden dat bekantz ther halver Maesen toe nu wesen solde, want daer sommige landt hebben gehadt, beneden den Monniken inhaben, tuschen dit vorschr(even) stuck lantz und die alde Benck, daer nue die wech hingaett langs die Maese.

Ordn. 6 Opnamenr. 0391/0392
5 juni 1545        Beleidongh up Fridaich den vijfften Junij Anno (XVc) XLV
Item den gemeinen veldt und Leijgraiff is bekent durch Arndt Spannerbrock, ein heer to Heijden, und den Scholtis van wegen unss gnedigen herren.
Bewijss der Schepen wat einer up der beleijdongh broicktt.
Item die schepen wiesen vor recht dat wannher die beleijdongh geroepen iss in der kercken, unnd die gener, die dan in broecken fallen, sollen broicken ein pont ten where dann saeck, die herrn bewijsen konden, dat oren meher togewesen sij mitt recht, solchs nu willen Sie nitt hoegen off legen.
Item als einer eidt uitt dem befairtt (?) grijtt sall staen tot genaedt des herre:
Item ein gemeinen Herr straitt sall wijdt sein achtien voett.
Item einen gemeinen wegh sestien voett.

Ordn. 6 Opnamenr. 0392
14 april 1614    
Anno 1614 den 14 April iss van den fürstlichen Heeren Rath ein beleijdinge mit den Amptman van Genep, Burgermeister, Schepenen ende Rath in bywesen de Wol edelen Alter Knippinck, heer tho Heijen ein beleidungh oft besichtighung gehalden tussen die van Gennep ende Geneperloe ende der Herlicheit Heijen mit ock die semptliche schepenen ende gemein naberen derselver herlicheit und iss dese beleijdungh geschiet van Raijmakers van der Masen op einen Essenboem int an den vorscr. Camps ahn heij op doer die Dormans hey op den Bergh daer die slinck naest Heijen is ende van daer op einen Bergh geheten den Keldehrbergh ende van die Bergh op den Koepelbergh, daer den wech hir over gaet tot op dat IJshovelse felt over den Hessener (Hassumerweg?) wech, ein klein berchsken tegn dat Nijerssche felt gelegen bij Hommersum, geheeten den Vosshoeffel ende aldaer die heeren van Cleeff ende die van Gene pende den Heer van Heijen mit die scheepen ende nabaeren  gescheijen ende ein yeder na gekoyen (?). Actum ut supra … doemael gehort dat vermaent tworde hier scheijen drie herlicheiden to weten Gennep, ….. ende die herlicheit Heijen.
Ondertekend: Adolph Veltum, notaris. 

Ordn. 6 Opnamenr. 0393-0395
Extractum uit den Heijdenschen Prothocollen:

** 9 mai 1550.    Item der Scholtis gesint an den Schepen tho Heijden, wat die schepen tho Heijden, wat die schepers gebruickt sollen hebben, die up dat hoichveldt oer schaep gehuedt hebben unnd voor recht beschuldigt sein.
    URDELL
Daerop die schepenen vor recht wiesen, dat dieselve so daerover befunden sein, gebruickt hebben ein pondt nemptlich    VII stuver.
    Item seggen die Schepen off die heer ader scholtis imandt up die Heess gefunden, und solchs ime overtuegen kann, sall die Scholtis van beiden heren, die brouck daervan nhemmen.

    ** 7 febr. 1550 Anno L hebben die schepen up gesinen der partijen nae gedhomnen vitspraken ordell wievill geltz die partijen inleggen sollen und wievill tijts Sie hebben sollen naefolgende erklerungh gedhan.
Die Schepen wiesen vor recht, dat voir oer banck recht und gewoenheitt ein Ider parthie inleggen sollen, twe goltgu(lden) binnen vertien dagen nae Datum dieses, daer to sollen beide parthien genochsam burgen stellen, dat Gericht frij vitt und in to fhueren, onbelett und onbestoert.
Hieruo hebben die partijen dhamals ingewilligt van beiden sijden, dat Sie dat gelt totter hoefftvaert inleggen sollen binnen sess weken und is innen vergunt gerichtlich.

    ** Anno LIII (1553) den II dach Junij als die bueten geerffden mitt den van Heijen Irr gesatten Schattunghen niet betalen wolden und derwegen ahn rechten erwassen (?), ist diese van folgen de Sententie daerin ergangen und uitgespraken.
    Wij schepen wijsen vor recht van amsprack und antwordt, nae kondt und kondtschappen, so sich die van Gennep als nemptlich Melis van der Lijnden verninten (?) hefft. In der herrlicheitt van Heijen gefrijet soldt sein, dieselvige frijheitt nitt bewesen den Rechten genochsam. So wijsen wij vor recht dat alle die ghene die in der herlicheitt vorgen(ant) güederen liggen hebben, sollen mitt den undersaeten der herlicheitt Heijden schattijngh geven ein Ider nae seinem guedt.

Ordn. 6 Opnamenr. 0395-039..

Ordn. 6 Opnamenr. 0395
19 october 1565.
Anno 1565, den 19e Octobrij, als widderumb die Schepers nae gedhaenen kercken verbot ire schapen op ten velden gaen laeten und gefuedet hebben die schepen erklert op anhalden des Scholtis.
Die schepen seggen, dat Sie blieven bij dem fondenis als oer vorsaeten gewesen hebben in Anno (15) vijfftich, nemblich, dat ein ieder darvan gebruickt sall hebben ein pondt to weten:    VII lb

Ordn. 6 Opnamenr. 0396
27 november 1562.
Etliche kundtschappen belangende einem wegh.
Schepen Henrick Schonnip (?) unnd Thoenis Baix den 27e November Anno LXII (1662).
    Item Jan Krouwers off van den Staij tho Sambeck hefft laeten gedaigen ter konden mitt recht voer hier nabeschreven:
** In den ersten die Erentveste ynnd fromme Arndt Spanerbrock, Her tho Heijen, Roleff Vermaesen, Gerreitt Louwen, Arndt van Haesselt, Wolter Spanerbrock, Scholtis, Alhart Bijrman,
In den ersten drecht Jan vorschr. over dem her von Heijen vurgen. ther konden, wess hem kundich unnd wittich sije von den wech doer die Lanckeren, wess tot Sambecker Staij, tuecht Arndt vorgen. dat hij daerbij gewest sij, mitt den gantzen Naebueren von Heijen up ein beleijdungh, dat Lijffertt van Wijlack z(aliger) der Landtrentmeister gewest, des wegs einsdeils toge …… (rest tekst ontbreekt!)

Ordn. 6 Opnamenr. 0397-0398
In die Pingstheijlige dage 1548    Peter Boll.
Wij Roleff Vermaessen und Seger Beltgens, vort wij gemein Schepen tot Heijden, tuijgen dat vor uns geseten Richter vom beider heren wegen und unss int gericht khommen seindt: Johan Hermans, sein huijsfrou mitt oeren drien Sohnnen Johan, Henrick und Hunrick und hebben bekandt und beleden. Dat Sie in der hylix vurwarden tuijssen Peters Boll eins und Gertt oer dochter anderdeils, belaefft und gegeven hebben, geven und beloven den vorgem. Peter mit sein huijsfrou Gertt vorgen. einen mergen lantz in dem gericht Heijden int Neerveldt gelegen,vorgenoit mitt einer sijden und ein eindt Peter Boll selver, ther ander sijden Johan Ebben, mitt einem eindt Anna Rixen saliger, mer erst nai doitlichen afganck des vortschr(even) Hermans und Diemer seiner huijsfr. Ontefangen und erfflick tobehalden. Vort hefft der Erentfesten und fromme Arndt Spannerbock, ein Heer tho Heijden, in der bededinge diss hylix gelaifft und gegeven, den selven Peter Boll mitt seiner Nichten ein erff malder garsten, jaerlix pachts, wilkoer die Greff Spannerbock jaerlix geldende hefft uitt den guederen des vorgen. Peter vader und moeder nagelaeten hebben und hefft Arndt Spannerbock gelaifft dat malder garsten tho sampt oer erven, nitt mehr umb gemaent sollen werden off betalen sollen ten ewigen daegen tho. Sonder all argelist. In urkundt der waerheit. Gegeven in dem jaer uns Heren duijsenth vijffhondertt acht und vertich up dingstach in die Pingst heijlige dage.

Ordn. 6 Opnamenr. 0398
Ca. 1550  Fragment oorkonde, waarboven staat: Jan Rutten
Wij Seger Beltgens und Gerriett Louwertz, schepen, tuegen, dat vor us khommen sijn Derrick Goessens und Rijxken sein huijsfrouw und hebben vor uns Richteren van beiden Herren wegen upgedragen Johan Rutten und Metth sein huijsfrow und oeren Erven einen weijkamp vorgenoten mitt einer sijden Goyerdt van Wijlick, ther ander sijden die gemeindt. Ein Eindt Goerdt Drijssen, dat ander eiindt Johan Ebben vor
 
Ordn. 6 Opnamenr. 0399-0401
24 juni 1647
Tot vervulling van het vacant geworden pastoraat in Heijen wordt uff St. Joh. Baptista Mit sommer deses yrtz lauffenden sestienhondert sieben und vertzigen Jahr wordt de Ehrwerdigen Here Johan van Beler door de tijdelijke Herren zu Blijenbeeck als rechtmessiger Collatore voorgesteld. Deze zal vredelich met zijn parochianen leven en als zielzorger het woord Gods verkondigen. Daarbij mag hij wonen in de weem oder des Pastors behausungh, dat door de langjarige oorlog bouwvallig geworden is en dringend moet worden hersteld. De parochianen hebben voor het bouwmateriaal te zorgen.

Ordn. 6 Opnamenr. 0401-0402
10 december 1631   
Vrijwillig akkoord van de schepenen en naburen van Heijen en Jan Clabbers, dat hij vrij behalden sal dat eerff ind huijs gelegen te Heijen, maar zijn erven jaarlijks ein schepell roggen an der schoell tot Heijen tbetalen op S. Joannes Nativitatis in Midsomer und ein ton biers vor die nabuyren, so nu anstont gedroncken is betalen zal. Eveneens is hij ein halff ton biers in die Schutterije tot Heijen verschuldigd.

Ordn. 6 Opnamenr. 0402
29 december 1631    Een op kasteel Driesberg (Kessel a.d.Niers) door Arnold Henrick von Nieuenheim, Kleefs jagermeester en woudgraaf ondertekende verklaring aangaande de koop van een stuk heijdlandt nu Meerweert, waarop voor de koper een jaarlijkse last drukt van ein halff tonne biers voor der gilt tzu Heijen

Ordn. 6 Opnamenr. 0403-0404
2 maart 1651    De Iura des scholtheissen und Gerichtz Botte zu Heijen bevattende de inkomsten en tarieven/boetes die de schout en de gerichtsboden van Heijen voor hun handelingen toekomen, te weten:
1.     Von jemanden tho gedagen (voor het gerecht te dagen) den Scholtheis    8 st(uver).
            Den bode halff so viel                        4 st.
2.    Van Pandunghe (soort beslaglegging) den Scholtheis            16 st.
            Den bode halff so viel                        8 st.
            Van Pandtslietung der Scholtheyss                16 st.
3.    Den Botten (soort bodegeld) halff so viel vor den Scheffen, so daer over sitzen ein jeder ein quart wiens ad 1 schelling: ad                        8 st.
4.    Een  weet oerkundt tzu thun binnen dorps daer van, sal der Bot haben    8 st.
    Buitten ambtz oder herlicheit aber                        16 st.   
5.      Die Pantweigert oftt Vortsettung doet auch zur unrecht unmitteren het (?), hat verbrucht (heeft een boete van)    1 alde schilt ad 1 schill.
6.    Van 1 arrest, den Scholteiss                            16 st.
Den botten half so viel                            8 st.
7.    Die Schouwung (inspectie) der straten, leijgraven, heggen, und weeijen und velden, brueckfalligh (in gebreke te vinden) befoinden werden, haben verbrueckt    1 goudgulden (in specie).
 De gemene straat bij zijn erf gelegen moet 16 voet (4,80 m.) breed zijn. De heggen er langs moeten dus tijdig geknipt worden, anders rust ook daar een boete op. Deze notities waren genomen uit oude aantekeningen van de Heijense pastoor.

Ordn. 6 Opnamenr. 0405
Geen document

Ordn. 6 Opnamenr. 0406
Slecht behouden eindfragment van een Heijense akte over een boerderij en een brug uit 1546, zonder samenhang.

Ordn. 6 Opnamenr. 0407-0408
Op vrydach nae Paesschen anno (15)XLII 1542.
Wij gemenen schepenen tot Heijen tugen semenlijck op onsen schepen eet dat uijt versuijck Arnt Spaenrebock, een heer thoe Heijen, durch dvanck des rechten, want wij mijt recht daits thoe genoedicht sijn, ind van hem ons gerichtelick aff gevraicht iss off Wolter Spaenrebock, syn bastert broder nijts geedt geweest en weer voer eenen gerijchs baed, dat ons seementlick wijttich ende kondich is, dat nae Jan den Baed (die een tyt lanck gerichs baed geweest iss van wegen beijden Heeren) Marten Wijnetz gerichs baed was van weegen beijden Heren ind doe die selve Marten van Heijen uijter onsen gericht ytter woud toech begherden hij dat men hem synen eet sold verlaten ind dat hem doe synen eet verlaten wart ijn bijwesen end mijt consent beyde richters van beijden onsen heeren wegen, ind dat ter selver tijt Wolter Spaenrebock vurscreven tot enen gerichts baed van wegen beijden heeren gesat wart ind dat hem Thonis van der Lijnden durch begeert des Scholtis van Genp den eet staeffden ind iss ongevaerlick omtrent twe Jair lanck gerichts baed geweest, eer hem de eet wederom van den Scholtijs vurscr. verlaten wart, welken eet hem die scholtijss vurscr. oick nae gerichtelick quijt gescholden heeffy van wegen ons gen(ante) heren, ind dat om der twijsten wijl des iagens halven dat die drost nijt hebben en wold, dat hij baed sold wesen van wegen beijde heren. Voert op die vraich ons Arnt Spaenrebock vurscr. aff gewraicht hefft van Eevert van der Borcht off hij in onss gericht ind banck oick gheer weer geweest, tugen wij seementlick op onsen eet vurscr. dat ons gheen dair oever gestean en hebben off oick nijet hebben hoeren seggen, dat hy hyer ijn ons gericht gheet iss geweest.
Wort tugen wij op eet vuurscr. Op vraich ons Arnt vurscr. off gevraicht heeft, dat ons wijttich ind kondich iss, dat die selve Eevert vurscr. hier peend (boete) gehaelt hefft, woe wael hy geen gerichts baed ijn onss heerlickheyt en was en heff die peend uijt ons heerlickheyt te Genp gewoert, dat alhijer voertijtz nijet en plach te geboren, want wij schepen schuldich sijn der waerheijt getuchniss te gheven, dair wij mijt recht thoe gevordert weerd betuijchen wij dijt myt ons gemenen Schependombs seegel hijer onder opt spatium dess ons apeneer certificaten gedruckt op vrydachnae Paesschen anno (15) XLII.

Ordn. 6 Opnamenr. 0409-0411
22 april (XLII) --1542.
Wij Gerijt Lauwertz ind Arnt van Haeselt schepen ind voert wij gemenen schepen tot Heijen tugen ind certificieren oeuermijtz dess onss apener certificatien ind placaetz brijeff dat uijt versuijck Arnt Spaenrebock, een heer thoe Heijen, durch dvanck des rechten voir ons koemen syn Derick Ebben ind Jan Lijnsen, beijde onse mijnt schepen ind ons ter konden gedraegen heefft, dat sy nijet beleefft en hedden die wijl sy the Heijen gewoent hedden off oick nijet en hedden hoeren seggen dat eijnijghe misdedygher off gevangen off peende uijt onss heerlickheyt ind gericht gevoert weeren bij des alde greve tijden Arntz vurscreven baeder off dair bevoeren dan mijnt consent ind belijeven des greven van Heijen, ind dat gelijken van den alde drosset Christoffel van Wijlick nijet vijt ons heerlicheijt, dan mijt consent ind begheert Henrick Spaenrebock, ein heer thoe Heijen gehaelt en wart ind dat van den kerckhoff uijter weemen, dair om onse kercke ein tijt lanck interdickt weer geweest.
Ind voert hebn sij getuijcht op eet vurscr(even) dat on wael wijttich ind konmdich weer, dat Henrick Spaenrebock vurscr. eenen aangriep hed gedaen aen Jenneken Peelen ind hedt den gevangen ind gespannen ind dat om dat sylveren wyl van Sunt Anthonijs broerschap van Genp, dat hij synen broeder Derick Peelen aff gestaelen hadt ind hed hem ein tyt lanck syttent gehad omtrent V off VI weeken ongevaerlick.
Item dat hem oick kondich weer, dat die vurscr. Henrick Spaenrebock oick aengevangen ende gespannen hed Aelbert Bans om des wijl dat hij knijn gevangen hadt.
Voert hebn sij getuijcht op eet vurscr., dat on wael kondich is dat Ott van Wijlick, drost tot Genp, hed laten grieppen in de nacht ind tot Genp laten haelen Henrick Na bind dat bij tijden dess itzyge weedurou thoe Heyen Arntz vurscr. moeder mer sy en woesten nijet off die vurscr. weedvrou dair consent thoe gegeven heft off nijet.
Voert tuijgen wij Schepen vurscr. dat uijt versuyck Arntz vurscr. durch dvanck des rechten noch voir ons koemen iss Jan Hermens, Baij (bode) tot Heijen geweest iss en heeft voer ons gerichtelick getuijcht ind uijtgedragen ind gestaeffs eetz lyfflick then heijligen gehalden dat hem oick wael kondich weer, dat gelysken vurscr. uijt ons heerlickheyt gevoert waert mijt consent Henrick Spaenrebock, een heer thoe heijden ind dat der oersaken halven, want hij om van svagerschap bewant was ind want hij den graeff gedreijcht hadt, doe hij the Goch uijtkomen was om dat die greeff syn goet thoe had laten slaen soe en dorst hij bij daghe dair nijet koemen, dan hyel sych verboergen op ter Weemen bij heer Hermen ind doe die greeff dat vernaem, gijnck hij bij den drost ind begeerden dat hij om soldt laeten aengriepen, twelck alsoo geschiet iss ind waert op ter Weemen int ijser geslaegen ind satt dair enen daich twe off III ongevaerlick ind waert dair nae mijt consent des greven vurscr. the Genp gevoert int gerijcht. Ind heeft noch getuijcht dat hem oick wael kondich weer, Dat Jenneken Peelen van den greeff vurscr. aengegriepen weer om des sylveren wijl der broederschap van sunt Thonijss the Genp, want die greeff vurscr. een mijtbroeder was der selver broderschap ende halpt alsoe die broedrscap weeder aem oer sylveren, dess sy aen der quijt weeren geweest ind die kund componijerde nae doe hij ein tyt V off VI off VII weeken ongevaerlick the Heijen geseten hadt mytten greeff ind mytten drost, dair durch dat dat sylver gebetert waert, ind Jenneken waert loss gelaten.
Item heefft noch getuijcht op eet vurscr(even) dat hy ther tyt doe Aelbert Bans vurscr. gevangen waert, des greven baed was ind Aelbert was op weich myt synen schapen the drieven nae geyn Ketelvoert tot Spaenen, dair hy sych vermijdt hadt ind dat hem die greeff nae saent ind lijet hem besetten doe hij besatt was, ghijnck hij mijt hem totten greeff ind dat hem die greeff aen vijnck ind gevenckelick satt wees die kund (?) quaemen the Genp bij den Drost ind by dem Greeff ind componijerden.
Item heeff noch getuijcht op eet vurscr. dat hy ther tijt doe Henrick Nab gevangen und gehaelt waert van drosten dijnres baed was van beyden heeren weeghen (als hij wael ongeveerlick IX off X jair voer ind nae geweest weer) ind dat doe Wyllem van der Borcht snachs quaem ende rijep hem op ind dat sij doe tsamen gynge voer Henricks vurscr. doer ind quaemen myt lyst in huijs ind grepen hem ende elyden hem soe nae Genp ind hijeten hem wedom thuijs gaen off sy dat geconsentyert hed off nijet. Sonder argelyst, want wy schepenen dan schuldich syn der waerheijt tetuijchenijss the geven, dair wij myt recht thoe gevoerdert weerden te betuijghe wy dyt myt onss gemeynde schependoms segel hier ende opt spatien dess onss apener certificatien gedruckt, den tweentvijntichte aprilis anno XVc XLII

Ordn. 6 Opnamenr. 0412-0413
14 juni (?)1551.
Wy Alardt Birman und Johan Rutten, voirt wy gemeyn schepenen tot Heiden tuegen in desen apenenen placait dat uit forderyngh des Erentfeste und fromme Arnt Spanrebock, eyn here to Heiden vur ons komen und erschenen synt die Erentfeste und fromen Martin Boegell, heer tho Oyen und Derick van den Calck und hebn eyndrachtlick getucht, gekontschapt und na mit ore eidt bestedicht were recht is dat eyn tyt van jare geleden syn dat sy in Lotryngen inm eynen dorp genannt Bellene by den here van Well oren oversten ter tyt op eynre Camer umb oir betalynge aen komelicke Manstoet (?) to fforderen van oren perden als van dry maentz komen syn. So dat die vurscr. ruyther semptlick die noch then achter waren vur quyt aensaegen (?) dat men Hackfort dar to verordenen solde dwelk he van den houpluyden Amissart gemaickt was. Dair op der heer van Well oir overste on vur antwordt gaff, dat beter were eynen anderen dair to to verordenen und tbewylligen, also dat sy semptlich deputirt hebn Arnt Spanrebock, heer tho Heyden vurg(enant) wylck oir mit den heer van Well aan Koen(inklijk) Ma(jesteit) om dat Ruiter gelt f forderen gereist is und wardt den vurscr. Spanrebock tot syne teronghe belaifft und togesekert op wylcker perdt eyn gelde Croen, wylcker geldt die vurscr. Martin Boegel und Derick van den Kolck bekanden betailt thebn als myn heer van Well und myheer van heyden wederom uit Ffranckryck quamen und sy oir gelt to Well op den huysse ontfyngen weyde s…. sy gekontschapt dat on kundich is dat Hackfort vurscr. ter tyt na luydt de monster sedule vier und twyntich perden in bes… dynge gehadt heeft und dat Hackfort ter tyt nyt to Well is gew… und syn aendeyll der oncosten nit betalden, wie vurscr.. Du..dan deze kuntschap also wie vurgen. vur ons uitgedragen und mit eydt bestedicht is hebn wij Schepene vurscr. in getuchnis der wairheit unsen gemeynen schependombs segell op spatien dys placait gedruckt. In den jairen uns Heren duysen vyffhundert eyn und vyfftich, den vyrthynde dach ….. ij.

Rugzijde:
Ein alte versiegelte Kundschaft über eine Forderung den Spannerbuick betreffend.

Ordn. 6 Opnamenr. 0414
1552.
Wy Henrick van den Bungart und Johan van Hoesden, schepenen tot Genp, tuigen und certificieren in desen apenen placaithbryff dat up huiden datum van desen uit versuick dess Erenfesten und frommen Arnt Spannerbock eyn heer tot Heiden unb  urch dwanck dess Rechten vur ons komen is Thonis van der Lynden und hefft by ide syns schependombs uitgedragen und getuicht als recht, dat eyn tyt leden is hy myt den Eirbaren Roloff van Osswerdt, scholtis dess Ampts van Genp myt meer ander mannen by den vurscr. Arnt Spannerbock tot Heiden in huyse Wolter Spannrbock bastert des heren van Heiden vurscr. Baidt (=gerichtsbode) heff sitten drynck, so dat gemelte Arnt Spannerbock tegen den Scholtis und Thonis vurscr. saicht: Ick heb verstaen dat ghy gerichts luydt van Genp myt den sementlick naburen eyn beleiding gedaen hebt, die myner heerlicheit to na geit und van den maell die beleidung also myt recht staen sall, sall myn heerlicheit nyt groit geblieven, dairop die Scholtis und Thonis geantwordt hebben: Ghy van Heyden dat hir tegen oick eyn beleiding, So hefft die vurgemelte Spanerbock begert und gefonnen (?) die vurscr. Scholtis und Thonis om eyn form und manier vurgeve und leren wolden wo die beleiding na alten byllicheit und na recht geschreven sall van den maill hij dess onvervaren were, hebben die Scholtis und Thonis vurgen(ant) geantwort und gesaicht, dat Spanerbock vurgemelt, eyn beleidig van beider heren wegen verramen sall, myt geneichten und sulx asdan dry maill up verschin sonnendaigen to voeren durch synen geswaren gerichts baidt in die kercken laiten verkundigen und roepen. Sonder argelist, want dan wy schepen vurscr. schuldich syn der wairheit eyn getuich tgeven dair wy myt Recht umb gefordert werden. Is dit allet glickt vurscr. steit vur ons uitgedraigen. In oirkonde der warheit hebben wij schepenen vurscr. ons segelen hier und up spacien deses certificaathplacait gedruckt….. jair ons Heren duysent vyffhundert twe (und vyfftich) (rest niet leesbaar door opgedrukt zegel)

Ordn. 6 Opnamenrs. 0415-0420
Kleve,  17 juni 1560.
Vergelijk en verdrag tussen de gebroeders Arendtt Spannerbouken, als einen hern tho Heijden, en Johann Spanrebouk met de hertog van Kleef, wegens het frequente misverstand en tweedracht met de Ampttleutten tho Genepe van de hertog van Kleef met die van Heijen. De conflicten gaan onder meer over die holttgewässene der Hezen, Vijschereijenn, Knijnen, Wranden, waarover het gericht van Heijen gesonsulteerd is en welk gericht voortaan appellatie moet houden in Kalkar en niet meer te Gennep.
De heren van Heijen moeten voor hooggerichtsaangelegenheden en lijfstraffen naar de hertog van Kleef en de Heijense heer opereert als tidttliche helfheren en gevangenen zal deze binnen drie dagen over leveren aan de hertog. Belastingen of schattingen, tijnsen, en opbrengsten uit houtgewas e.d. komen voor de helft aan Kleef en de andere helft is voor de heer te Heijen. Ook zijn ze beperkt in het laten bouwen van nieuwe boerderijen, turfrechten, kerkelijke en wereldlijke benoemingen. Daarbij is de scholtis, die benoemd is door Spanrebock van Heijen, geen sprekend schout, zoals de Kleefse scholtis, maar slechts een swijgend schulttiss. De sprekende scholtis zorgt voor de uitvoering van de boeten/straf en de verpandingen.

Ordn. 6 Opnamenr. 0421
20 mei1560.
Arndt van Haselt en Johan Michels schepen en de gemene schepenen van Heijen verklaren ter instantie van Arnt Spanrebock, eyn heer tho Heyen, verklaren dat voor hen Arndt die Hoigh, die over de 80 jaar is, en Johan Hermans verschenen is. Beiden wonen al tuyssen vijfftich und sestich jair te Heijen en verklaren dat een zeker goed (boerderij) van die Haen afgebrand is geweest en weer opgebouwd.

Ordn. 6 Opnamenr. 0422
25 januari 1560.
Wij Herman Pelen en Gerit Lauwertz, schepen en gemene schepenen van Heijen getuigen gezamenlijk dat voor Arndten Spanrebock verschenen zijn Lenardt van Schelberch en zijn broer Derick die verklaren wanneer in Goch Wylhemken, de huisvrouw van Symon Janssen gestorven is.

Ordn. 6 Opnamenrs. 0423-0425
Kundschaft wegen eines begangenen doetschlags
Gennep,  1558.
Wy Gundert Poylman en Reyner Reynenssen, schepenen te Gennep, doen kond, dat voor onsseren Scholtis Otten Ruytter en voor deze schepenen in eigen persoon gekomen is Gerhart van Kesseleijck ter instantie van Alter Knyppingh tot Heiden. Er volgt een gedetailleerde ondervraging via een predikant over een voorval met vrouwen en een dronken man. Het gebeuren vond op 28 februari ’s avonds nabij Goch umbtrynt Aesperden up ghener syden van den Cruysswegh komende plaats met stoten, houwen, steken en met zelfs een dodelijk streck. Hierbij worden het klooster Grevendaal of Nieuwklooster en de schans van Sgrevenwerth (later Schenkenschans) betrokken als ook den Schenycks soldaten tussen kasteel Driesberg en Kleef.

Vervolg op voorgaande doodslag

Ordn. 6 Opnamenrs. 0426-0427
Gennep,  24 maart 1558.
Voor schout Otten Ruytter en de heren Gundert Poylman en Reyner Reynenssen, schepenen te Gennep verschijnt Peter die Swart van den Bergh met een verklaring. Er is sprake van een claim van vierhundert goldt gulden pennyngh geldtz und schade van rechten. Tijdens het verhoor wordt gezegd dat die duyvell mout my dair gebracht hebben.

Ordn. 6 Opnamenrs. 0428-0432 (Opname 0431 ontbreekt!)
7 januarij 1651
Herman Janssen, als schutter van Heijen, geeft een overzicht over 1650 van overtredingen met zijn bevindingen van vier met naam genoemde schepers van vee, naweiden op bepaalde gemeentevelden, gekapt hout, gestolen gras, e.d.

Ordn. 6 Opnamenrs. 0433-0434
27 maij 1651    Was der schütter angebracht hatt
Boeten vanwege een in beslag genomen paard van Derrich Roben, het hoeden van vee op Pasen (Ostertag), het drijven van schapen auff das Maijsie ouffer (op de Maasoever), het ’s nachts uitbreken van een paard, het drijvan van schapen in een korenveld e.d.

Ordn. 6 Opnamenr. 0435
20 augustus 1657
Belasting aanslag en met het contigent of aandeel daarvan voor het ambt Gennep, verdeeld over de inkomsten uit Ottersum en Oeffelt en de heerlijkheid Heijen met de verdeling naar die pastores zu Gennep und der Stadt, Uffelt, Heijen, Ottersumb en naar die vicarij St. Anthoni, Crucis en Martini in Gennep; Salvatoris en B.M. Virginis in Uffelt; St. Nicolai und Fruhmess te Heijen; Milssbeck und Lamberti te Ottersumb

Ordn. 6 Opnamenrs. 0436-0438
15 oktober 1657   
Erftbrieff Petern Driessen, opgemaakt voor de Heijense schepenen Willem Vermaessen en Jan van Lottum en hun scholtis Joan Deusingh over een hoeve, die erfelijk overgedragen wordt.

Ordn. 6 Opnamenrs. 0439-0446 (Opname 0446 ontbreekt!)
1651 - 1662   
Opgelegde boetes (met notities daartussen van uitgaven) wegens verschillende overtredingen zoals het stelen van mergel, hooi, het drijven van vee op verboden plaatsen, vechtpartijen, andere diefstal met geselen en brandmerken, enz.

 Ordn. 6 Opnamenr. 0447
Ongedateerd.   
Fragment van een veroordeling, deels Duits, deels Latijn.

Ordn. 6 Opnamenrs. 0448-0451
2 juni 1661
Gerechtelijke ondervraging op verzoek van de Gennepse pastoor Emerici Kriffts, van Jacob Gorthals/Gortsalen, die met twee vrouwen betrapt is, over diefstallen met kameraad in het Land van Cuijk (o.a. tin en zilver bij de predikant Henrici Stulenius te Beugen en diefstal in Mullem en Sambeek) en in de kerk van Gennep, zijn omzwervingen als soldaat in Spaanse dienst, zijn verkoop van gestolen spullen en zijn gevangenschap in het kasteel te Boxmeer. De gerichtsschrijver van Heijen protocolleert een en ander.

Ordn. 6 Opnamenrs. 0452-0465
17 juni 1661
Door de inquisitie wordt Jacob Gordsalen ongeboeid aan een scherp verhoor onderworpen. Hij blijkt van St. Oijenraij (Sint Oedenrode) geboortig en 26 of 27 jaar oud te zijn. Twee maanden is hij in Spaanse militair dienst geweest en heeft daarna als marskramer langs de huizen een jaar lang met kammen, schotelen en swebelstöck (lucifers) officieel zijn kost verdiend. Hij ontkent diefstallen in Mullem. Sint Anthonis en Sambeek. Het uitvoerig verhoor wordt vervolgens in Boxmeer voortgezet. Veel details worden weergegeven.

Ordn. 6 Opnamenr. 0467
Archiefomslag, Landesarchiv NRW, Gesamtarchiv von Romberg, Haus Heijen – Karton Akten, Nr. 6.

Ordn. 6 Opnamenrs. 0468-0469
25 febr. 1728 [met extract van 18 juni 1560] inzake een schrijven vanuit Kleef van de Kriegs- und Domainen Cammer aan de heer van Heijen, waaruit blijkt dat de inwoners van Heijen van oudsher (zeker sedert 1560) bepaalde diensten in natura, verschuldigd zijn d.w.z. hand- en spandiensten, en wel aan hun landsheer (in dit geval nu de Pruisische koning) en aan de lokale heer van Heijen, te weten half om half. Het bericht is verstuurd aan rentmeester Leurs, gezeten op het Genneperhuis.

Ordn. 6 Opnamenr. 0470
1731    Vermessungs Carte, een soort kadastrale van het kirspel Ottersom, van grondstukken die blijkbaar aan het huis Heijen behoren zoals de Tillenkempken, Diepenbroicks lange kamp, Diepenbroick werth, zum Hövelschen hoff gehörig Frhr. v. Diepenbroick met landerijen (bouwland, weiland en heide) geheten de Heijensche Lucht, alsook een weiland bij het Genneperhuis gelegen, geheten Pillenkamp.

Ordn. 6 Opnamenrs. 0471-0472
Buldern, 1732
    Verzoekschrift van de Freiherr Johan (?) von Diepenbroick, als Jurisdictions Einhaberen van Heijen aan de Pruisische koning n.a.v. Landsdag uitspraken van 1653, 1654 en 1664 i.v.m. het meer toegestaan zijn van het aantasten de gemeenschappelijke heidegronden, de jacht, de bossen, de weidegebieden en het maaien van plaggen. In 1719 was nog 75 Hollandse morgen van de Heijense heide afgegraven en in cultuur gebracht. Hernieuwd verzoek om toestemming tot afgraven.

Ordn. 6 Opnamenrs. 0473-0475 (Opname 0475 ontbreekt!)
1738.
Door de Pruisische koning wordt toestemming verleend om de reeds aangevangen ontginning heidegrond onder Heijen voort te zetten (met 3 jaar vrijstelling van belasting, zoals van de novale tienden daarop). Het betreffen:
1 morgen door Henrich Tünnessen
5 morgen door Theijs Jansen
7 morgen door Peter ther Vooren
5 morgen door Jan Claessen
5 morgen door Jan Deriksen
5 morgen door Jacob Hübers
2 morgen door Kerst to Rijck
2 morgen door Gerrit Gerritsen

Verder aan de Steenberg gelegen de nieuwe ontginning van
1 morgen door Gerrit Gerritsen
1 morgen door Jan Willemsen
1 morgen door Jan Barbiers
1 morgen door Jan Claessen
1 morgen door Jan Busman
En nog auf der Burgt    4 morgen door Jan Barbiers, totaal 47 morgen

Ordn. 6 Opnamenrs. 0476-0480
25-29 augustus 1746
Mededeling van het echtpaar Johan Herman van Diepenbroick en vrouwe Elisabetha Josina Wilhelmina gebohrne Voigt von Elspe, Heer und Fraw zu Buldern, Heijen und Borg inzake hun gehorende Pertinentien: adeliches Hauss Heijen, Garten Baumgarten, die Schantze, Fischereij ins Meer und Maase, Jagdgerechtigkeit, Taubenflucht, Fehrfreijheit auf der Maasen an des Boxmeersche Fehr, die weijde- und bawländereijen … des unter Gennep gelegenen Luchtschen hoffs, zu, Haus Heijen gehorige Erbschäifte in rogge, gerste, kapaunen, hunen und tijnsen, zoals geregistreerd onder de heren Van Wijlick.

Ordn. 6 Opnamenrs. 0481 – 0484 (Opname 0484 ontbreekt!)
7 september 1744    
Verklaring van Gerhardt Leurs, Richter en Albert Groenewaldt, Peter Boumans en Jan Peters, schepenen van de heerlijkheid Heijen dat voor hem verschenen zijn Mr. Matheus Schmitz en zijn huisvrouw Catharina Velmans. Voor een som van 22.000 gulden Hollands en 334 gulden doen zij afstand van een serie gespecificeerde landerijen onder Heijen

Ordn. 6 Opnamenr. 0485-0497
18e eeuw.
Overzicht van weilanden en landerijen zu den Vicarie zu Heijen gehorrich met jaarlijkse opbrengsten, met name een weiland bij den Wittensteijn, den kleijne witte steijn genandt, verder der halbe Niggekamp, land an dem Merpass, land genandt die Papenlir, weiland in die Lancker.   

Ordn. 6 Opnamenrs. 0486-0498
1626-1628
    Zum Huse Heijen horen een serie landgoederen, die qua grootte, ligging en (fiscale) opbrengsten op 13 pagina’s in details opgesomd worden.

Ordn. 6 Opnamenr. 0499
Ca. 1630    Een hof te Heijen in gebruik bij Johan Lijnsen met nabijliggende weilanden in de Lanckeren, den Hamsse paiss, op het Kraunfeltt, op het Hoichfeltt, achter die Kalckhoiff, op den Raijacker, op die Laick, in die Ma(i)stenhuick, die Paipelyr, in der gemeint.

Ordn. 6 Opnamenrs. 0500-0501
17e eeuw.    Pahling des Heijenschen Hoffs, of te wel den hoieff tho Heijen ahn Landerije so baulandt und weijlandt in het Lankerer, int Nijefeldt, in die Rodedell, ahn die Laicker, die Papeleir, den Meirpaiss, den Weijerspoeill, denm Klokamp, den Smallert e.a.

Ordn. 6 Opnamenrs. 0502-0506
17e eeuw    Opgaven van gepachte landgoederen onder Heijen met grootte, ligging, pachter, e.d.

Ordn. 6 Opnamenrs. 0507-0509
1646        Maandelijkse afkondiging in de kerk van Heijen van op te leggen boeten bij het overtreden van zekere hertogelijk Kleefse en lokale wetten van de heer van Heijen m.b.t. de schapendrift, het goed gesloten houden van omheinde weilanden, het tijdig opschonen/korten van wilgen, het schoonhouden van sloten, het kappen van hout of heibrem voor de verkoop aan derden en het is verbaden dat nijmandt in deser herlicheit op eenige Soindaigen offt andere heijlige dagen Beede dagen sal arbeijden, mehr als tot Godesdienst gehoort, komend op een boete van 5 goltgulden und 10 goltgulden daer sij vor arbeiden.

Ordn. 6 Opnamenrs. 0510-0516
1646        In vijftien punten wordt uitleg gegeven over het weiderecht e.d. van Heijen in het bijzonder gericht op de inwoners van de stad Gennep i.v.m. schendingen ervan, vroegere gewelddadigheden, enz.

Ordn. 6 Opnamenr. 0517
17e eeuw    Smeekschrift aan de Vrouwe van Heijen, geschreven door Peter Perfaes (uit Boxmeer?) en veerman op de Maase, die wegens het onvoldoende aanwezig zijn daar van heide en strooi om zijn brouwketel te kunnen stoken, toestemming vraagt    om soo veel brouw heijde ende strouw heye te moegen laeten mayen als ick sal nodich hebbe.

Ordn. 6 Opnamenrs. 0518-0520
1436        Copeij aus den Blienbeckssen protocol den limitten zwisgen Heijen undt Afferden betreffent, geschreven door Peter Jeurgens, secretaris tot Afferden en overgenomen uit het zogeheten Legerboeck van Afferden. De grens loopt van beneden Heijenert velt tot midden in ghen Maess und so voirt op doert velt totten Hengelboem und vort niederwert en zo verder.

Ordn. 6 Opnamenrs. 0521-0523 (0523 ontbreekt!)
Archiefomslagen, Landesarchiv NRW, Gesamtarchiv von Romberg, Haus Heijen – Karton Akten, Nr. 18 en Nr. V, 11 A 3.

Ordn. 6 Opnamenr. 0524
15 april 1643        Fragment van een eindstuk van een pachtverdrag met onderpandstelling, waarin genoemd wordt Eb(ert) Stickers (rentmeester te Heijen?) en zijn erven, uitgeschreven te Emmerick.

Ordn. 6 Opnamenrs. 0525-0526
1628-1648        Kopie van een brief, uitgevaardigd te Maastricht en ondertekend door Willem van Till, waarin wordt bevestigd dat Eb Stijckers als rentmeester van Heijen, den hoff Bongaert met de visserij mag gebruiken als pachtgoed, maar het staat de Vrouwe van Heijen vrij om vis hieruit aan het Hof in Kleef ofte aen ander luijd te schenken, zo zij dat wil. Ook mag Sti(j)ckers de Wijersspoell met de Poll gebruiken tot zijn profijt.

Ordn. 6 Opnamenrs. 0527-0550
1646            Uitvoerig register van ontvangsten en uitgaven te Heijen van onder anderen: geleverd ijzerwerk, gekochte pistolen, ontvangen koren en werkzaamheden daaraan

Ordn. 6 Opnamenrs. 0551-0553 (0553 ontbreekt!)
Archiefomslagen, Landesarchiv NRW, Gesamtarchiv von Romberg, Haus Heijen – Karton Akten, Nr. 5 en Nr. V, 2 Band.
   
Ordn. 6 Opnamenrs. 0554-0556 (0555 ontbreekt)
11 december 1692.    Pachtvoorwaarden van een huis met landerijen i.v.m. reparatie, erfdienstbaarheid aan het kasteel van Heijen, schaden a.g.v. oorlogen of natuur, het betalen van jaarlijkse schattingen, e.d.

Ordn. 6 Opnamenrs. 0557-0562 (opname 0562 ontbreekt)
10 maart 1693        Pacht door Reinier Reiniers van de Vrijfräwlein Berthina Elisabeth van Vittinghoff genannt Schell, Gerichtsfräwlein der Heerlickeit Heijen van het adelickes Heuijs Heijen, mitsgaeders daerbij gehoorigen gaerden, Boggaert, Bischerijen in het Mehr op de Maese, Duivenvlucht, Jaghtgerechtigheit, Fehrvrijheit op de Maes ahn Peter Perfaess vehr, als oock Weij- en Hoijlanderijen (ongeveer 180 kleine mergen), alles schattingvrij, met daarbij den Lochtsen Hoff, met de diverse erfpachten aan het Huis Heijen, enz., enz. tegen een pachtsom van 920 rijksdaalders, half in Hollands en half in Kleefs geld. Met jaarlijkse leveringsverplichtingen aan de Rentmeesterij van Gennep, het klooster Marienbaum, de Heijense pastoor en de Heijense schoolmeester en ook moest hij kapitaalkrachtige borgen stellen.

Ordn. 6 Opnamenrs. 0563-0570
Boxmeer, 6 december 1664
Gerechtelijke ondervraging of interrogatoria van in dienst van de Excellentie van Boxmeer (Graaf Albert van den Bergh) zijnde personen over de jachtgerechtigheden met lange jaghte ofte honden …. met tyrasse en verleger honden …. met roers (geweren), te voet of te paard) onder Heijen. De ondervraagden zijn: Jan Reijnen (in de seventigh jaer ongefehrlijck, geboren tot Wanraij, eerst stalknecht, daarna jager), Peter Pouwels (de) Vinck (oud ongeveerlyck de 52 jaeren, gebooren te Burgerhout/Antwerpen, sedert 1631 in Boxmeerse dienst, eerst twee jaar als Lacquaij/lakei, vervolgens vinckevanger, daarna jager en wildschut), Attueer Gieskens (out ongeveer 48 jaeren, geboren te `s-Heerenbergh, eerst lakei, dan bottellier ende soo vervolgentlyck Boirgh greeff), Peter Winock (segt ses oft seven in seventigh jaer, geboren te Doornyck sedert 1627 in Boxmeer, als trompetter), Joncker Wilhelm Teodosius Walhorn de Deckher (out se syn ongeveerlyck 45 jaeren, geboren te Brussel en sinds 1641 in Boxmeer, eerst als edelman voluntair ende nu op sijn selfts synde), Geurt ten Nijftis alias Sijbers (verclaert ongeveerlyck de vierendartigh jaeren, geboren te Boxmeer en vanaf zijn jeugdjaren in Heijen, eerst in Boxmeer schapenhoeder en jager). Zelfs de huijslieden van Heijen zijn daarbij komen helpen om de haesen uijt de aerde te graven, die de honden hadden ondergejaeght. Ook waren bij een jachtpartij wel over de hondert berckhoender in de heerlickheyt Heijden geschoten en ook zijn de boeren van Heijen zelf met de jacht meegelopen.

Ordn. 6 Opnamenrs. 0571-0574
Boxmeer, 6 december 1664
Soortgelijke gerechtelijke ondervraging als voorgaande, over het jachtrecht te Heijen door de heer van Boxmeer, van persoon geheten vrouwe Willemken Loijen uit Grave die 72 of 73 jaar oud is en getrouwd is met Sybert ten Nijftis te Boxmeer en daarna in 1638 met Eb Stijckers, de rentmeester van Heijen.

Ordn. 6 Opnamenrs. 0575-0577
Pachtcedul, 1 april 1681.
Verpachting in een openbare herberg door scholtis Johan Deusingh en de schepenen en naburen van Heijen van de gemeynts Maas oeveren, in blocken ofte parceelen verdeeld in  rijksdaalders van elk 60 stuiver Kleefs. De percelen (vier blokken) liggen onder meer naest de Mergelstraet.

Ordn. 6 Opnamenr. 0578
1681.      Eigenhandig ondertekend leenverklaring inzake opgenomen vier hondert Rijxdallders door Getruit Elisabeth van Nijvenheim, gebooren van Eickel, waarvoor zij onsen onder het gericht van Herijen gelegenen Hoeij ofte Weijkamp, den Kooe kamp en Honshorst genaemt tot onderpand stelt.

Ordn. 6 Opnamenrs. 0579-0580
11 sept. 1687   
Duitstalig antwoord van de burgemeester, schepenen en raad van de stad Gennep aan de Heijense jegermeister omdat de burgers van de stad Gennep niet gerechtigd zouden zijn onder Heijen te jagen.

Ordn. 6 Opnamenrs. 0581-0586
5 - 9  - 14 sept. 1698 / Kwitantie13 mei 1699
Verkoop tegen opbod in Kleefse rijksdaalders van hoeij= oder weijkamp zwischen Gennep und Genneperhaus, Mekerens weijde geheten, later Peilen weijde naar Carl Ludwig Peil en Gerhard Peil. De kwitantie is ondertekend met nomine Magistratus Gennepensis Const. de Mentrop.

Ordn. 6 Opnamenr. 0587
8 augustus 1699.
Nototie over de meting van bouwlanden tot het Huis Heijen behorend door de gezworen landmeter H. Thomas in totaal 183 morgen en 21 morgen onder Gennep gelegen. De landerijen zijn belastingvrij.

Ordn. 6 Opnamenrs. 0588-0595
8 – 12 aug. 1699
Verklaring van Haret Thomesen, landmeter, van metingen van aangewezen landerijen van de heer van Bulderen en Heijen te weten onder meer de Kerkenkamp, den Hoge Camp, het heylandt, diverse stukken op het Hogh Velt, den Loechthe hoef, achter de Hees, int Legh genaamt de Roodel/Roeijdel schietende op de Weijers poel, den Raeij acker, het Weert, den Maes hoeck, aen de Cuijel op de Lack, de Geer, e.d.

Ordn. 6 Opnamenrs. 0596-0600
12 mei 1717.
Ondervragingsverhoor over de gerechtigkeit van hacken en houwen tüsschen Gennep en Heijen, afgegeven door Peter Ebben, inwoner van Afferden voor de schepenen ende regeerders der Heerlijckheit Heijen. Peter, ongeveer 75 jaar oud zijnde en in de Heerlijckheit Heijen gebooren ende getoogen, heeft circa 50 jaar in Heijen gewoond en is er 18 jaar schepen geweest. Hij is nu gedaagd in de Gerichts Camer te komen en hij geeft een verklaring onder eed. De inwoners van de heerlijkheid Heijen zijn gerechtigd tüssen Gennep en Heijen de Heij vlaggen ofte stroij heij te hacken en te houwen en dat die van Gennep daer toe geen recht en hebben. Daarover zijn eerdere klachten van Heijen aan Gennep gedaan. Werden die van Gennep op overtreding betrapt, dan zijn ze altijd weggevlucht. De verklaring is ondertekend door E.H. Bammelroij, scholtis en Hendrijck Aerts en Willem Wijenberg, secr.

Ordn. 7 Opnamenrs. 0601-0603
17 oktober 1718.
De heer Van Diepenbrouck en zijn gemalin Engelina Elisabeth, vrijvrouwe van Diepenbrouck, geborene Van Vittinghoff genant Schel, Heere ende Vrouw tot Heijen kopen van het echtpaar Rembertus Pasmans en Christina Fegelaers hun onder Heijen gelegen huis, hof en daerbij gehoeriges kemken voor de som van 353 Rijksdaalder à 20 stuivers Kleefs geld en een bedrag voor de armen. Tot het huis horen de deure, vensters, hecken, peertsback, bedsteede ende anders wat nagelvast is. De koopsom in twee termijnen te betalen, vergezeld van een meer gedetailleerde afrekening.

Ordn. 7 Opnamenrs. 0604-0605    (Zie ook 0608-0609)
18 maart 1719.
Betreft een soort petitie, ondertekend door diverse Heijense inwoners met hun eigen handtmerck, waarin gezegd wordt, dat er grooten mangel an bauland is, terwijl er een grooten overvloet van heydeland is. Er wordt volmacht verleend om stukken in cultuur te gaan brengen.

Ordn. 7 Opnamenrs. 0606-0607
1717-1719.      Kostenoverzicht van de heer Van Diepenbrouck, heer te Buldern en Heijen, van de heerlijkheid Heijen contra de stad Gennep om diverse redenen zoals klachten, documenten, schepenbrieven e.d.

Ordn. 7 Opnamenrs. 0608-0609    (Zie ook 0604-0605)
Circa 1718        Mandatum wegens het verlangde afgraven van de heide te Heijen, ondertekend door ingezetenen van Heijen.

Ordn. 7 Opnamenrs. 0610
Blauwe Archiefmapomslag, Landesarchiv NRW, Gesamtarchiv von Romberg, Herrlichkeit Heijen – Nr. V, 9 Band 2


Ordn. 7 Opnamenrs. 0611
Archiefomslag, Landesarchiv NRW, Gesamtarchiv von Romberg, Haus Heijen – Karton Akten, Nr. 5 en Nr. V, 2 Band.

Ordn. 7 Opnamenrs. 0612-0613
5 september 1736        Brief, geschreven te Gaesdonck, ondertekend door de prior F. P. Nabben, waarin gesteld wordt dat aan het Huis Heijen jaarlijks eensdeels op St. Martinus (11 november) een hoen en een thins groot door het klooster betaald wordt vanwege de Hamsen Hoff tot Heijen tot en met het jaar 1726. Vanaf de jaren1727 tot en met 1735 zijn nog bedragen te voldoen, waarover echter al vaker met de pachter Monsieur Reiniers gesproken is en waarover nu discussie gaande is aan wie betaald moet worden. De totale jaarlijkse betaalverplichtingen van de Gaesdonck aan het Kasteel van Heijen gaan gewoon door en bedragen 1 malder garst. 1½ spint rogh en 2 hoenen

Ordn. 7 Opnamenrs. 0614-0615
11 december 1736        Duitstalige brief vanuit Buldern aan de Gaesdonckse prior over de jaarlijkse betalingen over de Hammschen hoef met verwijzing naar Richter Leurs te Heijen en vereffening van vorderingen.

Ordn. 7 Opnamenr. 0616   
Archiefomslag, Landesarchiv NRW, Gesamtarchiv von Romberg, Haus Heijen – Akten, Nr. 9

Ordn. 7 Opnamenr. 0617   
Blauwe Archiefmapomslag, Landesarchiv NRW, Gesamtarchiv von Romberg, Herrlichkeit Heijen – Nr. V, 9 Band 1

Ordn. 7 Opnamenr. 0618
15 maart 1719
Brief , waarin een akkoord tussen de frijherr van Dri(e)sberg, Kessel en Mook met meester Peeter Lusie, woonachtig te Kleef, om een steenoven met een capaciteit van 100.000 te zetten (in Heijen?). Den tieglar sall sorg dragen voor de leem en ook dat er geen sandt tussen de leem word gearbeijt. Het werk zal half april 1719 aanvangen en in de verhouding van drie gebrande tegen eenen bleecke steen leveren. Onpartijdige metselaars zullen de kwaliteit van de stenen beoordelen, keuren en dan voor betaling vrijkgeven. Stookkolen zullen via een schipper aan de steenbakker geleverd worden en kunnen worden afgehaald aan de Wisselse brug. Arbeid en stroo zijn voor rekening van de steenbakker.   

Ordn. 7 Opnamenr. 0619
18 juli 1733        Bekendmaking vanuit Gennep van Gerh. Leurs dat het verboden is om schapen op de gemaaide korenvelden te laten grazen zolang daar nog de gasten met schoven (koren)theinden op het Veldt staan. Op overtreding staat een boete van twee goudgulden!

Ordn. 7 Opnamenrs. 0620-0646
Kleef, 10 juli 1734        Zeer uitvoerig Duitstalig schrijven van de Pruisische regering in Kleef wegens de overvloedige hoeveelheid heidegrond in Heijen, waarbij de rentmeesters van Goch en Gennep de grondkwaliteit gaan bekijken i.v.m. in cultuurbrenging. Ook het aspect dat het vee bij hoogwater op deze heide aangewezen is, moet goed bekeken worden, zodat voldoende heidevelden blijven voor beweiding, plaggenbemesting, voor brandstof e.d.. Er worden aantallen van 530 morgen heideland genoemd, waarmee 177 kleine morgen bouwland van heideplaggen zou kunnen worden voorzien. De Kleefse waldforst Janicke en de Kriegs- & Domaine Cammer worden ingeschakeld, alsook de leenheer van het Boxmeerse leengoed Huis of Kasteel Heijen met alle bijbehorende zaken. Dat is op dat moment de graaf Van den Bergh, als heer van Boxmeer. Er blijken al in de zestiende eeuw illegale ontginningen van heidevelden in Heijen plaats te hebben gevonden.

Ordn. 7 Opnamenrs. 0647-0648    (Opname 0647 ontbreekt)
Archiefmapomslag, Landesarchiv NRW, Rombergsch. Archiv (Dep.), Herrlichkeit Heijen – Nr. V, Nr. 8

Ordn. 7 Opnamenr. 0649
1649    Brieffragment, alleen 1e pagina behouden.
1649
Overeenkomst tussen Johan Gijsbert von Vittinghoff genannt Schele, heer te Heijen en de inwoners/onderdanen van Heijen i.v.m. de verplichte hand- en spandiensten. Zij zouden sedert 1560 alle veertien dagen een dagdienst kostenloos aan het Huis Heijen verschuldigd zijn en deze regel was nadien schijnbaar ingeperkt.

Ordn. 7 Opnamenrs. 0651 - 0652
Wezel, 24 november 1649 + 3 december 1649
Persoonlijke brief van Gisbert Johan von Vitinghoff gnandt Schell zum Scheleberg met daaraan gekoppeld een antwoord van de landvorst Friderich Wilhelm inzake een klacht over de nalatigheid van het verrichten van diensten door onderdanen te Heijen, hun ongehoorzaamheid alsmede plicht tot het nakomen van hun plichten.

Ordn. 7 Opnamenrs. 0653 - 0654
1649
Een door de Heijense onderdaan Dieterich Robben ondertekende brief met klachten aan de Kleefse landvorst over o.a. aan hem en andere dorpsgenoten door de Heijense heer opgelegde einheijmische en ausheijmische diensten, die zij van Gotts undt Rechtswege nit schuldigh sein. Zij hebben daarover ook al bij de schepenen van Gennep een klacht ingediend en bij de scholtis Johan Deusingh. Als drukmiddel had de heer van Heijen namelijk een vette koe van de inwoners in de wei in beslag genomen, als een soort onderpand.

Ordn. 7 Opnamenrs. 0655 - 0656
11 september 1677.
Mededeling van Johan Deusingh, richter der herligkeit und gerichtsbanck Heijen, dat Berthina Elisabeth von Vittinghoff gnt. Schell, gerichtsfrewlein dieser Heerligkeit Heijen de Heijense schepenen in het Heijense gericht samen heeft geroepen en daar herhaalt zij und repetiret dat zij ondanks eerdere protesten van de inwoners al bij haar overleden moeder, toch bij haar oude rechten inzake hand- en spandienst blijven zal und desshalb beij Ihren alten rechten und herkommen verbleibe. Dat alles laat zij in een gerichtlichen schein nogmaals vastleggen op papier.

Ordn. 7 Opnamenrs. 0657 - 0658
Copia wt den leenboeck Boxmer (verstrekt op 22 april 1542).
1401.    *     Beknopte leenopdracht van 1401 up sijnte Andrijs dach, waarbij Henrick Spaenreboeck van Jan, heer tot Boxmeer en Spalbeek die heerlickheit van Heijden te leen ontvangt in hoegen und leege, in diepen und dregen …. und mit einder marcken verhergewadt. Leenmannen: Goessen van Meer, bastert en Willem Reintgens.
1474    *    Idem leenopdracht aan Henrick Spaenreboeck, greeff van heijden door de leenheer Peter van Vertein, ridder, her tot Boxmer, Heesswick und Aesten. Leenmannen: Wijnant van Eijck en Goessen van Meer Bastert.
1497 op st. Jacops aevent des heylihes apoestel    *    Idem leenopdracht aan Henrick Spaenreboeck, Henrickszoon door leenvrouwe Margriet, vrow tot Boxmer und tot Haeps. Leenmannen: Henrick van Meer, schout of schoeltys tot Boxmeer und her Jan Haeck und mer ander goeder mannen van leen.
1540 23 febr.    *    Idem leenopdracht der heerkicheit van Heijden aan Arnt Spaenreboeck, nae doetlicker aeffganck sijns broeders Henrick Spaenreboeck door leenheer Maxijmiliaen van Egmondt, graaf van Buren en Leerdam, heer van Ysselstein und Craenendunck. Mannen van leen: Jann van Kessel und Ffrans van de Borcht.

Ordn. 7 Opnamenr. 0659     (nr. 0660 ontbreekt!)
Archiefmapomslag, Landesarchiv NRW, Abteilung Westfalen
Gesamtarchiv von Romberg. Archiv, Haus Heijen – Akten Nr. 4

Ordn. 7 Opnamenr. 0661
Archiefmapomslag (blauw), Landesarchiv NRW, Abteilung Westfalen
Gesamtarchiv von Romberg. Herrlichkeit Heijen – Akten Nr. V. Nr. 2 B(an)d 1

Ordn. 7 Opnamenrs. 0662-0663
April 1541        Ein kunschoip (een bevestiging) van wege de Jagt van Evert Ducker.
Voor Henrick van den Bongart en Thonis van der Lynden, schepenen der stat Genp, getuigen in een apenen placaithbriff op verzoek van Arnt van Spanrebuyck, eyn heer tot Heien, op aandringen van Evert Duycker van Nijmegen. De vraag is wat hem bekend is uit de tijd van Arnts vader (geheten greeff) Henrick Spanrebuck betreffende de jachtrechten in de heerlijkheid van Heijen met windhonden en garen (het zetten van strikken). Evert verklaart met den selige greeff op deze wijzen gejaagd te hebben en het wyltbrait aan verschillende vrienden geleverd te hebben.

Ordn. 7 Opnamenrs. 0664-0665
4 febr. 1559        
Wettelijke erfkoop van eynen bouhoff, geheiten op gen Loicht myt allen hoylandrz, weylandt, boulant und getymmer, niets uitgezonderd, in het gericht Gennep en Heijen gelegen. Koper is Arnt Spanrebock, heer tho Heijen en verkoper Johan Lesier. Niet tot de overeenkomst hoort een stuk bouwland aan de Muxkens Bergh gelegen en Jaspers Camp. De condities met de termijnen der betaling van de erfpachtpenningen worden geregeld, als ook het bijbehorende vee, die beesten, waarbij o.m. de Boigensche merckt daich een bepalende dag is. Tot een van de genoemde bemiddelaars van deze deal hoort de Heijense (?) pastoor Alardt Michels.
   
Ordn. 7 Opnamenrs. 0666-0667
29 juni 1563        „Wegen der Greinzen zwischen Bleienbeck undt Heijen“.
Getuigenis van de schepenen van Heijen over het illegaal verblijven van schapen van de heer van Afferden in de heerlijkheid Heijen. Daarover is schriftelijk beklag via de schout van Gennep van de Kleefse regering gedaan en de schapen zijn in beslag genomen nabij de plaatsen van den heyngel boum en twee hoevelen oder Berchsken tegen dess heren van Afferden kamp en de brugh by Hommersum, genoempt Brugvort.   

Ordn. 7 Opnamenrs. 0668-0669
18 april 1544   
Op verzoek van Arnt Spanrebock, eyn heer to Heyden, certificeren Arnt van Hasselt, Geryt Lauwerth en de gemene schepenen van Heijen in een open plakaatbrief, dat voor hen verschenen is Johan Hermans die de vraag beantwoordt of hem wat bekend is of de Gennepse rentmeester over hout myt houwen off eykelen beboet is in der alten Heesen. Het blijkt dan dat alleyn die Greeff tot Heiden daarvan gebruik gemaakt heeft myt houwen, brant, tymmerholt und eykelen. Deze heer van Heijen heeft ook dat holt tsamen met de rentmeester doen boissen, tot bossen gebonden und glick gedeilt. Ook getuigt Lysken Stoix, die 74 of 75 jaar oud is en steeds in Heijen woonachtig, en zij verklaart dat haar bekend is, dat Arnt Spanrebock’s voorschreven alde vader en voordien syn vader, na oud gebruik, hout genomen heeft. Ook legt Goirt Dryssen nog een getuigenis daarover af.

Ordn. 7 Opnamenrs. 0670-071
Grens Heijen-Afferden. Op de achterzijde van de akte staat betreffendt die beleidung zwischen Heijen und Afferden gelegn.
30 juni 1563     Boven de akte staat: Copia Verdraghs wegen der grentzen zwischen die von Heijen und Afferden, tot stand gekomen door de scholtis van Gennep en dit op schriftelijk bevel van de Kleefse landsheer aan de drost van Gennep. Verwezen wordt naar de pälinge platz waar schapen van Afferden in beslag zijn genomen. Men komt overeen dat die palinge gehalden solle werden von den Heijngelbom an, up, over und langhs den bergh enzovoorts.

Ordn. 7 Opnamenrs. 0672-074
21 juni 1567
Bericht van Adriaan van den Bijlandt, heer van Well en Bergen en tevens ambtman te Gennep aangaande de weg na der Lancker streckende is vor guith aingesiehen, dat die ingeseten vanHeijden und Peter van Beringe, so achter den hecken so der heer van Heijen vor den wegh gehangen hefft, geerfft und geguit sijn, und ander niemands over den wegh tot irer noottrifft in und uitfaeren, oick oere beesten der over drijven sullen …. und van niemandt frembders …… dan allein van den geerfden vurscr.
    Item van den wegh ain den Ortzbergh, sullen die nabuiren den gemeine feldtwegh darhin streckende, also halden und maicken, dat sij denselingen tot irer gefallen gebruicken kunnen, und sall der heer van Heijen so waell als ein ander sijn erff ain der gemeindten gelegen mogen afwerckrn und frijen und so van den Molenwegh vor oder achter ghein uthweinsingh is, worhin sich derselbige streckende doet, sall also wie derselbige  itzunder bij den hern van Heijen befunden, verbliven.
    Aingainde dat plecksken genoimpt die Pessen und so dar datselinge langh vor die gebrecken, soe der heer van Heijen gehad heeft worden gehouden tot profijt van de heer van Heijen.
    Aingainde den willigen, die heer van Heijen langes den Meer heeft gepoot, deze horen de heer van Heijen als medeheer toe.

Ordn. 7 Opnamenr. 0675
25 maart 1589
Jan Verhaegh en Jan Brouwer schepenen en de gemene schepenen der vrij heerlijkheid Boxmeer getuigen, dat wij hen in eigen persoon Vrouwe Maria, geboren gravin zu Nassau Catzennelleboge, gravin zu den Bergh, frij vrouwe zu Boxmeer en Bylant etc. onze regerende vrouwe verschenen is. Zij verklaart dat zij gerechtelijk Peter Boll van Heyden in de Boxmeerse schepenbank heeft laten komen om een verklaring af te geven over bepaalde visserijrechten. Peter was ongeveer 70 jaar oud. Hij verklaart onder eed dat het waarachtig is
a)    dat die greeff van Heyen voor desen gewest, genaempt Arent van Spannerbroock die visscherije wes aen der Beeck tho, niet bekroent heeft, dus ongestraft daar mocht vissen. Ook de huidige heer laat dit ongemoeid toe, alleen dat hij niet hebben en wol dat die van Meehr, de inwoners van Boxmeer, vischten binnens weerts, als het water groot is, dus als er hoogwater is.
Ten tweede zegt hij dat Pouwel Drubbel en Ott Crouwers zaliger altijd in dat water gevist hebben boven die Beeck en bij zijn weten niet door die van Gennep of van Heijen.

Ordn. 7 Opnamenrs. 0676 -0678 (opname 0676 ontbreekt!)
19 october 1647    Overzicht in inkomsten, die gedeeld worden van Adolpho Veltum als tijelijcken Custer tot Heijen:
Jan Ross                    onbekent

Henrijck Custers                onbekent
Peterken Eeren                onbekent
Ties Ebben            modo Sijn Genaede Freij Heer van Diepenbrouck tegen woor bewoont door Meus van Elsen
Jacob Havens of Gerit Smits             ignorata
Derijck Scheef            modo Jacob ter Vooren
Dat huijs aen de Meer            modo Sijn Gen. Freij H van Diepoenbrouck, bewoond door Gijsbert Geurts
Wijlijcken Hoff            modo sijn Genaede Freij H van Diepenbrouck, bewoont door Jacob Jansen
Des Heeren Hof of Pan=huijs        pertinet ad Generosum Dominum, maer leedich ende sonder woninge
Derijck Daemen of den Bouman        pertinet ad Generosum Dominum, maer geen wooninge
Jan Tijp            onbekent
Lisken Heeks            modo Laurents van Swaenenberch
Jan Hopman            onbekent
Theunis van Cloot, knooeden genant        modo Jan Gerrits alias de Suckerberg
Denis ofte Metjes Scheefen            modo Anneken Robben, deese erf is gelegen aen de Smeelen, maar sonder woninge.
Nelis Smits            onbekent
Jan Bois Linsen            modo Henderijck Bossen
Jan Viermans            onbekent
Ties Drissen        modo Henderijck Verhasselt bewoont van Claes Tissen
Derijck Linsen            onbekent
Derick Samans            onbekent
Henrijck Lauwers            onbekent
Willems Stocks            modo Peterken Ebben sonder huijsinge
Op den nieen Hoff in de Heij 2 huijsen    modo het eene Huijs het Clooster S. Agata. Het ander de Erfgenaeme van Hans Tegelaer
In de Lanckeren op de Maes        modo de Heer van Remmen maer geen behuijsinge.
De opstelling is op 10 september 1716 op verzoek van pastoor Bartholomeus Heckermans gemaakt i.v.m. de nieuwe koster Johannes Linsen.

1702 en 16 febr. 1703.        Ingevuld voorbedrukt formulier van geleden schaden in de tijd van de heer van Diepenbrock van Heijen door de legering van en het doortrekken van Franse troepen in het ambt Gennep, met name in de heerlijkheid Heijen, Kessel en Mook met afgebroken of verwoeste huizen, gestolen vee, meubels en baar geld, koren, brandschatting en uitgaven van betaalde sauve-guardes, houtgewas, verloren hooi en gras.
De schaden van de predikant van Gennep heeft hij in die van de stad opgegeven en de pastoor van Heijen in die van de heerlijkheid Heijen. De totale schade beloopt ongeveer 40.000 Reichsthaler.

Ordn. 4 Opnamenr. 1171
Archiefomslag, ex Staatsarchief Münster, Rombergsch. Archiv (Dep.), Haus Heyen, Karton 12.
        
Ordn. 4 Opnamenr. 1172
10 mei 1667            Uitgedeelte boeten, na verhoor vastgelegd te Heijen, wegens allerlei overtredingen, zoals oproerige uitlatingen, gewelddadigheden, scheldwoorden, vechtpartij of schlagereij mit den alten Custer, slaan en messentrekken.

Ordn. 4 Opnamenrs. 1173-1175
1669, 1670            Boeten te Heijen wegens het mestrekken op 31 mrt. 1669 van Merten Kusters op Handrijck Harkens; einde april 1669 heeft Marten Kousters de vrouw Lijesken van Seijmmens op haar borst geslagen; op de 16e mei 1696  heeft Martten Kusters een kind van Goussens ijnde Vran een brandwonde toegebracht; op 6 augustus 1696 zijn Tijs Ebben met Jan met den schop gaan vechten; einde aug. 1670 heeft Marten Kusters gevochten met Coejen Handdrijcke en is met een mes in de duim gestoken; op 2 september 1670 heeft Marten Kusters weer met een mes gestoken op de knecht van de heer van Heijen, zijnde Houbbert Weijllems; in juli 1670 vechten Andrijs Robben en onsen Weijllem en er wordt een mes getrokken; Derck Robben heeft knecht Frans van de heer van Heijen uitgescholden voor een per(d)sdijef en koedief; op 3 okt. 1670 liep Marten Kusters weer een boete op, nu voor de huid vol schelden van een vrouw; e.d.. Marten Kusters wordt o.m. een zeer hoge boete van vijf goud gulden opgelegd.

Ordn. 4 Opnamenr. 1176
18 augustus 1671    Voor de Heijense schepenen Cens (?) Bossen en Jan van Lottum is verschenen Joannes Cappelair, chirurgijn op het fort Gennep. Hij verklaart dat in de heerlijkheid Heijen een gewonde, een gequetst liggende persoon Hendrick van Weese aangetroffen is en op dit moment is den selven gequetsten buyten peryckel van sterven. De chirurgijn heeft de gewonde nu vijftien dagen bijgestaan.

Ordn. 4 Opnamenr. 1177
8 augustus 1671    Voor twee schepenen Derck Ebben en Jan Hendrickx van de vrijheerlickheyt Heijen geeft Hendrick van Weess een verklaring af dat hij van Gennep kwam en toen is Marten Custers bij Hendrick van Weess gekomen, vergezeld van kar en paard. Hem werd gevraagd of hij mee wilde varen en Hendrick antwoordde dat hij zich liever varen liet als gaen. Hij ging mee tot bij de Heess en onderweg is gesproken over die glaser welcke staen in joffrou Wijlickx huijs, als dat hij die betaelt soude hebben. Daerop heeft Marten Custers, Hendrick van Weess toegesprochen en geseijt dat light (liegt) ghij als een schelm. Daarop is Hendrick van de kar gesprongen, met een houweel achterna gezeten door Marten en daarop is Hendrick op het hoofd geslagen door de hoed heen en ter aerde geslagen. Vervolgens heeft Marten zijn zoon Jan het bevel gegeven er zo snel mogelijk vandoor te gaan door te roepen gaet jaegen, gaet jaegen.

Ordn. 4 Opnamenrs. 1178-1179
14 september 1677     Financieel overzichtje in een Heijens protocoll van boeten en betalingen b.v. aan de vicaris Bosch wegens de vicarie S. Nicolaas te Heijen met korte gegevens over de reis van Docter Haesbaert, de aanstelling van twee nieuwe schepenen, de monniken van St. Agatha genoemd den mungen zu S. Agten, i.v.m. het plaatsen van bijenkorven, het jagen met de heer graff von Buxmer.

Ordn. 4 Opnamenrs. 1180-1185
1730-1735     Opgelegde boeten in de tijd van Van Diepenbrock, heer te Heijen, wegens o.m. het foutief drijven van schapen, het maaien van klaver op een boetedag, het slaan van een dienstmaagd, het steken en weghalen van bloemen, plaggen halen op een zondag, heimelijk plaggen steken.

Ordn. 4 Opnamenrs. 1186-1188
18 maart 1719                 Mandatum, lastgeving en opdracht van Heijense ingezetenen wegens grooten mangel en gebreck aen Bouland …. en daer tegens grooten overvloet van Heijde land. Deze heide kan met alderminste schade voor bouwland ingezet worden als hoognoodigen en nuttelijcken wercks aldus dit schrijven van de ingezetenen Jacob Ter Vooren, de schepenen Berndt Bosmans, Derck Bouman, Peter Bouman, Derck Claessen, Kerst Busmans, Henrick Bossen, Jan Daemen aan zijne majesteit, de Pruisische koning, gericht. Dan volgen de eigen handmerken van deze ondertekenaars, omdat het meerendeel het schrijven niet machtig is en geen handtekening kunnen plaatsen.

Ordn. 4 Opnamenrs. 1189-1193
1691 en 10 maart 1692.        Gedetailleerde overzicht door de Heijense gerichtsbode en schepenen voor te betalen boeten, de opbrengst over te dragen aan de heer van Heijen, vanaf 4 maart 1691 wegens het aantreffen van vier met naam genoemde herders met schapen op den Hees, een scheld- en vechtpartij (door de Scholtis beboet), kapot getrokken kleding, het hooien op een zondag, het neerslaan en aanhitsen van honden, het drijven van schapen op land waar de tienden nog niet afgehaald zijn, het niet werken aan de oeverbeveiliging van de Maas, het doen van huiszoeking bij Marten Custers, verstopt gestolen hout, het tot bloedens slaan op een voorhoofd, ook slaan tijdens het drijven van vee, e.d..

Ordn. 4 Opnamenrs. 1194-1197
Circa 1665.            Inkomplete dus fragment ondervraging voor de Heijense schepenen Tijes Ebben en Jan van Lottum, waar ook voor de onsenen Scholteis Joan Deusingh een aantal lieden gedaagd zijn, zoals Jenneken Janssen, Teuws Janssen, Hendrick Bonenbergh.    
De vragen gaan over: de ouderdom der getuigen, welke meubelen en huisraad uit een huis gehaald zijn, waar verstopt en wat voor soort meubelen het waren? Of ook huisgenoten en kinderen geholpen hebben bij het wegdragen der meubelen? Of Derick Robben, “na gedaener nederlage“ van N. Raesfeldt, niet meer in zijn huis gekomen is? Of Derick Robben met andere gemeenschap heeft aan de meubelen, als ook in de Duffelt? Hoeveel hoornbeesten van koeien en ossen heeft hij in Heijen en in de Duffelt? Waar deze beesten in de nacht van de overval naar toe gedreven zijn? Hoeveel schapen hebben zij beiden voor dese nederlage in gemeenschap in Heijen en in de Duffelt en in welke schapskoij? Waar houden de beesten zich momenteel op? Of voor het voorval zij nog onderling discussies over beestenverkoop gehad hebben? Wanneer hebben zij den weerd van zijn Excellentie onder Beugen gepacht? Off niet waer, datt als Derick Robben de nederlage gedaen hadde, eijnige meubelen van Derick Robben huis gesinde aen offte voor deponents hujs zijn gebroeken? Wat soort meubelen zijn het geweest en waar verblijven ze?
Jenneken Jans zegt ongeveer 24 of 25 jaar te zijn. Ze hadden twee bedden der eener in des Custers huijs gebracht en het ander voor die doore nedergelaicht, oock een kleermandt mit eijnigh goet, maer niet wetent wat voor guider, die die op den tuijn van den Bongart nedergesat, maer waer dieselve gebleven, wiste die niet.Verder waren spullen met zijn allen naar Afferden gebracht, maar waar de meubels waren oindergebracht, bleef onbekend. Er wordt bekend dat het gaat om 63 koijbeesten ende stieren, die in Heijense weilanden alsop de Meersche weerth gaen. In de Duffelt hadden zij onder huer beijden tezamen 80 schapen en in Heijen 20 tot 25 stuks. Er waren bovendien 75 schapen in Wanssum gekocht en nog niet volledig betaald waren.

Ordn. 5 Opnamenr. 0000
Digitale bron C 1 - 3
Archiefomslag, ex Staatsarchief Münster, Rombergsch. Archiv (Dep.), Haus Heyen, Karton – Akten 23.

Ordn. 5 Opnamenr. 0001
Archiefomslag, ex Staatsarchief Münster, Rombergsch. Archiv (Dep.), Herrlichkeit Heyen,  Akten V, nr. 11 B
            
Ordn. 5 Opnamenrs. 0002-0005
12 april 1655         Inventarium aller ahn Hause Heijen befintlicher Mobilien staande op de zolder in     A) een grote kisten met lampet, tinnen kandelaars, koperen luchters, pannen en potten, enz.
        B) in een klein kistje met linnengoed, bedlakens, handdoeken, gordijnen, enz.
        C) koper en tinnengoed op de zolder en de balken
        D) grote koffers met allerlei inhoud aan pannen, tangen, lepels, deksels, sabel, verder een gevlochten stoel, wijnglazen, kannen enz. , enz.

Ordn. 5 Opnamenrs. 0006-0008
Mei 1703          Opgave en rekening van hetgeen opt huijs Heijen aan glasreparaties door Glasmaker Jan Zeller te Gennep in opdracht van zijn vader is verricht van nieuwe glase in de keuken en kamer, verwerkt lood, herstelwerk boven de Sael Camer, in en boven `t Kinder kamerken, in de staeff  (stoof) en in de kelder, op de Poort Camer. De rekening gaat naar Hans Michell Gronewalt, de beheerder van de Heijense en Bulderse heer Van Diepenbrock. De rekening van 31 gulden wordt 3 november betaald en voor ontvangst getekend door Mechtildis Zeller, par ordre mon père.

Ordn. 5 Opnamenr. 0009
Archiefomslag, ex Staatsarchief Münster, Rombergsch. Archiv (Dep.), Herrlichkeit Heyen,  Akten V, nr. 12 A
    
Ordn. 5 Opnamenr. 0010
3 mei 1522         Brief, mede ondertekend door de Heijense pastoor Alard Michiels, en geschreven door jofferen Elisabeth Spaenrebock, weduwe van Eijckel, frouwe tot Heijen met de gemene schepenen en naburen tot Heijen inzake de gunning van het kosterschap van Heijen aan Ruth van Veltum  (elders genoemd Ruth Custer)  en dit met instemming van bovengenoemde pastoor, dat hij levenslang, eerbaar en dienstbaarlich sal bedienen als koster en er tevens schoolmeester zijn en oock die kinderen in goeder disciplinen und Gades vrucht underhalden en daarop toezien. De inwoners zullen hem daarvoor belonen en o.m.  broden geven.

Ordn. 5 Opnamenrs. 0011-0012
22 november 1577         Ondertekende brief door Jan Mijchiels, Henryck Spanrebock, coster in der tyt tot Heyen inhoudende en ist o weten woe dat die Ehrentfeste duegendtricke Joffe Ganlant van Mevardt, frow tho Heyen und naegelatene weduwe Arnt Spaenrebockz zaliger gedechteniss mit vurweten und believen oerer tweer dochteren pachtz gewiess to gebruicken ingedaen hefft Henrick Spaenrebockz Custer thi Heyen und Johan Michiels vyr jarlanck, sonder eenige opsegginghe vast stedigh wehrrende, oere drie weykemppen, geheyten die Wittestein. De herverpachting voor vier jaar gaat in 1578 in voor zes daler per jaar.

Ordn. 5 Opnamenrs. 0014-0015
22 maart 1635         Onder de Heijense getuige en pastoor Marcellus Busselius Astensis (uit Asten) verklaren Peter Vermasen, Arndt Verhasselt, lambert Schreren, Roeleph Ridders, Henrick Haess, Mathijs Damen, Johann van Langhen als schepenen te Heijen en de kerkmeesters Wilhelm Lamberts en Hanrick Haess over de prestaties van de Heijense koster Adolph Rutgeri Veltum, die de school en de kosterij van de parochiekerk te Heijen bedient. Hij mag in die getimmerde schoel op den Kerckhoff, die wij van der Kercken renthen ende seeckere mithulp hebben laten bouwen en als vergoeding en tot zijn onderhoud krijgt hij jaarlijks daar voor vijff malder roggen, ein schepell.

Ordn. 5 Opnamenrs. 0016-0019
Kerstmis 1658 tot Pasen 1663        Extract uijt meester Aerdt ten Haeff zijn aenreickeningh voort den tyt als hij Cöster tot Heijen is geweest. Het betreft kosterschap vergoeding in de vorm van geleverde broden door inwoners zoals Willem lamers genaemt Vermaesen,Willem Ebben, Alardt Peters, Gerit Alarts, Derick Ebben, Derick Robben, Andrijs Robben, Frans Fouck, Hans Tegeler, Aerdt ingen Nielen, Cens Bossen, Jan Wolters, Jan Dinnesen, Jan van Elsen, Liesbet Thönesen weduwe Roderen, Willem Horstman, Marten Thönesen genannt Cösters, Peter Kerstjens, Thomas Janssen, Jan de Hardt, Vincents Boffen, Herman Thönessen genannt Ruiter, Jacop Ross, Willem Scheiff, Peter Kerstjens, Willem Henricks, Jan Ebben, Jacob Cösters gewesene köster, Berndt van Elsen, Hendrick Dericks Lodder, Willem Ridders, Berndt Bosmans, Jacob Witfelts, Derick Bouwmans, Jan van Langen oft Bossen, Lamert Schreven, Henrick Hanssen, Thijs Peters, Jan op den Suijckerberg, Peter Hacken, Herman Janssen, Claes de Vilder, Lambert Janssen van Asten, Hendrick Arts, Jan van Helden, Jan Gietmans, Jan den Wildenboer, Jan Leeuw, Thijs Janssen, Bastiaen in de Heij, Thijs Heckselsnijder, Geurt Micchels, Jan op den Kamp in de Heij, Jan Gerardts over het broeck, Jan Gerarts, Jan Bantz den dooven pauper en tenslotte joffrouw Wijlack.  

Ordn. 5 Opnamenr. 0020
Blnco opname.    

Ordn. 5 Opnamenrs. 0021-0022
15 april 1659                Ten tijde van Cornelis Vermeulen, pastor tot Heijen, en de schepenen ende nabueren der heerlickheijdt Heijen hebben deze Arnold the Haeff tot haeren schoelmeester aenghenomen haeren jetzigen Küster …….. om deselve schole te regeeren ende de kijnders te leeren. Bovendien zal hij alle Sondaghen ontrent twee oft drie uhren de kunders onderwijsen.  De onderwijzer zal daar voor de renthen ende inkomsten trecken, die hiervoor staan. In geval de Vrouwe van Heijen de twaelff Rijsdalers niet gheeftt aan Arnoldus, zal de betaling geschieden door de schepenen en nabuiren op de feestdag van S. Martin (11 november). Dit jaar 1659 zal de meester niet de twaalf Rijksdalers genieten, maar de pachtpenningen van den vierden (tiend)Block naest den Papelier. Den aenvanck der school is geschiedt den twaalftten Januarij 1659.

Ordn. 5 Opnamenrs. 0023-0033
14 febr. 1664        Onderdanig tegenbericht bij bijlagen, gemerkt A,B,C en D    contra Arndten ten Haeff, Custer ende Schooldiener tot Heijen, aangeleverd bij Martinus Haesbaert te Kleef.
De eerste brief is gericht aan de Vrouwe van Heijen aangaande klachten en onverstand van Arnold ten Haeff, na consulatie van de procurator van de Gaesdonck. Er is sprake van stoten, steecken, mishandeling van leerlingen, waar Godt in den hemel weet in ‘t minste geen oorsaeck tot en hebben gegeven  ……. het vinden in de herberge ….. bedrogen ende belogen soude hebben ….. verder de aanklacht wegens hett leeren der reformeerde boecken terwijl er in de Gantsche Gemeente geen refomeerden en sijn die kinderen ter school sturen en men oock geen onderscheijt der religie speuren kan. Ook zou de schoolmeester kinderen reformeerde boecken geweijgert hebben om daaruit te leren, welke de moeder haar kinderen had meegegeven. De onderwijzer zegt zulx niet te hebben gedaen sonder voorweten van haren man, welcken Catholish is. De schoolmeester wordt ook beschuldigd dat hij bij de kinders soude geroockt off gesmoockt hebben. Dat kann echter niet waar zijn, omdat de onderwijzer van Toebax geenenn Lieffhebber is. Ook dat hij biert en brandewijn zou tappen is onwaar. De onderwijzer verzoekt de Vrouwe van Heijen om eerherstel.

Ordn. 5 Opnamenrs. 0034-0037
1664        Verslag of Memorial en verzoek van Arnold ten Haeff hoe schrickelick en ellendich Jan van Lottum, schepen tot Heijen, met sijnen soon Zijbert mij op 9 oktober 1664 in den duijster nacht op `s Heerestraeten hebben naegeloopen, nedergeworpen, geslagen en gesteecken … te bedde moste blyven …. in 17 off 18 dagen sonder hulpe, niet koste eeten noch kleeden ende ontrent 3 maenden moste gaen, item den gantschen winter met de gewonde handt niet bloot connen wesen.  Hij had daardoor niets kunnen doen    en ook geen meesterloon gekregen.

Ordn. 5 Opnamenrs. 0038-0039
13 januari 1664        Verklaring van de chirurgijn Cornelis van der Poel dat de koster van Heijen, Aerdt ten Haeff, bij hem gekomen is met een steekwond in zijn hand tussen de zenuw en de botten, seer periculeus, zodat daar een lamme hand uit kan voortkomen. Voor de medische behandeling had Aerdt hem ses gulden hollands betaald.

Ordn. 5 Opnamenrs. 0040-0041
9 mei 1670            Kopiebericht als dat den Heere van Blienbeck als praetenderende te hebben de collatie (benoemingsrecht) van den Custerije tot Heijen en dat Jacob Custers van der Horst al gedurende de tijd van 6 jaar dit beroep in Heijen uitoefent tot tevredenheid. De schepenen en naburen bevestigen dat met hun handtekening of handmerk.

Ordn. 5 Opnamenrs. 0042-0043
3 mei 1582            De gemene schepenen en naburen van Hweijen en vrouwe Elisabeth Spanrebock, weduwe van Eickel, bekennen unsere kustereij tho Heijen levenslang gegund te hebben aan Ruth van Veltum en dat met instemming van hun pastoor Alard Michels. Ook heeft Ruth de plaatselijke school te bedienen waar enige kindern, knechtjens ende mechtjens naar toe gaan om te leren en in goeder disciplinen und Gades vrucht worden groot gebracht tegen beloning van de gebruikelijke broden en andere toevallen.
Het origineel van deze brief berust bij Henrick Bonenberg, rector tot Kleef.

Ordn. 5 Opnamenrs. 0043-0044
15 juni 1685            Met het opgedrukte Gennepse Stadt Siegel bevestigen burgermeister, scheffen und raht der Stadt Gennep dat juridische discussie gaande is tussen Berthina Elisabeth van Vittinghoff genannt Schell Gerichtsfrawlein der herligkeit Heijen contra Arnoldus ten Haeff, custos beij der parochial kirche alhie zu Gennep, de echtheid van zekere brieven.

Ordn. 5 Opnamenr. 0045
Rond 1700         Brief van Johan Lensens, custer in Heijen,    aan de richter (te Kleef?) waarin gesteld dat hij aangesteld is door de vrijheer van Bulderen en Heijen en voor getrouwe dienst ook een getrouw loon hoort. Hij stelt dat de gewezen koster en schoolmeester Arnolt ten Haeff jaarlijks genoot op Pasen en Kerstmis tien pond brood, zoals alle kosters genieten te Otersum, Hommersum, Kessel, Mook.

Ordn. 5 Opnamenrs. 0046-0049
Gennep, 19 september 1705         Rente-overzichtlijst van Renten soo tot die Custerie tot Heijden gehoren kaern pacht (korenpacht). Daarin geeft Willem Scheif(t) uit zijn huis en hoft een malder gerst. Als pacht-onderpand gold hiervoor een land in den Hoppenkamp, maar deze pacht is later in een slechter onderpand omgezet van ongeveer een morgen licht land achter den Sprinkheuvel aen die heijde.Iten heeft den Custer uit ider huisstede 20 pont broots te weten 10 pont op Kersfeest en 10 op Paesfeet. Tot onderpand hiervoor geldt:
Een slegt weitien genaemt des Custers hoef neffens den leijgraeft en neffens die heijde, een eind ligt naest Heijen op Poelmans hoeff. Aldus worden verschillende weide- en bouwlanden genoemd die tot onderpand dienden op den Laxen wech, het Sparenbroek, in den Masenhoeck, ´t Pastorien erft
Voorts volgt de opsomming van de renten der schoole tot Heijden, welck op den Kerckhof wt der kerken middelen gebouwt ende getimmert is van de tijtlijke kerkmeester. Die renten syn gelegen  in een nieuw erf, een nieuwe boerderij, tussen Heijden en Hommersum gelegen en brengt jaarlijks 3 vat rogge op. Hiervan heeft de heer van Heijen (tiend)blocken van 1,5 amlder rogge, de rentmeester Eb Stickers één block ter waarde van 3 vat rogge, Hendrick Custers kynder 1 malder en 1 vat rogge, den wildschut 3 vat rogge en Lamert Schreven idem. Voor wordt gezorgd voor de armen van Heijen.
Opgemaakt door onderschreven Arnoldus ten Haeff, gewesene Custer in Heijen van meester Johan Lijnsens, tegenwoordich Custer aldaer, die verzocht ist e berichten hoe het precies geregeld was met het Paesbroot ende het Kersbroot.Soo heb ick hem sulkx niet konnen weijgeren, waerom ick mits desen Attestive, da tick ten tyte van mijne school en custerij bedienung voor de jaren 1658, 1659, 1660, 1661, 1662, 1663, 1664 en 1665 aldaer het Paesch ende het Kersbroot heb ontvangen.

Ordn. 5 Opnamenrs. 0050-1053
1658-1663        Extract uit de aantekeningen van koster en schoolmeester A. ten Haeff.
Deze lijst is een variant op voorgaande inkomsten, genoemd onder 0016-0019.

Ordn. 5 Opnamenrs. 0054-1055
1 mei 1706        De custer en schoolbediender Johan Lensen van Heijen bekent jaarlijks van:
1) Jan Maes, custer tot Kessel, zijn brood ontvangen te hebben.
2) mijn broot ontvangen te hebben van Hendrik van Neer, custer tot Hommersum, uit jder huis alwaar rook op gaet.
3) De koster van Afferden, Jan Jurgens, bevestigt de  ontvangst van 15 pont broot ende enen sester roggen van jeder huis.

Ordn. 5 Opnamenrs. 0056-0058
3 augustus 1734        Groot Consistorium, gehouden in Gennep. Naast de prediger Theodorus Erpers zijn aanwezig de koninklijke tolbesiender W. Ommeling, Schepen van Erpers, Monsr. Herman Nolbeek/Holbeek, ouderling, monsr. Nadler, Herman Iagers diakon van den gewesene consistorialen, die alle geconcoceert syn, syn verschenen de Heer ontfanget Cöster, de W. Reinier Reiniers, de accise inspector Helmke, de Hr. Iacob Reiniers, Hr Putten
Post in vacotionem nois Divoni
Heeft de peridger voor gestelt, dat volgens de resolutie in vorigen consistoria genomen, het oog merk van dese vergadering was, om eenen nieuwen Latijnsen Rector en organist te beroepen, de hr. Burger mr. (burgemeester) Leurs in consistorio absent blijvende, soo is hij door de schoolmeester versogt om als een consistorial in consistorio te komen dewijl het consistorium yet noodsakelicks aan hem voor te dragen hadde, die daarop verschenen sijnde, soo is het antwoord twelck een consistorium op sijnen proppositien aan/door de prediger voorgedragen,
den 1e deses in consistorio gegeven heeft, uyt het Kerkeprothocol aan hem voorgelesen, de dat het consistorium, hoewel met fundament praetendeert, dat het beroep in de Kerke geschieden moet, nogtans, als dan toestaat, dat het beroep van den Rector voor dit maal op het Raadhuijs geschiede, wanneer de Magistraat ook consenteert, dat t in toekomende in de Kerke geschienden sal, en also alternative, ten 2e dewijl uijt het Kerkeprothocol blijkt, dat bij het beroep van de vorige Rectoren en organisten Bollenberg en Van de Wehrt ook het groot Consistorium, hare vota gegeven heeft, silks ook in andere plaatsen gebruikelik is, hetr consistorium derhalve oordeelt, dat het daarbij blijven moet,
waarop de Hr. Burgermr (burgemeester) namens de Magistraat repliceerde, dat hij de Magistraat daar over vernemen mochte, en is daarop met schepen Erpers naa het Raadhuijs, naa de Magistraat gegaan, van waar scheper van Erpers met dit antwoord terug gesonden is, als dat de Magistraat praetendeerde, dat het beroep van de Rector op het Raadhuijs geschieden moeste, wijl de Magistraat de rang toekomt, en wel door een klein consistorium.
Waarop uijt liefde tot eenigheid en vrede, de burgermeester nomine Magistratus nog maals door de schoolmeester in consistori versogt is, die sigh heeft laten excuseeren, dat wegen affairen niet konde afkomen, de wijl nu dit beroep geen verder uijtstel lijdt, soo heeft een groot Consistorium goetgevonden, daar mede voort te varen, tot dien eijnde is de BURGERMEESTER Leurs door de schoolmeester versogt, om in de naam van de vrijheer Van Diepenbrock dit beroep bij te wonen, volgens de volmagt aan hem daartoe gegeven, als blijkt ex adiuncs nr. 1
Die heeft laten antwoorden, dat hij sijnen Heer in geen actie of proces wilde brengen, dewijl nu de Burgermeester nog int eene, nog int andere sigh niet schikken will, en de Magistraat ongegronde dingen praetendeert, soo sijn in consistorio voorgestelt W. van Basten l.l. Theol studiosus, informator op het vrij adelick huijs Calbeck, en hr. Umminkhausen, rector tot Schermbeck, waarop vervolgens Hr. van Basten met eenparige stemmen tot Latijnse praeceptor en organist deser gemeinte verkoren is, op conditien, die nader in het beroep schijn sullen beschreven worden, en in consistorio voorgelesen sijn, is deze handeling met den gebede geeyndigt.
(Ondertekend) Theod Erpers, prediger.

Ordn. 5 Opnamenrs. 0059-1061
Gennep, 15 november 1741        Overlijdensbericht (aan de vrijheer Van Diepenbrock te Heijen) dat de rector en organist van de stad Gennep is overleden, al langere tijd lijdende aan een quade borst … en verscheijde reijsen veel bloed van boven gestort heeft. In die ziekelijke tijd, tussen Paaschen en Pinckstern trouwde die goede man tot onse verwondering nog een vrouw (een ionge dogter van Goch, daar hij in het kosthuijs geweest is), daar hij reeds doen seer swaklik was. Nu hij overleden is, is het beste voor de gemeente en ieugd .. wederom een ander bequaam subiect aan te stellen. Er hebben zich al personen aangemeld bij prediker Theod. Erpers.

Ordn. 5 Opnamenrs. 0062-1063
Heijen, 11 december 1746        Bevestiging van de schepenen, geerfden en inwoonders der vrije Heerlyckheijt Heijen, dat zij vernomen hebben van hun vrijheer Van Diepenbroeck, vrijheere tot Bolderen en Heijen dat hij de aanstelling goed gevonden heeft van Arnoldus Ebben tot koster en schoolmeester. Arnoldus is nog zeer jeugdig (17 jaar) en de wettige zoon van Derck Ebben, inwoonder alhier en van ouders tot ouders hier uijt Heijen gesprooten. De ingekomen bezwaren vanwege zijn jonckheijt worden gehoord en afgewezen.

Ordn. 5 Opnamenrs. 0064-0066
Heijen, 4 juli 1747        Onder de Heijense pastoor Barth. Heckermans gaat een brief naar de heer van Heijen om die en onse niewe gemaeckte kennis en vrintschap des te beeter te stabilieren en ook over wat de onderwijzer Ebben in de mouwe en in de schilt gevuert heeft en zou de heer van Heijen wel oijt gedacht hebben, dat soo een particulieren Grootspreker die stouticheijt soude derven gebruijcken…… ende sich te opponeeren ende mit gewelt sijn soon soeckt in custerie en schoolmeesterie in te dringen, daer sijn soon noch tot het eene of tot het ander capabel is ….. en aen sijn Koning Majesteit in Prussen geangaseerter soldat is … den vaeder sijnen soon, noch den soon sich eijgen selfs tot andere dinsten konde presenteren …. En als hij de collatie gesonnen heeft de soone ouder aengegeven hebben als 15 a 16 jaaren aen wie de jugent principael, noch de kerck mit haare meubelen niet kann toe vertrout worden …. En daerom is hij niet capabel custer of schoolmeester te weesen.  Het zou goed zijn als ook richter Leurs hiervan op de hoogte gebracht wordt.

Ordn. 5 Opnamenrs. 0067-0068
1695            Extract uit een register van de kosterij van Heijen, geschreven door de heer Emericus Krift, destijds pastoor in Heijen. De notities die dan volgen komen in grote lijnen overeen onder voorgaande opnamenrs. 0046-0049. De volgende veldnamen worden genoemd boven de Meer, Spaenrebroeck, Calcker, Maessen hoek, pastorien lant, t Cromlant, het Geerken. Belangrijk is dat deze landerijen syn van alder tot alder thijns- en schatting vrij!

Ordn. 5 Opnamenrs. 0069-0070
Circa1695            Overzicht van renten, die de schoole tot Heyden toekomen, in totaal 5 malder en 2 vat rogge, komend uit diverse tiendblokken, vooral gelegen tussen Heijen en Hommersum.

Ordn. 5 Opnamenr. 0071
Archiefomslag, ex Staatsarchief Münster, Rombergsch. Archiv (Dep.), Haus Heyen,  Akten, Karton 20

Ordn. 5 Opnamenr. 0072
Archiefomslag, ex Staatsarchief Münster, Rombergsch. Archiv (Dep.), Herrlichkeit Heyen,  Akten V, Nr. 11 A 3

Ordn. 5 Opnamenrs. 0073-0076
1656 en later            Ermen Einkompsten zu Heijen -- Overzicht van inkomsten voor de armen van Heijen uit bouwland, geregistreerd door Ebb Sickers uit land van Arndt ingen Nijlen zoals vaten rogge, en uit land auff die Lehmslkuylen. Geldinkomsten uit gestort kapitaal van 200 Kleefse gulden, zoals blijkt de notities van rentmeester Jacob Reiniers, tegen 5% rente.
Andere aantekeningen zijn van de ermen meisters over de jaren 1666, 67, 68 en 1669 met de naam Wilhelm Henrichs en meister Henrich Hensen.

Ordn. 5 Opnamenrs. 0077-0078
1665 -  1667            Overzicht reparatiekosten kasteel Heijen van de vakman Jacob Reiniers, zoals ijzerwerk (ankers, solder nagels, buijtenste deur aant gevangen hüis, ancker nagels, grote nagels aent pannehuis, slot vermaakt, gewerkt aan de slagboom, een vetter of touw aan de gerepareerde putemmer gemaakt, 50 groote nagels aen de voorster gevangen deur, een nachtslot aan de poort, haken aan de putketting, een hengsel en ankers voor het pannenhuis, solder nagels aen de schapskoij, noch den emmer uijt den put gehaelt, handvaten gemaakt in de keuken,  vensters en deur van de keuken gerepareerd,  werk verricht int brauhus en in de koeijstal, dat slot van de kelder vermackt en dat van de saal kamer, een tesslot gemackt en het slot van de klincket … met een slutel.

Ordn. 5 Opnamenrs. 0079-0087
1663, 1664 e.v.             Overzicht van schulden, drukkend op kasteel Heijen vanwege geleend geld van voorheen Wernar Ruffars en nu Theijs Krifts te Beugen (100 daler Clevisch); van Convent Jerusalem te Venray (1.000 gulden Kleefs); licentiaat Johan Bosman (200 Kleefse gulden): vicaris van het altaar B. Maria Virginis in Hassum van o.m. 10 Philippus gulden vanaf 1526 (totaal 133 gulden);  de provisoren van het gasthuis te Gennep (75 gulden);  de armenkas van Hassum; van die arme Mannen zu Ghoch (100 Philippus gulden); een bedrag uit een bruidschat; een klein bedrag van de parochiekerk van Heijen;  de pastoorvan Heijen;  het klooster Marienbaum; vicarie St. Nicolai te Heijen, e.v.

Ordn. 5 Opnamenrs. 0088-0092
1664, 1665, e.v.             Overzicht van verschillende soorten ontvangsten wegen Nichte Bertine Elisabeth (von Vittinghoff, genannt) Schell, als ook van allerlei gewone en buitengewone uitgaven.

Ordn. 5 Opnamenrs. 0093-0096
1664, 1665            Rekening te Gennep opgemaakt van reparaties voor Hermen Jegerlingh, gemaakt ten behoeve van het adellijk huis Heijen, zoals een slot gemaackt aan de kamerdeur de trap op te gaen; een emmer uijt de put gehaalt een nij oor aangemaackt en een hengel;  een paar gehengh …aan de schuer;  een nij isere rol in de put, ses haltvasten gemaakt voor het huijs aan den bock tot defentzij van winterdach voor den isganck, loot om in te gieten tot houvast, een breeck iseren gemaakt;  grote nagels aan dat gevanckenis, allerlei nagels en ankers; gemaakt een castralij (traliewerk); een band gemaakt int kijckgat; werk aan de hondenstal; grendels en krammen, etc.

Ordn. 5 Opnamenrs. 0097-0100
1665            Contract of akkoord van een openbare verpachting (met brandende kaarsen en bij opbod) van seeckere bloockes Bouwlants den armen toeghehoorigh in een Heijense herberg door de kerk- en armenmeesters te Heijen in guldens van 70 stuiver Kleefs per gulden, de pacht op Martini (11/11) jaarlijks te betalen. De pachtsom kan worden uitgepijnd bij niet voldoen.

Ordn. 5 Opnamenr. 0101
Archiefomslag, ex Staatsarchief Münster, Rombergsch. Archiv (Dep.), Haus Heyen,  Akten Nr. Karton 19

Ordn. 5 Opnamenr. 0102
Archiefomslag, ex Staatsarchief Münster, Rombergsch. Archiv (Dep.), Herrlichkeit Heyen,  Akten V, 11 A 3, Band 2,2

Ordn. 5 Opnamenrs. 0103-0106
1649 / 1650            Rekening van Hermen Jegerlingh vanwege reparatie- en herstelwerk aan het Huis en Inventaris van het kasteel Heijen, zoals het maken van een mistgaffel, winckelhaecken, voor de heer van Heijen een ketting gemaakt voor zijn pistolen, een slot aen de schaeps keuij; ankers, deurhaken en handvaten aen die staldeur; anckers aen dat secreet (W.C);  vier paer gehengh mit sijn toebeheur aen den gaerden tot die deur en …. een klinck met een oplichter aen dat secreet; diverse soorten en maten handgemaakte nagels o.a. voor de paardenstal; een biel gemaeckt …. en een groot slott aen den slachboom … aen die deur in den kelder …. een paer brant roeijen gemackt.

Ordn. 5 Opnamenrs. 0107-0116
8 april 1650, 1651 e.v.            Landerij-pachtopbrengsten van het Huis Heijen uit der grosser Schmalert (21,5 morgen groot); der kleiner Schmalert (6,5 morgen), deels in geld maar ook in ponden meijbutter en fahnen bier; der Houck (8 morgen); das Treckgras (7 morgen); Lanckersche Wehre (5,5 morgen); Grosse Hogeheij (18 morgen); Düsterkämpgens (4,5 morgen); zweij Kämpen auff der Locht (7 morgen); Der Horn/Kornacker (4 morgen); Elsencamp (6,5 morgen); Hoge Pollacker ( 4 morgen); Lege Pollacker (5,75 morgen); Newercamp (4,5 morgen); Pölleken ( 3 morgen); Papenlier (15,5 morgen); Schmale Kämpgen (2 morgen); Kuhcamp (4 morgen); Die Steil (3 morgen); Gysenbues (3 morgen);

Ordn. 5 Opnamenr. 0117
Archiefomslag, ex Staatsarchief Münster, Rombergsch. Archiv (Dep.), Haus Heyen,  Akten Nr. Karton 28
        
Ordn. 5 Opnamenr. 0118
Archiefomslag, ex Staatsarchief Münster, Rombergsch. Archiv (Dep.), Herrlichkeit Heyen,  Akten VI, nr. 11

Ordn. 5 Opnamenrs. 0119-0124
5 mei 1556        Kopiebrief inzake erfenisdeling tussen Aleff van Meverden tho Hassent en Arnt Spanrebuck, heer te Heijen, als momber (voogd) van joffer Galanth van Meverden en Goert van Meverden en Goert van Meverden, als momber van joffer Arntz van Meverden anderdeils, eliche broeder und suesteren. Op de 4e mei 1556, na goed scheidsrechterlijk overleg tussen familie en vrienden, is een verdeling tot stand gekomen, die nageleefd moet worden onder een boetebeding van duesent golden alde schylde. De arbiters zijn de Erentvesten und vrommen Aleff van Meverden tho Smithuisen, koeckenmeister (keukenmeester) en Henrick van Diepenbrock ther Empell, Ruetger van Randwyck en Derick van den Kollick.
Gemelde Aleff van Meverden tho Hassent zal hebben en behouden de erven und guederen, gerede und ungerede, bewechlich und unbewechlich …. dair oer vaeder und moeder ynne verstorven unde ennichsins achtergelaeten.  Alef zal zijn zusters voor hun aandeel (kyntzdeil) uitbetalen bynnen der Stad Embrich (Emmerick) yn dat Crues Broederen klooster, zijnde die gelleffte als twelleffhundert enckelle guelden myt bescheiden golden gulden …. De ander helffte als oick twelleffhundert golden gulden myt gueden anderen golden und sylveren payment. Zo zal ook Arnt Spanrebuck, heer tho Heiden, als van wege synre huesfrouwe een aandeel krijgen.

Ordn. 5 Opnamenrs. 0125-0127
9 maart 1558        Er is irrungh ind misverstandt ontstaan tussen Arndt Spaenrebock, hern tho Heijen, enerzijds en zijn zwager Adolff van Meverdt anderteils, komende van een hoofdsom ter grootte van negenhondert golde gulden ingevolge een tussen hen beiden bestaand maichgescheidtz (erfdeling). Genoemde Van Meverdt had de besproken penningen ferdich liggende gehad en Spanrebock daarover tijdig geïnformeerd maar is den vurscr(even) hern tho Heijen ther tijt niet gelegen geweist andere penningen, dan enckell golde guldens tontfangen,ofschoon het wel de gerechte weerde an andern gueden paijment dairvoir gelacht was. Het vrijgemaakte geld in penningen heeft Van Meverdt weder moeten upseggen, waardoor de bepaalde betaaltijd overschreden is. Daarover volgt een beklag bij edelen aan beider zijden o.a. aan Willem, graaf van den Bergh, heer van Boxmeer, etc.. Hierop hebben bemiddelaars als Henrick van der Hoevelwick, Thomas van Bellinchaeven, haiffmeister, Sander Tellich en Arndt Visscher, richter t Westerfoirdt een vergelijk kunnen treffen. Vervolgens betaalt Adolf onmiddellijk vyr hondert golde gulden via Sweer van den Stein, de resterende 500 goud gulden mag Van Meverdt jaarlijks honderd gulden inhouden via goederen aan de Rijn gelegen.

Ordn. 5 Opnamenr. 0128
Archiefomslag, ex Staatsarchief Münster, Rombergsch. Archiv (Dep.), Herrlichkeit Heyen,  Akten VI, nr. 10

Ordn. 5 Opnamenrs. 0129-0131
Ongedateerde afstammingsoverzicht.         De 2 x acht, dus16 adellijke voorvaderen van moederszijde van Henriette Maria van Ittersum aus dem Hause Langenbruch en van vaderszijde van Herman von Ledeburg, Hr zur Kónigsbrüch, Arensthorst und Tappenburg, opgesteld door Muhlenkampfg.

Ordn. 5 Opnamenr. 0132
Archiefomslag, ex Staatsarchief Münster, Rombergsch. Archiv (Dep.), Herrlichkeit Heyen,  Akten VI, Nr. 9

Ordn. 5 Opnamenrs. 0133-0135
24 augustus 1593        Schuldverklaring van Alter Knippinck, heer te Heijen, wegens 1900 gulden Brabants, geleend van zijn broer Conrad Knippinck, Commenthürs zu Heillpron, en erfgenamen. Dit geld is bedoeld zu reparerungh und wieder erbawungh meines Hauss und Schloss Heijen. De leenheer van Heijen, te weten de graven van den Bergh te Boxmeer zijn hiervan op de hoogte.

Ordn. 5 Opnamenrs. 0136-0137
10 december 1660        Brief (kwitantie?) ondertekend door Joost van Till, waarin Alter Knippinck en zijn vrouw Elisabeth Spanrebock verklaren, aan het overleden echtpaar Lambert van Till en joffer Frans Spannerbock bij huwelijkse voorwaarden van 1583 afstand te hebben gedaan van de vaderlijcke ende moederlijcke erftenisse…… ende onse vorscreven grootmoeder joffer Frans Spannerbock competerende kindsgedeelte aen de heerlijckheijt Heijen en de goederen aldaer, vier duijsent daelers vorsproeken ende volgents uijt crachte van het accoord met wijlen onse vader saliger jonckher Willem van Till op 4 mei 1611. Ook de tegenwoordige vrouwe van Heijen, (Bertina Elisabeth) von Vittinghoff genant Schell , geborene van Bonen, onze veelgeliefde moije is hiervan op de hoogte. Daarop heeft Agnes Margarethem van Bonen, douwagiere van Vittinghoff genaemt Schell, vrouwe tot Heijen & Schellenberg, haer erffgename ende naekomelinge de uitbetaling gequitteerd.

Ordn. 5 Opnamenrs. 0138-0141
4 mei 1611        Doorgehaalde brief waarin verwezen wordt naar een regeling van 1 januari 1578, waarin jofferElisabeth Spanrebock eerst met Hendrick van Eijckel en vanaf 1582 met Alter Knipping gehuwd blijkt. De geldelijke uitkeringen, ijren kindsdeil to Heijen en de hoofdsom van de hilixpennungen worden weergegeven tussen de partijen van de heer en vrouwe van Heijen enerzijds en hern Til an d’ander sijde. Vier verwanten und frunden van beide partijen bemiddelen, ten eerste Alter Knipping en zijn echtgenote Elisabeth Spanrebock wegens ijren nèf Til (Tijll) voor gedachte 4.000 daler en den groten und kleinen Smalert mit die Dusterkempkens und Pulmanskamp. Verder nog een weiland achter Beringens Ossenkamp met nog die helft van 20 malder rogge of gerst erfelijke jaarrente tot Beck und Loen (Vierlingsbeek en Overloon) waarvan de andere helft jonker Wilhem van Til toehoort. Voorts wordt een zeker onderpand geclaimd op der Bügensche werdt an der Masen. Ander grondstukken worden in de regeling opgenomen, zoals die Locht, dat küningstück groet vijf mergen, beide boulant, den Wijerspoul und ein stuck lantz genant den Lanckeren.
Tot getuigen van deze regeling zijn aanwezig: die edele ehrentfeste Wilhem van Steinhuys tot Opplo, Helmich van Schewick to Driesbergh. Liffort van Beringen und Arnolt van Randwijk.

Ordn. 5 Opnamenrs. 0142-0146

4 mei 1611 (met notitie van 1 mei 1612, 1613 en 1614)        Kopiebrief, geschreven door Adolphus Braem, secretaris Gritensis (Grieth?), waarin vervat de tekst van de akte van bovengenoemde opnamen (0138-141) over Elisabeth Spanrebrock, eerst gehuwd met Hendrick van Eickell en vervolgens met Alter Knippinck en haar innigen suister Frans Spanrebrock, gehuwd met Lamberdten van Tijll.

Ordn. 5 Opnamenr. 0147-0148
9 december 1611        Extract uit de Kleefse Rekenkamer namens de keurvorstelijke Brandenburgse, Pfältz Newburgs Clevische Räthe ondertekend door Wessell van Löhe, heer te Wissen en Frans vonn Eijckell wegens notities over pachtaangelegenheden van Alter Knippink te Heijen en Henrichen van Meverden.

Ordn. 5 Opnamenrs. 0149-0151
2 – 7 juni 1613        Verdrag van de heer van Heijen, Alter Knippinck, ambtman te Liemers wegens zijn aandeel in pachtinkomsten, houtgewas die Heesse genandt darbeij die NeiHeijenschen Zehendt und den Fishwasser undenn und bovenn Heijen in der Mäesen, all ihm dem Amptte Gennep und Herlichkeitt Heijenn gelegenn, jacht- en visrechten te Heijen en de rol van de zeittlichenn Rentmeijsternn zu Gennepff.

Ordn. 5 Opnamenr. 0152-0153
1613 - 1614        Rekening inzake kosten voor Alter Knipping, heer te Heijen, van Joh. (?) Soentgens m.b.t. Genneperloe.

Ordn. 5 Opnamenrs. 0154-0157
Mai 1616.            Concept van een obligatie van Alter Knippinck, heer zue Heijen, drost zu Emmerich, der Limers und Sevenar, Kriegs Commissarius en zijn gemalin Elisabeth Spannerbock, waarin zij bekennen dat het Huis Heijen door brand grotendeels verwoest is en voor herstel grote bedragen nodig zijn o.a. 1900 munten brabandischer wehrung.
Betrokken hierbij zijn broer Heinrich Knippinck zur Hackfuerth wegens 3500 daller Cöllnischer Wehrung en broer Conradt.
Tot onderpand dient Haab und Gueter en bidden God, dat alles goed mogen gaan.

Ordn. 5 Opnamenrs. 0158-0159
22 augustus 1618            Memorial weges des vatters Hern zu Heijen sache, signatum 22a Augusti Ao. 1618. Genoemd wordt hierin Knippinck zu Hackfort; Dietrich Knippinck; Kleefse landrechten; Kindsdeel;

Ordn. 5 Opnamenrs. 0160-0163
1548, 1575 en later.        (Klad?)brief van Alter Knippinck, heer te Heijen en drost te Zevenaar en     …..  inzake een schuldvordering op Josinen Suthens (Josina  Soitgens) en haar kinderen. Blijkbaar gaat het om processtukken met frequent gebruik van Latijnse juridische termen. Verder worden daarbij genoemd: Theodorus Sandz; Sibilla, geboren van Westerholt, weduwe Knippings zur Haickfurt.   

Ordn. 5 Opnamenr. 0164
Archiefomslag, ex Staatsarchief Münster, Rombergsch. Archiv (Dep.), Herrlichkeit Heyen,  Akten VI, Nr. 4

Ordn. 5 Opnamenrs. 0165-0171
5 augustus1648        Huwelijksvoorwaarden tussen Peteren Dietrichen von Eickell, Herrn zu den Ham, zoon van wijlen Dietherichen von Eickeel zu dem Ham, keurvorstelijke Brandenburgse raad en waltgraven zu Nirgenair, drosten zu Goch en vrouwe Margreten von Aldenbockum, met juffrouw Hertzlieb von Boenen dochter van wijlen Georgen von Boenen zu Overfelde, Herre zu Heijen und Galandt, geboren Knippinck. Voorwaarden zijn o.m. dat zij christelijk huwen; dat zij een huwelijksgoed een indonationem propter nuptias inbrengt; inbreng van het adelich haus zum Hamm met alle aangehorigheden en adellijke rechten; de ouderlijke erfenis; inbreng van een zogenaamde morgengabe waarvan zij levenslang gebruik mag maken; een regeling wordt gemaakt voor de kleding, de kleinodien, de bruidschat en 4.000 daler; de erfenis van toekomstige kinderen.

Ordn. 5 Opnamenr. 0172
Archiefomslag, ex Staatsarchief Münster, Rombergsch. Archiv (Dep.), Haus Heyen,  Akten – Karton 27

Ordn. 5 Opnamenr. 0173
Archiefomslag, ex Staatsarchief Münster, Rombergsch. Archiv (Dep.), Haus Heyen,  Akten – VI, 3 Band 2

Ordn. 5 Opnamenr. 0174
Archiefomslag, ex Staatsarchief Münster, Rombergsch. Archiv (Dep.), Haus Heyen,  Akten – Karton 24

Ordn. 5 Opnamenr. 0175
Archiefomslag, ex Staatsarchief Münster, Rombergsch. Archiv (Dep.), Herrlichkeit Heyen,  Akten  V Nr. 14

Ordn. 5 Opnamenrs. 0176-0178
5 maart 1622        Brief in Zevenaar geschreven door Alter Knippinck te Heijen, ambtman in de Liemers, aan de keurvorst i.v.m. het bezichtigen, inspecteren, beschutten van de passen, landweren, slagbomen onder levensgevaarlijke omstandigheden, gemaakte kosten in herbergen als im Engell te Kleef en in der blauwen Druven te Wezel. die aus meinem Beutel betaald moesten worden.

Ordn. 5 Opnamenr. 0179
18 mei 1622        Korte notities behorende bij voorgaande verzoek van Alter Knippinck te Heijen wegens betaling door Adam graaf zu Swartzenberg.

Ordn. 5 Opnamenrs. 0180-0183
Omstreeks 1622        Verzoekschrift van Alter Knippinck aan de Kleefse en Märkische raad waarin gesteld wordt dat hij goed toezicht heeft op de in Kleef gelegerde soldaten, welke echter klagen inn zwölff, etzlich in achtt und andere in sechs Monaten kein Geltt bekommen hebben. Het gehalt en deze soldij zou uit de licenten betaald worden. Derhalve vraagt hij om onmiddellijke maatregelen.

Ordn. 5 Opnamenrs. 0184-0187
16 april 1744        Brief vanuit Charlottenburg van Friedrich, koning van Pruisen, markgraaf te Brandenburg, aan de Kleefse Kriegs- und Domainenkammer en de richter te Kranenburg i.v.m. militaire regimenten mede wegens instructies naar Wezel aan de generaal en gouverneur von Dofsoir (?).

Ordn. 5 Opnamenrs. 0188-0190
Omstreeks 1620.        Opgesteld schrijven van Helmich von Schewick in naam van Alter Knippinck betreffende de bezichtiging der grenzen van het vorstendom mit Alexander Pasqualin, sluijter zu Udem samen met de Geographum von Calckar Johan von der Weij. Voor de verrichte werkzaamheden verwacht hij zijn tractement.

Ordn. 5 Opnamenr. 0191
Archiefomslag, ex Staatsarchief Münster, Haus Buldern-Dep. , Rombergsch. Archiv (Dep.), Herrlichkeit Heyen,  Akten  V Nr. 13

Ordn. 5 Opnamenrs. 0192-0195
14 juli 1648        Opgestelde ordonnantie of reglement betreffende de schutterij S. Dionijsius, patroon der kerk van Heijen.
Zie hierover nader in de publicatie: Th.W.J. Driessen & M.P.J. van den Brand „Een reglement voor het St. Dionysius-gilde te Heijen“ in ‚De Maasgouw‘1971, kolom 123-128.

Ordn. 5 Opnamenrs. 0196-0200
2 december 1717        Protokol aangaande de gildebrüderschaft van Heijen wegens het zonder permissie van de heer van Heijen, te Buldern zetelend, tegen de gewoonlijke gebruiken in een capitain und liutenant voor de gilde compagnie hebben gekozen en zo in het dorp optrekken. Dit blijkt uit gegevens van Lambertus Groenewald, Jellis Kuiper en Derck Ebbn. Dit is tegen het recht en de jurisdictie van de heer van Heijen, die consens moet geven voor deze aanstellingen. Daarbij komt ook de gebruikelijke ton bier, die aan de gildecompagnie geschonken moeten worden in discussie ofschoon de gildebroeders van Heijen van mening zijn, dat de heer van Heijen daarover niets te vertellen heeft en degene, die het meeste bier schonk capitain sein solle. Er is sprake van een boete van 10 goudgulden. De heer van Heijen moet de handelwijze van het gilde maar vergeven en mahl pardonniren en in de toekomst rekening houden met de rechten van de Heijense heer en blijven bei ihre alte privilegien.

Ordn. 5 Opnamenr. 0201
Archiefomslag, ex Staatsarchief Münster, Haus Buldern-Dep. , Rombergsch. Archiv (Dep.), Herrlichkeit Heyen,  Akten  V Nr. 12 B

Ordn. 5 Opnamenrs. 0202-0205
Juni 1546        Registrum pastoratus in Heijen – Copia der pastorijen Renten tot Heijen aengeteickent van Heer Alardt Michiels van der Horst, den welcken in ‚t jaer 1546 op Nativitatis S. Joannis Baptisten avondt (23 juni 1546) als Pastoor tot Heijen sijnen intreed heeft gedaen, geprasentiert van den Heer tot Afferden Derick van der Lip genandt Hoen etc..
•    1e de pastoor heeft alle thienden van koorengewass uijtgenomen den nyethienden neven der Maase gelegen en ettelijcke vrij stucken bouwlandt
•    2e de pastoor heeft die ganse smaelthiend, uijtgenomen des Greffen van Heijen hoffstede frij und die koolhoff binnen dorps van ruebsaet
•    3e de pastoor heeft 13 stucken bouwlandt, soo grootsij daer sijn, daervan 2 stucken liggen op ’t Hoogevelt, 10 stucken in ’t Lege velt, een stuck aen ’t Afferse velt, noch een Camp met een rijswertjen op die Maese gelegen bij Peter Bollen Camp tegen Jacob die Vischer over die Maes over
•    4e de pastoor heeft noch 2 weijkampkens tegen die Steill over beneven Derrisken Verfoirts kemp aen beijde sijden
•    5e de pastoor heeft 3 schepel gersten jaarlijks op St. Martini van Wolter Spaenrebroeck uijt een weijkempken die Hooghoy beneven Peter van Beringens Beijkamp aen beijde sijden beneven metter sijden gelegen
•    Ten 6e heeft de pastoor 2 capuinen jaerlijx op dagh Martini voirscr. eenen van Jan Verfoirt und eenen van Derrisken Verfoirt.
•    Noch 2 capuinen jaerlijx op dag Martini voirschr. aan Jut Ebben uijtter een klein kempken bouwlandts aen haer landt schietende over en Maessenvourweg op diese sijde der Sälycken uijter welcke Sälcke maer een thiendt gehaelt wordt.
Ten lesten heeft den pastoor jaerlijx een vat garsten van Gaert aen gen Mehr uijtter een stuxken weijlandts van den Pastorijen landt aen sijnen weijkamp voor dat Maessenhoecken gat, gelegen over den wegh oock op Martini verschienende. Hiertegen gilt die pastorije wederom uytter den joolhoff bij den Wedemhoff gelegen in de Torxken pacht 2 capuinen op Martini, Ende hier toe moet den pastoor eenen Beer halden voor die vercken und oock een thiendt maeltijt geven jaerlijx den nabueren als ersten speeck, eenen vetten hamel und een ton biers, daermiott hebben sij haer gerechtigheijt.
** Maer Heer Alardt voirschr. Heeft die nabuiren //-gelijkc hij selver aengeteickent en achtergelaten heeft-// die smaelthiendt ganss quijtgeslagen Ao. 1572 mits condition dat hij geenen beer halden soll und geen thiendtmaeltijt geven, maer stelt daer bij sijnen nawrvolger magh doen wat hij will.
** Het alsoo genoemde Papengat voor het meestendeel met het daer tegen overliggende Driesken a ongefeer eenen mergen heeft voor desen gehoert bij de pastorij; maer voor ongefeer 80 jaeren isser door een ijsstukung een groot gat gescheurt / gelijck noch te sien is / waer door den wegh tusschen het Driesken en ’t ander landt weghgenomen was; welcke inbreuck den doen maelighen tijtlijcken pastoor H. Wolterus Tutius in sijn macht niet had te reparieren, is alsooo affgehangen, verkoofft en uijtgedaen voor 7 schepel garsten erftpacht op Martini mitz condition dat kooper het ingebroocken gat most op sijn eijgen kosten laeten reparieren.
Het stuck landts bij ’t Affersse velt / waervan te vooren gementioniert is / is getrocken bij den Heer van Heijen’s erffenenis, waerom de heer van Heijen jaerlijx aen den tijtlijcken pastoor op Martini moet leveren een malder garst erfftpacht.
Off nu de 2 capuinen, die jaerlijx van den tijtlijcken pastoor in den Turxsen pacht / die nu bij ’t Huis Heijen is / moesten gegeven worden hiermet ingesloten sijn off datse met de andere capuijnen omgeleit sijn, is onseeker. Dit is evenwell seecker dat den tijtlijcker pastoor in Heijen a tempore immemoriali geen capuinen heeft ontfangen, noch gelevert.

Ordn. 5 Opnamenr. 0206
6 sept. 1645        Brief, gesteld in het Latijn en ondertekend door Gijsbert Johan van Vittinghoff genannt Schell als dominus terrirorii in Heijden inzake het vacant worden van de geestelijke, die het altaar van de vicarie van Sint-Nicolaas te Heijen bediend en waarbij Henricus Onna voorgedragen wordt.

Ordn. 5 Opnamenrs. 0207-0209
26 sept. 1645        Brief, ondertekend door Henric Onna, wegens zijn benoeming tot vicaris van voornoemd altaar en het verzorgen en celebreren van 2 misdiensten per week. Ook is het dorp, als gevolg van het aflopen van de oorlog (80-jarige), weer zodanig bevolkt en bewoond dat er weer een schoolmeester nodig is.

Ordn. 5 Opnamenrs. 0210-0212
5 sept. 1645        Uit de brief, geheten Patent wegen der frühpredig zu Heijen, van Gisbert Johan von Vittinghoff gennant Schell, heer te Heijen, blijken de ordentliche Sontags frühepredig en andere godsdienstoefeningen in de parochiekerk van Heijen door de langdurige en zware oorlogsomstandigheden al lange tijd geen doorgang meer gevonden te hebben. Nu de tijd wat draaglijker geworden is wil hij deze godsdienstige belevingen weer inhoud geven en daarmee vlijtig en niet nalatend de eerwaardige en hochgelehrten herren Henricus Emricum Kriffs, de tegenwoordige pastoor van Heijen, daarmee belasten tegen een jaarlijkse beloning van 42 Kleefse guldens.

Ordn. 5 Opnamenrs. 0213-0216
24 juni 1647/1648        Capitulatio mit Herre Johann van Gelre wegen der Pastorat zu Heijen. Sinds 24 juni 1647 blijkt de pastoor van Heijen overleden en als vervanger wordt door de collator, de heer van Blienbeck, als nieuwe pastoor voorgesteld: Jan van Gelre. Hij zal voortdurend binnen de parochie wonen en als zielzorger werken in lieb und leid, fried oft kriegszeit. Door de oorlog is de pastorie echter zeer bouwvallig geworden en van de parochianen en buren wordt verwacht, dat zij de reparatie met niet alleen bouwmaterialen, maar ook via de tienden en stro de pastoor ondersteunen.

Ordn. 5 Opnamenrs. 0217-0220
1658/1662        Uittreksel of extract uit Mr. Aert ten Haeff sijn aenteickeningh voor den tijt als hij Custer tot Heijen is geweest.
Henrick Ordinarius was voor dien tijt affgebrant
Willem Lamers genaemt Vermasen 10 £ Br(abants) van Jersmis 1658, nog 11 £ broot, 6 £ b. betaelt tot  Paesschen 1660. Itemn Kersmis 1660. Item Paesschen 1661 noch 9¼ £. Item Paesschen 1662 ende Kersmis. Item Paesschen 1663 ende Kersmis ende 1664. Andere betalende inwoners zijn: Alart Peters, Derck Ebben, Derck Robben, Frans Fock, Arnt in gen Nielen, Cens Bossen, Jan Wolters, Willem Ebben junior, Jan Dimesen, Jan van Elsen, Liesbeth Tonisen weduwe Roderen, Marten Tonesen genant Custersm Peter Kerstjens, Tomas Jansen, Jan de Hardt, Vincents Bossen, Hermen Tonesen genant Ruiterm Willem Scheif, Peter Kerstjens, Willem Henricks, Jan Ebben, Gerit Jansen, Jacob Custers gewesen Custer, Bernt van Elsen, Hans Michel Groenewalt, Henrick Dericks Lodder, Willem Ridders, Bernt Bosmans, Hermen Ridders, Derisken Brocht, Jacob Witfelts,  Derick Boumans, Jan van Langen oft Bossen, Lamert Schreven, Henrick Hanssen, Thys Peters, Jan op den Suckerberg, Peter Haeken, Hermen Jansen, Claes de Vilder, Lambert Jansen van Asten, Jan van Helden, Jan Gietmans, Jan den Wildenboer, Jan Leeuw, Tijs Hecselsnijder, Geurt Michels, Jan Gerarts over het broeck, Jan Bantz den doven pauper,  Laurens Swanenburgh en Joffrouw Wijlack van het Huis van Suermondt.


Ordn. 5 Opnamenrs. 0221-0226
1666/1667        Kostenoverzicht in geld uitgedrukt van de Heijense kerkmeester Alardt Peters, voor de tijd dat hij aen de kerkcke tot Heijen met Perdt ende karr verdient, die arbeiders in kost ende dranck verpleegt ende voor en nae verschootten hebbe. Zo vervoerde hij voor de kerk anderhalff mudde kalcks, 2.000 leijen en heeft hij de kalk beslagen, voor gekochte olie en nagels, hout en schroeven voor de timmerlieden, hout gehaald aen den Hamm, den reep ende ketenen wederom naer Gennep gevaren, uitgaven voor bijenwas om kaarsen van te maken, voor kalk aan de overzijde van de Maas gehaald, aan meister Herman Jegerlingh den Slotenmaecker met knecht betaald voor werkzaamheden aan het uurwerk en de kost gegeven, voor brandhout betaald en in Gennep den kerckenkast (tabernakel) gehaald, metselaars in het Land van Cuijk gehaald, zand aangevoerd en geholpen bij het hangen van de kerkdeuren en bij de toren, bier gehaald en geschonken, Jan van Thoor den Leijendecker en zijn drie knechten op het dak geholpen, uitgaven aan zeep en stijffsel, een bode van Xanten betaald en de lieden die de voetbank vant hooge altaer tot Boxmeir haalden.

Ordn. 5 Opnamenrs. 0227-0233
1666/1667 (en gecontroleerd in 1674)    Recheningh van ontvangsten en uitgaven ten tijde van Alardten Peters cum adjuncto Henrich Hanssen als Kirchenmeisteren der Jahren 1666 undt 67. De ontvangsten van de parochiale Kirche zu Heijen betreffen geldrenten in de Brabantse munteenheid naar Kleefse waarde omgerekend; Olie (raap); Ruebzaad; Wijn; Hoenders; Rogge; gerst, erfpachten met een totale waarde van 209 gulden, 7 stuivers en 5 duiten in Kleefse waarde.
De uitgaven houden betalingen in aan Trinneken Kusters, de weduwe van Herman Derichssn.; aan Emmerick Krifft, pastore zu Gennep via Pastore Joannen Twestenendt; aan Henrich Robbers; aan Peter Evertz; Agatha Vermölen; Peterken Robben; aan Hanss Jacobs, Johan Wolters; aan Mr. Herman Jöngerlingh vor arbeidt und reparation ahn die ührewerck; Gerrit Driessen glasmeister; aan Mr. Lambert Verschuiren voor ein schabell und kast in der Kirche zu machen; aan Mr. Gört Janssen rattmächer; Mr. Gerrit Bützen zimmerman voor auftgen Hamm gekocht balken voor de Heijense kerk; aan Berndt von Elssen voor verrichte handenarbeid; aan de heer pastoor Joanni Twestenendt zu einkauffungh der Kirchennötigen ornamenten; aan kerkmeester Alardt Peters voor zijn werk met kar en paard met mondkost en drank aan de arbeitenden leuthen; e.d.

Ordn. 5 Opnamenrs. 0234-0237
1666/1668        (Pacht)condities, hier ook wel pacht cedulle genoemd, waaronder de Heijense kerkmeesters Jan van Elsen en Jan Ebben te perck stellen ende voor alle man verpachten (met brandende kaarsen) voor de tijd van drie jaar de wei- of hooilanden: den kerckenweykamp genaemt den Kalckhof ende het Kercken Drijsken liggende neven den Papenpas met nog daarbij het Kercken Bouwlant e.d. De voorwaarden worden mede ondertekend door  Jacobus Custer, custos. De pacht moet steeds op St. Maarten betaald worden.

Ordn. 5 Opnamenr. 0238
1698        Rente-Inkomsten van de custerie in Heyen, waardoor de koster/schoolmeester van Heijen in zijn levensonderhoud kan voorzien . De inkomsten worden hem in malders in natura (gerst) uitbetaald door de gezinnen van Willem Scheijf,  Metien (Metjen) Scheijf vanwege de Hoppenkamp, uijtter ieder huijs stede 20 pont broodt jaerlix, pacht uit den kalckhoof, item compt den coster den oost te weten van die met 2 peerden bouwen 6 gerven ende die met een perdt bouwen 3 gerven. Verder krijgt hij inkomsten uit diverse met naam genoemde landerijen en weilanden.

Ordn. 5 Opnamenr. 0239
28 sept. 1720        Kwitantie van de Heijense pastoor Jo(hann)es Verhorst, vicarius in Heijen, dat de Vreijheer van Diepenbrock, Heer tot Bolderen en Heijen, hem de jaarlijkse vergoeding betaald heeft voor het bedienen van de vicarie van St. Nicolai in Heijen en het officii matutinalis (zondagse vroegmis met predicatie?), dat jaerlijke depuität van deese beide vicarien bedienung, op S. Jan Baptist 1720 vervallen geweesen, zijnde 86 Rixdaler Kleefs geld.

    
Ordn. 5 Opnamenrs. 0240-0243
25 april 1725         Brief vanuit Gennep geschreven door Theod. Van Erpers (pastoor te Gennep) aan de heer van Heijen vanwege zijn reizen naar de burgemeester van Nijmegen over gekochte en geleverde stenen en de overgegeven rekening aan de Latijnse praeceptor in Nimwegen Mr. Westen Bergh. De gekochte stenen waren bedoeld voor secretaris Mentrop. De vraag is of deze kosten mogen worden ingehouden op de schatting/belastingaanslag van het dorp Heijen.
Er wordt tegelijk navraag gedaan over de slechte gezondheid van W. Richter en wanneer sijn lighaam als een aards huijs door de tijdlicken doot sal gebroken worden en sijne Ziele daar uit scheiden sal….. hij sal opgenomen worden in dat eeuwige en heerlicke huijs daarboven in den hemelen.

Ordn. 5 Opnamenrs. 0244-0246
31 december 1735    Brief, mede getekend door de Gennepse pastoor Theod. Erpers, aan een vrijheer (van Heijen?) over de onenigheden tussen burgemeester, het klein consistorium, verkiezingen, Kerkenraad, e.d. en een nieuw hoopvol begin in het nieuwe jaar in onderlinge liefde, vrede en eenigheid.

Ordn. 5 Opnamenr. 0247    
Archiefomslag, ex Staatsarchief Münster, Gesamtarchiv von Romberg - Akten, Nr. 7947

Ordn. 5 Opnamenr. 0248
7 …. 1338     Perkament Latijnse oorkonde met beschadigd zegel van de Keulse aartsbisschop Walram i.v.m. het stichten van een altaar in de kerk van Heijen. Nader uit te werken.

-----
Verwante oorkonde bij de oorkonden in het huisarchief Heyen te Munster
Oorkonde nr. 1    25 juli 1338

In den iair ons heren duysent dryehundert acht und dartich up sent Jacobs dach des hyllygen apostels is gekomen dye erbare vrouwe Heyll van der Houffgeweir voyr ons laten Arnt Cort Ians ende Henrick van Hummersum und voirt dye gemeyn laten tot Heyen dwelke Heyl voyrsc(reven) tot oere alders und selffs ziele salycheyt toe een deel gestycht hefft eyn altayr und begyftych und dayr hayr bestellyng gewyt yn de eer synter Clays und hefft begert van der laten voyrscr. und Henryck Spanrebock, als een heer tot Heyen zoe doch Heyllen voyrscr. moder eyn natuyrlycke dochter van Spanrebock was und eensdeels dat erfftal dayr her van commen si, dat hy yr gunnen wyl, dat sy daer myt mach versien here Jan van Gennyp, pryester, wylke collatie wy laten tuygen hayr geconfirmeert und geconsenteert is van Hanryck vorscr.
Vort hefft Heyl voyrscr. dye collatie ofte gyffte van deser fundatie gegoft und beloefft dat Henryck voyrscr. myt dye gemeyn
laten sonder croenen offte opspraickt van emant na doytlyck affganck here Jan vurscr. ten ewige daegen toe geven sal eynige dye dayr bequeem to is, angeseen Hanryck voyrscr. dye voyrgen(oemde) altayer eyns deyls begyfftych und mede vernocht hefft om de styftynge van dyen, wayrumb Heyl voyrscr. Henryck vurscr. gebeden hayt,, dat hye dese apene fundatie vur oen und syn erven mede besegelen wolde, twelck yck Hanryck voyrscr. als recht collateur, om beden wyll gerne gedaen heb vur zoe wy laten voyrscr. op dyt pas geen segel voer und hebben, zoe hebben wy gebeden here Jan onss pastoyr dat he syn segel vor ons an dese fundatie bryeff hangen wyl, dat yck here Jan pastoyr vurgeschreven. om bedem wyl der gemeyn latenen gerne gedaen hebbe unde myn segell haer an gehangenn.  

Ordn. 5 Opnamenrs. 0249-0255
Ca. 1535    Breedvoerige Latijnse akten (nog nader uit te werken) van het kapittel in Xanten wegens onenigheden over de nieuw voorgestelde pastoor Florens van de Laer, verbonden aan de St. Nicolaas vicarie in de Heijense kerk van St. Dionysius en opponent Johannes Spaenreboeck, na het overlijden van de Heijense pastoor en het patronaatsrecht te Heijen door de heren van Afferden.

Ordn. 5 Opnamenr. 0256    
Archiefomslag, Landesarchiv NRW, Staatsarchiv Münster, Gesamtarchiv von Romberg - Akten, Nr. 9423

Ordn. 5 Opnamenrs. 0257-0258
Ongedateerd, ca. 1765.        Kostenopstelling/besteck van grote reparatiekosten voor het Vrij huis Heien i.v.m. omgevallen muren, slechte muren van washuis, turf huis, peerden stal en verkens stalle waarvoor 22.000 stenen, 16 mud kalk, balken en oplegers en ribben, latten, venster- en kruisramen, nagels, 4.400 + 2.500 pannen, deurn en leien nodig zijn. Ook moeten de verschillende zolders dringend onderhoud hebben. Twee meester vaklieden hebben ze begroting opgesteld: Willem Heesen, meester leij decker en Godefridus Janse , meester timmerman.

Ordn. 5 Opnamenrs. 0259-0262
Ongedateerd, ca. 1765.        Kostenopstelling/besteck van genoemde vaklieden aangaande reparaties van het kasteel Heijen, met name het alt Casteel. Per vertrek wordt het groot-onderhoud bekeken in de Sael (kruisraam, vensters, glasramen, ijzerwerk, planken, glas, nagels); in de Blau Caemer; in de Staeff (stoof); in de Caemer boeven de Cuiken;  In de Caemer boeven de sael o.a. een Closter raem; in de Caemer boeven de blau Caemer; de Caemer boeven de Staeff; den inganck van de kelder; in den thorn nae de buite plaets; den korn solder; het leij daek op het alt Caesteel. Buiten deze materiaalkosten met nog kalk en verf komen het arbeits loon voor den leiendecker, den timmerman en den metselaer.

Ordn. 5 Opnamenrs. 0263-0265
Ongedateerd, ca. 1765.        Kostenopstelling van nootwendige Repaeraetsij / bestek voor het vrij Huis Heien angande het neij getimmer zoals een nieuwe deuir van den ingangh, stillen (stijlen) van den deuir raem, een schoorsteen die door den storm wint is af geslaegen, e.d. Begroting door Willem Heesen, meester leij decker en Godefridus Janse, meester timmerman.
-    Idem aengande de korn schuir alwaar nodig een nieuwe schuir deuir, nagels, pannen, het verven van deuren e.d.
-    Idem. Soortgelijke kosten voor reparaties aengande den peerden stal, kuits huis, koij stallen en schaps koij van kasteel Heijen.

Ordn. 5 Opnamenr. 0266
Archiefomslag, Landesarchiv NRW, Staatsarchiv Münster, Gesamtarchiv von Romberg, Inv. Nr. 4328

Ordn. 5 Opnamenr. 0267
Tekening in kleur van de (niet gerealiseerde) om- en nieuwbouw van een nieuwe kasteel Heijen, castellum Novum Haeijen.

Ordn. 5 Opnamenr. 0268
Archiefomslag, Landesarchiv NRW, Staatsarchiv Münster, Gesamtarchiv von Romberg, Haus Heijen – Akten, Karton 30.

Ordn. 5 Opnamenrs. 0269-0276
1 december 1660        Akte van Johan Deusing, schout, scholtis of Schultheis der Herrlighkeit Heiden, Johan van Langen, Jacob Bawmans  und wir sämtliche Scheffen dess gerichts alda getuigen dat voor hen verschenen zijn: Henrich Wilhelm van d’hoeve, herr zu Hoeve und Poelwick, keurvorstelijke Brandenburgse, Clevish und Märkischen Justitz- und Hoftgerichts Rath und Praesident, Drost in de Hetter des Lantz van Duffell zu Reeds und Iselburgh als gevolmachtigde van de hoogedele frauwen Agnes Margarethen gebohrener von Boenen, weduwe von Vittinghoff genant Schel, frouwe der herligkeit Heiden und zu Schellenberg en ook van de hoogwaardige kloosterheer Wilhelm Frantz von Vittinghoff gen. Schell, domheer te Münster en Paderborn, moeder en oom en derhalve voogd over Gisbert Johan von Vittinghoff genant Schell, heer te Heijen en Schellenberh, nagelaten minderjarige kind. De aanstelling als tutor honorarig. Ander genoemde personen, mede i.v.m. erfenis,  betreffen jonker Wilhelm von Til, Alter Knippinck. Elisabeth Spanrebock, jonker Lambert van Til en juffer Frans Spanrebock, een huwelijk in 1583, 5.000 daler Kleefs, e.v.

Ordn. 5 Opnamenrs. 0277
Archiefomslag, Landesarchiv NRW, Staatsarchiv Münster, Gesamtarchiv von Romberg, Haus Heijen – Akten, Nr. Karton 29.

Ordn. 5 Opnamenrs. 0278
Archiefomslag, Landesarchiv NRW, Haus Buldern, Rombergsch. Archiv (Dep.), Herrlichkeit Heijen – Akten VI, Nr. 21.

Ordn. 5 Opnamenrs. 0279-0285
1501 op de heilige Kruisdag.        Erfdeling door scheidslieden te weten Wijlhelm van Asselt, Adrian opten Berge, Henrick en Conrad Hack gebroeders , dat wij als maghe und vrijnde end gekaren gescheidtsluijde van beiden seden daartoe uitgenodigd een frijntelicke erfdeling verkregen hebben voor Henrick, Gerart, Aleijden en Katerine Spaenrebocks, broder end suister van de nalatenschap aan erve end negaleten guede, et sijn herliche guide, leenguide, erfftijns, eijgen offte erfpacht guede, lyffgewijns guede, weytde, pesse, buijsche, huijsinge, huisraeth, haeffstat, kleinoit, ingedoempt, levendige have end vast van allen ander guijde erve, rede und unrede, ruerende end onruerende, schout ende wederschout, daer Henrick Spanrebock eijn her tot Heijden ende joffer Lijsbeth sijne echter huisfraw beide zelige gedachten inne bestorven. Zo zal voornoemde Hnrick hebben en behouden die gantze herlickeit van Heyden met hoeren tobehoer, darinne niet uitgescheiden gelicke sijne zelige vader end moeder die hadden. Verder zal Henrick de bossen bij der Heze hebben, want hie in der deiling ingebracht heeft Mechtelen syner suister kynsdeell. Dit zal Henrick aan zijn broer Gerart uitreicken end van stonden ahn oevergeven dat derdendeel van der erfftals in der herlicheit van Heyden en een aantal malder roggen en vijf tijns hoender. Ook zal hij hebben en behalden de helft van de schuur, die op het Heijense kerkhof staat. Verder zal Gerart een bijdrage (1/3 deel) doen van het te betalen heergewade door Henrick bij leenverheffing. Hun zuster Aleijden, die in het klooster Daelheym leeft, zal levenslang haar aandeel verkrijgen van 7,5 gulden jaarlijks. Zuster Katrijn zal eveneens haar kinsdeell hebben en de pacht in die vaichdie. Trouwt zij buijten consent off raidt der tweer gebröder, zal Katrijn hiervan vervallen zijn.

Ordn. 5 Opnamenrs. 0286-0288
18 juni 1560.        Fragment van een briefstuk (3 pagina’s) over misverstanden en twijdracht tussen de ambtlieden te Gennep en den van (Arnden) Spainrebock tho Heijen over de nutzbarlicher gerechtigheit der herlicheit Heiden met regeling door de hertog van Kleef en een aantal bepalingen umb alle onrichtigheit tho vermijden, oick bij dewn luijden und onderdanen, des to beter eindracht, fol und gehoirsam to underhalde, die holtgewassen der hezen,visscherijen, knijnen, wranden und sunst tho mehreren nutz to brengen, verder zal de rechtspraak met name die confisltation und appellation van dem Gericht tho Heiden nergens ander dan up Calcker tu suecken und to halden tegen de geringste kosten, de hoge rechtspraak of hoeger Oevericheit und lijffstraiffen und wes deir anhengt, verblijven dair aver die Spainrebocken, als tijtliche halfheren en moet de gevangene na drie dagen overdragen aan de landvorst te Kleef, ook als deze gegrepen zijn an der Hezen tusschen Gennep und Heiden, om daar verder te worden gestraft. Belastingzaken zoals stuijren ader schattongen…. Sall die eijner helfft van der herlichkeit Heiden, na alden gebruick aan Kleef en de andere helft aan Spanrebock gaan.
Vaststelling van de aanslaghoogte zal de landvorst in Kleef doen. Stukken heide mogen niet ter cultivering uitgegeven door door Spanrebock sunder furweten und bewilligungh mijns gnedige heren in Kleef. De drie illegaal gebouwde keuterijen of kotten, namelijk van Petern van Kuijck, Peteren die Rademecker en Meliss die Wever zullen nu door de vingers worden gezien.
Het land up der Maesen, die Papielier genant, en destijds aan de kerk gegeven om daarmee de froemyssen (vroegmis) te bekosten, als tevens der Viacriengueder und renthen van Sente Claiss altair blijven, zolang daar een geestelijke aan verbonden is.
Spanrebock zal voortaan gein torff in de Genneper Vennen steken noch anderen dat toestaan.
Dat oick die Schepen tho Heiden van wegen mijns gnedige heren, woe van alders herbracht, sijner fürstliche Genädie Schultiss an und affseiten. De andere schout, die door Spanrebock aangesteld wordt, zal steeds een swijgender Schultiss zijn, die naast unsers gnedigen heren spreickunden Schultiss bij sijtten und doch durch sijn f. G, Schultiss die Execution und Pendongh geschien soll.
Die Wedden und geltbroicken (boetes) als ook cijnsen, nijelantsche und andere Thienden, söllen oick half und half gedeilt werdenn. Voor verplichte hand- en spandiensten voor de landvorst als voor den Spainrebocken kunnen zij eijnmaill in iederer weicken gevorderd worden.
Die Canijne der Wranden in Heijen gelegen, sullen durch mijns g.h. ader des Amptmans garn und fretten gefangen und iderer tijt halff bij dem Amptman blijven und der ander helff den Spainrebocken werden togestalt. Op verzoek van de Spanrebocken kann de ambtman ook toestaan dat er gefrettiert wordt door fretten in de holen te drijven. De visvangst blijft ook half/half gedeeld worden.
Om nieuw onenigheid over het houtgewas in der alden und nijen Hezen te vermijden. (dan houdt de tekst plotseling op!)

Ordn. 5 Opnamenrs. 0289-0290
21 mei 1677        Half notitieblaadje, ondertekend getrewe dienerine C.E. Swandbell, over blumenwaser en Buldern. Samenhang is heel onduidelijk.    

Ordn. 5 Opnamenr. 0291
21 mei 1677        Omslag-opschrift van het verdrag van 1560, waarover in bovenstaande omschijving met „Opnamenrs. 0286-0288“ sprake is en waarvan in 1585 een afschrift gemaakt is.


Ordn. 5 Opnamenrs. 0292-0298
18 juni 1560        Brief van ick, Arndt Spanrebock to Heijden, betüige und bekenne apentlick hirmit, nachdem ich tegens mijn genadige landvorst, heer Wijlhelmen, hertog van Cleve, Gulick en Berge en grave to den Marck und Ravensbergh, herre to Ravenstein, enz. in opstand ben gekomen en als gevolg daarvan een tijd gevangen heb gezeten en aver up underdenich fürbitten is vrijgelaten, met goedkeurig van de Kleefse ridderschap en steden. Als gevolg van zijn optreden hebben Arnt en zijn erfgenamen daardoor een aantal privileges verloren en nieuwe verplichtingen (puncten und articulen) opgelegd gekregen en freiwillich geloifft om zich voortaan als einen gehoirsamen underdanen te gedragen. Deze belofte doet Arnt met zijn lijffliken Eidt … to Gott undt sijnen hilligen Evangelien en niemand zal hij meer verwonden of met de dood bedreigen. Tot zekerheid en borg stellen zich: Wijlhelm van Schewich, Rütger van Stepraide en Peter van Berringen tegen een boete ter hoogte van 2.000 goudgulden.

Ordn. 5 Opnamenrs. 0299-0304
17 juni 1560        Punten wegens misverstandt und twidragt tussen den Ambtleuhe tho Genp, aangesteld door de hertog van Kleef, en den van Spanrebock tho Heyden wegens de nutzbarliche gerechtigkeit der herlicheit Heyden is er onrust ontstaan bij de luyden und underdanen over die holtgewassen, vischerien, knijnen wranden und sunst.
Genoemd worden het voortaan in hoger beroep gaan van Heijen in Kalker in plaats van te Gennep, nieuwe regelingen aangaande het vastnemen van gevangenen en uit te voeren lyfstraffen met betrekking tot Spanrebock als halfheer te Heijen, het opleggen van belasting met de helft van de opbrengst voor de Heijense heer, beperking van rechten bij het verlenen van woningbouw op in cultuur uit te geven heide, ter verpachting uitgeven van landerijen en weilanden met medeinkomsten voor de kerk,  het al dan niet gerechtigd zijn turf te steken in de Genneper Venne, het aanstellen van een scholtis of schout en schepenen, de hoogte van de wedden en geldboetes, de jacht met fretten, de visrechten in de Maas met de halve verdeling van de opbrengst voor de Heijense heer,  het kappen van hout op de Alde und Nieu Hezen. Genoemde afspraken zijn ondertekend door Arnt Spaenrebuck en Johan Spanrebock.

Ordn. 5 Opnamenr. 0305
6 april 1577        Kopie van een bekentenis ondertekend door het echtpaar Henrick van Eickel, heer zu Heijen, en Elisabeth Spanrebock (na de dood van de Heijense heer Arnt Spanrebock) inzake 200 Rijder gulden ad vier und zwentzich stuffer Brabants,welke bedrag in twee jaartermijnen betaald zal gaan worden. De akte is mede getekend door de Heijense koster, geheten Veltum.

Ordn. 5 Opnamenr. 0306
25 januari 1585     Johan Spannerbock heeft via testament en met goedvinden van zijn echtgenote Elijsabeth van Delft 100 daler vermaakt     voor de zielerust en wel Ziele Godt Almachtich in de kerk van Appeltern ende sin lijcham der geweijde arden. Johan is seins broders natuerlicke soen Hanrick tho Heijen. Dit bedrag zullen seine vrunden nha doijt seiner huisfrouwen utreicken. Voor akkoord tekent Jacobus Fleinnen/Heinnen, pastor in Appelteren en Balthasar Neijkercken genannt Nijvenheijm, Johan van den Borucht.

Ordn. 5 Opnamenrs. 0307-0309
6 april 1577     Kopie van een obligatiebrief ten name van het echtpaar Henrich van Eijchels en Elisabeth Spannerbuchs/Spaenrebock over 200 Ridders gülden, elke ryder ter waarde van 24 stuiver Brabants, rustende op het goed Sprinckhovell, na het overlijden van Arnt Spaenerbocks, heer van Heijen, ingevolge huwelijksvoorwaarden en te betalen in een of twee termijnen.

Ordn. 5 Opnamenrs. 0310-0319
13 januari 1578     Kopie huwelijkscondities Henrich van Eijkel en Elisabeth Spanrebock, oudste dochter van de overleden Arnt Spanrebock, heer te Heijen, en Galandt van Mewerde. Elisabeth zal 6.000 goudgulden inbrengen. De broederlijke deling en mageschiedt heeft plaats tussen Dietrichen, Joesten, Henrichen en Gerharten von Eijkell i.v.m. hun goederen te Krange en zu dem Hamme (aan de Niers). Elisabeth krijgt dass Hauss und Herlichkeit Heijen met alle toebehoor. Diverse details worden nader in het contract uitgewerkt.

Ordn. 5 Opnamenrs. 0320-0321
19 januari 1580         Bericht in de vorm van een Landtages brieff aan Johan van Spaenrebock te Altforst van Johan, graaf te Nassow, Catzenelnbogen etc., stadhouder van Gelre over de geplande reis vanAntwerpen naar de Gelderse Landtschap vergadering vanwege des Vaiderlantz wolfart (welvaart) met de aenwesenden Bannerheren, Rytterschappen und Stede, Frunden en te besluiten met een goede und heilsamen resolutien.

Ordn. 5 Opnamenrs. 0322-0323
3 april 1580         Bericht over de Landdag te Arnhem.

Ordn. 5 Opnamenrs. 0324-0328
6 sept. 1580         Voor de schepenen van Venlo, Gerardt van Loenn en Herman die Laet Corneliszoon verscheen  om vier uur `s-middags in het klooster In der weydennn binnen der Stadt Venlo Gertrudt Spanrebock, weduwe vann Oeyen/Oyhen, en de kloosterpater Niclas Bruyn. Gertrudt was swaick van Licham, doch alnoch van gueden vernunfft und verstande. Zij verklaart in de voorbije maand augustus voor de waarde heer Alhardt Michiels, pastoor te Heijen, ende koster Henrick Spanrebocke een testament te hebben gemaakt. Bij het maken van het testament in de morgen van de 5e augustus waren ook enkele getuigen geweest: Johan Michiels en Dierich Bruynen en de Gennepse secretaris Peters van Beeck. Jaarlijks zal Lambert aen gen Hovell tho Ottersum uit haar bezit krijgen vier malder roggen, welke last met 100 daler af te komen is. Haar zuster zal jaarlijks renten en pachten krijgen zoals derdenhalve Philipz gulden krijgen, die Gertrudt jaarlijks toekomen uit bezit to Boeghen (Beugen). Dat geldt ook voor 9 Philipz gulden uit Vierlingsbeek; vijffdehalff (let wel is 4½ !!) malder gersten aan Thyss Ebben te Heijen. Aan de nagelaten broer van Gertrudt, Johan Spanrebock,  zullen de nagelaten goederen van haar komen, so gerede offt erff guederen. De twee dienstbodes of tween maigden, Aelken ind Jenniken, zullen ieder een malder rogge krijgen en iederen thien daler, twe par slaplakens en enig doek, waarbij Aelken extra nog een degalichsche rock krijgt mit dat cleynste bedde. Zuster Agnesen, matersche in der Weyde, zal die vette koeij mit noch drie nader koyen en nog twee schapen krijgen met vier malder roggen, sieven stucken specks. De broer en suster van Gertrudt: Johan en Agnes Spanrebock zullen er verder voor zorgen dat de matersche 20 geheven daler gegeven worden.

Ordn. 5 Opnamenrs. 0329-0330
4 april 1580             Brief van de burgemeester, raad en schepenen van de stad Nijmegen, op bevel geschreven van Johan, graaf van Nassau, stadhouder aan Johan, heer van Heijen, tot bijwonen van een landdag met de bannerheren, ridderschap van het kwartier van Nijmegen.

Ordn. 5 Opnamenrs. 0331-0332
Ongedateerd.            Genealogische opstelling (onbetrouwbaar?) van het oude graafschap Gennep, waaruit voortgekomen de geslachten van de heren van Batenburg, Spannerbock, Meeckeren, aanvangend met Wilhelmus Comes de Geneppa gehuwd met Agnes van (de) Marck = Agnetam Marcanam, waaruit
A)    Wilhelmus, Comes de Gennepa duxit Aleidam, filiam Johannis comitis de Moers ex Maria de Limburg en
B)    Gerhartdus de Genneppa, dominus de Spannerbock ex Heijen, duxit Annam baronissam de Anholt.

Ordn. 5 Opnamenrs. 0333-0335
1340 – 1677    Notities over de opvolgende Heren van Heijen, in 1671 (en vervolgd in 1677) overgeschreven uit een alte verleit zedell, met als eerste beginnend met Henrick Schardenberch, opgevolgd door zoon Issbrandt Schardenberch, die huwde met Mechtell von Doijenburgh, waaruit drie dochters. Daaruit is gekomen Henrick Spanernbock, enzovoorts tot de overgang naar de familie Von Vittinghoff genant Schell.

Ordn. 5 Opnamenrs. 0336-0337
28 december 1580        Belangende den waltgreiff Staill. Brief, ondertekend door het echtpaar Hendrik van Eijckell zu Heydenn undt Elisabeth Spannerbock, over hun lieber Oehm und Swaiger Steffen Staell van Holtstein, waltgreft tho Neergenae i.v.m.  een obligatie van 250 daler à 30 stuiver Brabants.

Ordn. 5 Opnamenr. 0338-0344
28 december 1583        Huwelijksbrief tussen Lambrecht van Thijll (Till / Tilles) in Grieterbusch en juffer Franck van Spanrebuck (ondertekend met Spaenreboeck) , dochter van de gestorven Arnold Spanrebock, heer te Heijen, en vrouw Galant van Meverden. Lambrecht zal inbrengen dass geseess in Grieterbusch met alle toebehoor, wie dass van alders gelegen en gekregen van zijn overleden ouders Wijlhelm van Thijll en juffer Anna van Randwick, leengoed van de hertog van Kleef. Verder bracht hij in het huwelijk alle andere Erb, erfpacht en lijfgewinsgoederen als bij aufgerichten Magescheijt zugedeijlt (erfdeling) was. Zijn bruid Franck krijgt thausent tahler als morgengabe. Vanuit het ouderlijk huis te Heijen brengt Franck in: 4.000 daler, toegestaan door haar stiefvader Altert Knippinck en welk geld gangbaar is binnen Goch en Gennep en bij overlijden erfelijk in de familie Van Thijl zal blijven. Kinderen uit dit huwelijk zullen godsvruchtig worden opvoeden en ook worden regelen getroffen bij kindersterfte en eerder overlijden van de moeder of de vader. Huwelijksgetuigen namens de bruidegom: Floris van Randwijck, Elbert van Hertefelt thum Kolcl en namens de bruid: Johan van Spanrebuck zu Altforst, Elter Knippinck zu Heijen en uit naam van haar moeder Dederich van Schewick zu Driesberg en Lijffert van Berijngen.

Ordn. 5 Opnamenr. 0345-0348
20 augustus 1585        Na het verdrag tussen de hertog van Kleef en wijlen Arndten Spaenrebock, ein hern tho Heiden in 1560 zijn toch weer moeilijkheden onstaan over de hoogte van de belastingheffing en de pachtsommen onder de Heijense onderdanen en de houding ingevolge geboden en verboden tegenover de Gerichtspersonen. Er wordt in Kleef op de kanselarij over de problematiek een samenvatting gemaakt.

Ordn. 5 Opnamenr. 0349-0350
1 augustus 1589        Document handelend over Alter Knippinck en zijn echtgenote Elysabeth Spannerboick genant Knippinck betreffende een lening van Heinrich Catz ter grootte van 500 gulden Brabants, waarbij ook zus Francisca van Spannerboick betrokken is.

Ordn. 6 Opnamenrs. 0351-0352
7 februari 1611        Schrijven over Nicht en Zwager over rente zu Beeck (Vierlingsbeek  / hundert gulden te Groeningen en hundert gulden ahm Hause zu Heijen) wegens overleden oom Johan van Spanerbock (van Wienhorst mit der Randenhoeff) en zijn erfenisdeel. Blijkbaar zijn er problemen gerezen, want men schrijft over der schelm der Custer.

Ordn. 6 Opnamenrs. 0353-0355
28 augustus  (of februari) 1611        Brief aan Elisabeth van Spanerbock, gehuwd geweest met Alter Knippink, te Heijen, over een wettig huwelijk met voorwaarden tussen Albert, naturliken soen van Johan Spaenreboick en de erbare Siken Jans van Eick over een bedrag van eyn hondert Karolus gulden, die the Virlinxbeeck ten ontfangen liggen und noch hondert Philippus gulden, den gulden ad XXV stuver voortkomend uit rente van de heer van Boxmeer vanwege den hoff the Boegen (Beugen). De Philippus gulden aan Arnt Spaenreboick, heer the Heijen, zijn ingevolge een magescheits (erfdeling) tussen voornoemde Arnt en Jan Spaenreboick, gebroeders. Daarbij horen tevens  twee erfmalder roggen uit pacht, die Jan Spaenreboick binnen Vierlingsbeek ontvangt uit een onderpand, dat Jan der Creemer in gebruik heeft. Ook zullen zij twee mergen land en een grote wei gebruiken met rente, die Siken Jans heeft onder Maasbommel en pachten in de heerlijkheid Batenburg

Ordn. 6 Opnamenr. 0356
Archiefomslag, Landesarchiv NRW, Haus Buldern, Rombergsch. Archiv (Dep.), Haus Heijen – Akten 11

Ordn. 6 Opnamenrs. 0357-0358
7 april 1545        Voor Gairdt Drijssen en Alert Byrman, schepenen (te Heijen) en de gesetenen Richters van beider herrn wegen (Kleef & Heijen) zijn verschenen Goessen Ebben en Naijll sin eheliche huijsfrow. Zij bevestigen de verkoop aan hun broeder Johan Ebben und Peterken syn huijsfrow en erven van een weiland by die Mehr gelegen, genandt den Merpass, dat aan een zijde grensde aan het Sijnter Claijss altairs lant. Verder horen bij de verkoop een weiland en een stuk bouwland, dat met een kant aan het pastorijen landt te Heijen en jueffer Haicken lant grenst. Tenslotte nog een stuk bouwland, dat met een zijde aansluit op het Marten Wijnantz landt en met een einde reikt aan het landstuk van Arndt Spannerbrocks, eins herre tot Heyen. De kooppenningen zijn tot tevredenheid betaald.

Ordn. 6 Opnamenrs. 0358-0359
5 december 1549        Aflossingsbrief. Voor Roleff Vermaesen en Johan Rutten en de andere schepenen van Heijen en de twee richters staan Frans Mans en zijn vrouw Sophia met haar momber (voogd) en zij bekennen dat Jan Ebben en Peterken, zijn echtgenote, een aflossing mogen doen aver die dardenhalven Rider gulden en de jaarlijkse erfelijk te betalen rente op Sinterklaas dag met sestien inckell Joachim daler of in zilveren munten.

Ordn. 6 Opnamenrs. 0359-0360
1 juni 1548            Brief, waarboven geschreven staat Jan Ebben. Voor Roleff Ver
7 april 1545        Voor Roleff Vermaesen en Arndt van Hasselt van de Heijense schepenbank en de twee richters is Mechtelt Rixkens met dochters Rixken en Jan (Jenneken) verschenen en zij verklaren aan Jan Ebben en echtgenote Peterken twee stukken land te hebben overgedaan en opgedragen, dat aan de Spannerbocks landstukken grenst.

Ordn. 6 Opnamenrs. 0360-0362
10 maart 1553        Voor de Heijense schepenen Roleff Vermaessen en Seger Beltgens en voor unse gesetenen Richters van beider Herre wegen zijn in den gericht verschenen de weduwe Peterken Lueffs en oeren momber (voogd), die verklaart ewelick und erfflich aan haar dochter Elssken Lueffss, voor verdiend loon en verleende getrouwen dienst, haar huis met hof over te dragen, waarin Peterken woont. Daarbij horen ook de gereiden guederen en een weikamp aen den Merpass, dat aan het Vicarien landt ligt en met een einde beneven dat Hollandt en aen der Maessen, als ook een schuld, als oer moeder voir orren doitt schuldich bleef. Verder zal Elsken alles ther gelichter deylungh met haar broer Derricken.

Ordn. 6 Opnamenrs. 0362-0363
19 september 1561        Voor de Heijense schepenen Herman Rulen en Johan Michels en de overige schepenen en de gezeten Richter zijn verschenen Eijbbe Seger Beltgens sohen und Berdtgen sein eheliche huijssfraw met haar momber, voort Derrick Beltgens der Brueder. Zij schrijven 5 Hornse guldens of de waarde ervan als jaarlijkse renten toe aan Jorrien Henrick Driessen zoon, als vader en voogd over zijn voorkinderen Ulendt en Hyllekens, gezusters en hun voorkinderen. De betaling ervan zal elk jaar op St. Maarten, 11 november, dienen te geschieden, voortkomend uit den ganssen alingen Erff und guedt, ruerend und unruerend, zoals Ebb met zijn huisvrouw in het gericht Heijen liggende hebben en welke goederen van hun overleden vader Seger Beltgens angeërfft ijss. Deze jaarlijkse schuldenlast kan afgelost worden met ein hondert inckell Horns gulden, iedere gulden ter waarde van 12 stuiver Brabants.

Ordn. 6 Opnamenrs. 0363-0364
25 april 1583        Voornoemde vijf Hornse gulden jaarlijkse rente, sprechende up Eb Segers off Bultgens Banta (?) sein huijsfrow und Derich Bultgens zijn afgelost en van een betalingskwitantie voorzien. De aflossing geschiedt door Gaerdt, Gerritt, Jan, Trijn en Peter, nagelaten kinderen van zaliger Jan Campus en Jenneken met 50 Rijder, de rijder à24 stuver.

Ordn. 6 Opnamenrs. 0364-0365
Ca. 1580        De gemeenschappelijke schepenen van Heijen getuigen dat voor hun gezeten richter het echtpaar Derrick Lijnssen en zijn echtgenote in het gericht gekomen zijn i.v.m. een zogeheten Erffbuetinge, waarmee zij blijkbaar een hoeve mogen overgeven waaraan Spannerbock verbonden is, die hen met recht daarvan verdringen mag en aan wie zij gehoorzaamheid verschuldigd zijn.

Ordn. 6 Opnamenrs. 0365-0366
1 juni 1548        Voor de richter en enkele met naam genoemde Heijense schepenen te weten Roleff Vermaessen en Arndt van Haselt verschenen de weduwe Mechtelt Rijckens met haar dochter en Jan Tzesuesteren (?). Zij dragen aan Jan Ebben en Peterken zijn voirfrouwe en orren erven twe stucken lantz over. Een stuk grenst beneden aan Spannerbrocks Erve, nabij Jan Lijnsen papelier. Het ander stuk ligt bij den Oirtzberch en het erf van Peter van Beringen.

Ordn. 6 Opnamenrs. 0366-0369
Circa 1560    Etliche verteickenungh der Rechten so binnen Gennep und Heijden gehalden werden. De notities geven de regels weer hoe gehandeld moet worden indien een pachter offte schuldener zijn verplichtingen over het gepacht erf, land, goederen e.d. aan pachtschuld  niet nakomt. Via allerlei dwangmaatregelen zoals verhalen op aangegane onderpanden, uitzetting en uiteindelijk lijfstraffen (peijndinge) wordt een proces in werking gesteld, zoals dat in de stadsrechten van Gennep vastligt. Daarbij worden diverse termijnen (zoals drie sonnenschijnen, 14 daegen, e.d.) gehanteerd, die uit de rechterlijke voortgang volgen voor scholtis, schepenen, gerichtsbode, e.d. Alles moet in gezegelde schepenoorkonden worden vastgelegd. Het onderpand wordt aangesproken en door iemand anders vervangen en ook wordt een soort deurslot of den rinck van der dhueren gehaald. Zowel de scholtis, de schepenen als de schrijver zullen voor hun bemoeienis en werk na rato beloond worden in de levering van zekere hoeveelheden wijn.

Ordn. 6 Opnamenrs. 0369-0375
December 1557 – februari 1558        Der heren Rheden (Kleefse raad) protestation gegeven dem heren zu Heyden eines gefangen halven.
Nadat Arnt Spanrebroick in de vergangen maent novembris 1557 fouten gemaakt heeft bij de arrestatie van een zekere Beltgen in dit gericht tho Heijden, ontstaat veel commotie en wordt vorst Willem, hertog te Kleef, Gulick en Bergh, graaf to der Marck unnd Ravensbergh, heer tho Ravenstein schriftelijk daarover geïnformeerd. Beltgen heeft kennelijk ettlicher schaep gestolen. De gevangene was zwaar gestraft en verbannen door de heer van Heijen en die was daarbij met unvernünfft tewerk gegaan en had zijn bevoegdheid overschreden. Zo had hij zijn landsheer, de hertog van Kleef, en de heer van Gennep gepasseerd en in het geheel niet betrokken. Hij had de gevangene van rechtswege moeten overdragen aan Kleef zoals sijne vorsaten (van Spanrebock) dat voorheen meher tijden gedhain hadden. Arndt Spanreboick maakt geen uitzondering en ook hij heeft zich als Kleefs underdain te bedragen. De hertog van Kleef ziet zijn gerecht als ein pijnlick halsgericht in einer Criminaill oder Capitaill zaak, waarover hij keizerlijke en koninklijke brieven heeft van het Heilig Roomse Rijk, als ook beleningen.

Ordn. 6 Opnamenrs. 0375-0380
2 oktober 1536      Van diensten der undersaeten im fürstendumb Cleve.
Allereerst bevestigt Johan, hertog van Kleef etc., dat unse gemeine undersaeten und huijsluuden unsers Chur Fürstendombs Cleve ongewontlichen und meher, ongewone en meerdere diensten, voor hun heer verplicht zijn, zoals voorgaande hertogen van Kleef van oudsher als landvorsten, de hertog Adolf en Jan van hun onderdanen genieten. Het is daarom goed deze condities en navolgender gemeine ordongen te vernijen und uprichten laeten.
Item mach die Richter tot mijns gnedigee herre ende seiner erven widder seggen bidden und die huijsluide moegent dhoen off sie willen, dat itlicher ploich den Richter eins in dem jare einen halven dach bouwen off vurre dhoe binnen den kerspell, daer die huijsman whoennett und die koiter dessgelichen einen halven dach tho arbeiden.
Item moegen des Gerichtsbaden unde oick die ghoene so wagenboden ampter hebben tot den Gerichtsbod ampt bidden des bouwens solche gerinen van karn up ten velde als our vorvharen van altist tho hebben plegen mer verschr. Daerup gehoegt ijs, sall afgestalt wesen, want mein her nitt en will die boendtampten hoegen uitgedanen werden sollen, den die vom altz tho gelden plegen und ditt sall staen tot mijns heren widderseggen, und wher nit gewoontlich en yss gerven thoe geven, daer mach die Boedt elcken ploech bidden als vorschr. steit, von den Richteren, eins in den jaer einem halven dach tho bouwen oof vuere tho dhoen, binnen den kerspell daer die huijssman whoent, und ie kaeter desgeliechen einen halven dach to arbeiden.
Item mach die Waegenboid die umbtrint Cleve wagenboid ijss, desselvigen gelicks van ilcken ploech bidden des jaers eine selven dach the bouwen aff vuer tho doin gelick verschreven steit in seinen bedrieve und die wagenbadem tho Calkher und to Udem moegen desgeliken dhoen.
Item hierenboven sollen noch die Richter noch boiden von den undersaeten niet nischen,bidden, noch nhemen dienst, korn, gelt, noch geltz wherde, und dit sall ilcker Richter und Baedt then heijligen swheren, beheltlichen den selvigen von updrachten, peindongen, gebodingen, besettingen und anderen Gerichtz saken als von alts gerichts recht is.
Vernher wirden wij verstaen, dat die huijsleude unseren Amptleuden (domini) sij oerers Ampts undersaeten, des tho williger und flijtiger tot geboerlichen bescheidt verhelpen in einen gantzen jaer, zweimaill eins bij grass und eins bij stroe tho dhienen plegen, is unse meinongh unnd bevelh, dat unse Amptleude daer en boven wijders geine diensten von sollen in einigerleij wijse, dat oick unse Amptleude tot ungelegenen tijden, die huijsleude derhalven van gelegenheit tho verschoenen hebben sollen, doch vorbehalden unss und unsere borgen und frühere nottürftiges und geboirliches dienstes.
Item sollen die si tot unseren huijsdeinst tot Cleve, und in unseren woingen, baeden ampten, als nementlich umbtrent Cleve, Calker,Udem und Sonsbeck gehoerich (umb den tho beter tho achterfolgen, und der geboer von waer tho nhemen) mit den tween diensten des jaers unseren Amptleuden tho doin verthoent und verfordert blyven.
Item sollen unse Amptleude, Richters, Boiden, Wagenboiden und ander boiden by sich selffs nijmantz verweijen, noch uit sonderen, noch oich gein gelt nhemen, und die buede up andere leggen sonder die gelick umbgaen laeten, wie sich gebuert.
Dergliechen sollen unse Amptleude, Richter und Baeden, oick in den gemeijnen unsen wijld in Wolffs jachten acht hebben, dat nijmantz frij gehalden, dann naeber bij naeber geboidet und daerbij gefordert werde.
Und hierboven willen wij dat unse underdaenen und huijsleude mit einigen vorderen diensten von unseren Amptleuden, Richteren, Baeden und onderbaeden, bij verluijss unser Ampter oeres belielfs und up onser hoichster straiff und ongnaid, verner nitt beschweirdt werden sollen und os eijniger von unsen underthaenen und huijsleuden dairto oick verner gehoir geven, und dat doin wurde, die sollen vurscr. alss doin, so duck und vaick datselvige geschege in einer peenen von vijff alde schilde verfallen wesen.
Wilchs wij U allen und iederen sampt und besonder (daermit sich onwetenheit halven, nijemantz tho entschuldigen heb) gnediger meynongh nitt verhalden willen, allett  solangh uns dat geliefft und wij daerinne andere versielungh doin wurden. Urkundt unsere hierup gedruckten Secret Siegels. Gegeven to Hamboch, den tweden dach des Maentz Ocotber Anno (15)XXXVI.

Ordn. 6 Opnamenrs. 0380-0382
16 juni 1570      Willem Boens
Wij Herman Peellen und Jan Michels, schepen tho Heijen, en de gemene schepenen daar maken in deze open brief bekend, dat Peter Driessen met zijn echtgenote, voor de gezeten Richter van beider Herre wegen gekomen zijn. Zij hebben frijemoedich und upsettelick voor hun zelf en allen oeren Erven mit handt, halm und mondt drie stukken land overgegeven aan Wilhem Boens, zijn huisvrouw Leen en hun erven.

Ordn. 6 Opnamenrs. 0382-0385
16 januari 1572      Michell Reinners
Wij Herman Peellen und Jan Michels, schepen tho Heijen, en de gemene schepenen daar maken bekend, dat voor Derrick van Hillensbergh en Wolter Spaenerbock als Scholtissen van beijder Herre wegen, in eigen persoon de Erentfester und frommer Arndt Spannerbock ein Her tot Heijen, und Jueffer Galandt van Meverdt zijn echtgenote verschenen is i.v.m. een verkoop van vier malder goeden klaerer droegen sueten Rogh met daarbij twe Cappuijn aan Michell Reinners en zijn vrouw Ienneken.  Zij ontvingen voortaan deze jaarlijkse pachtbetaling, die Spannerbock uit de zogeheten Torckschen pacht geldende was. Er wordt een onderpand tot zekerheid gesteld.

Ordn. 6 Opnamenrs. 0386-0388
16 december 1584      Thiess van Haesselt belangende die halffscheidt einer behuijsungh binnen Genp gelegen.
Wij Hohan Lesier en Rhenmett van den Kamp schepenen en de gemeine schepenen tho Gennep getuigen dat voor unsen Scholtis Otten Ruijter in eigen persoon verschenen is: Henricj Garerdts met Liesbeth zijn vrouw. Zij verklaren die achter helfschap einer alijnger behuijsungh, gelegen in den Pottenhoeck … mitt oick ein lein huijssken und ein Endt hoeffs verkocht te hebben aan Thies van Hasell en zijn vrouw Jutt

Ordn. 6 Opnamenrs. 0388-0390
13 augustus 1526    Beleidungh tusschen die herlicheitt Heijden und Boxmer, so Anno 1526 den 13en dach Augusti bescheen.
Wij gemein Schepen tot Heijen teugen dat in den jaeren uns Heren duijsenth, vijffhondert und sess unnd twijntich, den dartienden dach in den Oest, wij semptlich mitt unsen gemeinen naebueren von Heijen,dartoe uitgebadt seinde von beide uns heren wegen ein beleijdungh tho dhoen tusschen die herlicheit van Heijen, ende die herlicheitt van Mehr nemptlich aen ein stuck lantz dat Jonckher derrick Schenck ende Jonckher Jan Schenck, sein Broeder beide Herre van Aefferden gewest to gebruicken plegen, liggende tegen die Steijll over, aen den einde dat nair Heijen schijtt. Ende wij sein daer semptlich up uns Eidt gemaent dat ein iegenlick daer die waerheitt solden seggen, wess hem daeraff kondich where, soe hebben wij schepen vorgen. mitten gemeinen naebueren geteucht ende up unss Eidt gehalden, dat unsen gein yverreltt gewerten (?), off gehaerett hebben, dat dat vorighe stuck lantz forder gebovett off gebruicktt ijss gewest van ijmandt andersdan van unss gemein naebuerendom tot einem kleffken toe, dat men in den wiich sehen mach, ende so wordt op Lemmen huijss van der Steijlen. Ende dat dijtt einde tho
Opname 0390
Heijen wardt nue binnen drie jaeren ijss aen dat vorge(schreven) stuck geboudt, ende angeerft, alle jaeren voort forder ende forder. Ende hebben oick sommige getuecht ende gesacht, dat sie van oeren voralders verstaen ende gehoerdt hebben ende oick van den hger van Heijden nu kortz verstorven, dat daer einen steen vortitz plege tho liggen aen dat selve kleffken, die die herlicheiden scheiden, hebben oick sommige getuecht ende gesacht, dat hoen kondich wehre ende gedecht, dat die Maese ein grot stuck wegs der herlicheitt van heijen benhommen ende affgedreven hedde bij oeren gedencken, behalven dat vor oere tijtt aefgeloepen where, dat Sie teugden dat bekantz ther halver Maesen toe nu wesen solde, want daer sommige landt hebben gehadt, beneden den Monniken inhaben, tuschen dit vorschr(even) stuck lantz und die alde Benck, daer nue die wech hingaett langs die Maese.

Ordn. 6 Opnamenr. 0391/0392
5 juni 1545        Beleidongh up Fridaich den vijfften Junij Anno (XVc) XLV
Item den gemeinen veldt und Leijgraiff is bekent durch Arndt Spannerbrock, ein heer to Heijden, und den Scholtis van wegen unss gnedigen herren.
Bewijss der Schepen wat einer up der beleijdongh broicktt.
Item die schepen wiesen vor recht dat wannher die beleijdongh geroepen iss in der kercken, unnd die gener, die dan in broecken fallen, sollen broicken ein pont ten where dann saeck, die herrn bewijsen konden, dat oren meher togewesen sij mitt recht, solchs nu willen Sie nitt hoegen off legen.
Item als einer eidt uitt dem befairtt (?) grijtt sall staen tot genaedt des herre:
Item ein gemeinen Herr straitt sall wijdt sein achtien voett.
Item einen gemeinen wegh sestien voett.

Ordn. 6 Opnamenr. 0392
14 april 1614     
Anno 1614 den 14 April iss van den fürstlichen Heeren Rath ein beleijdinge mit den Amptman van Genep, Burgermeister, Schepenen ende Rath in bywesen de Wol edelen Alter Knippinck, heer tho Heijen ein beleidungh oft besichtighung gehalden tussen die van Gennep ende Geneperloe ende der Herlicheit Heijen mit ock die semptliche schepenen ende gemein naberen derselver herlicheit und iss dese beleijdungh geschiet van Raijmakers van der Masen op einen Essenboem int an den vorscr. Camps ahn heij op doer die Dormans hey op den Bergh daer die slinck naest Heijen is ende van daer op einen Bergh geheten den Keldehrbergh ende van die Bergh op den Koepelbergh, daer den wech hir over gaet tot op dat IJshovelse felt over den Hessener (Hassumerweg?) wech, ein klein berchsken tegn dat Nijerssche felt gelegen bij Hommersum, geheeten den Vosshoeffel ende aldaer die heeren van Cleeff ende die van Gene pende den Heer van Heijen mit die scheepen ende nabaeren  gescheijen ende ein yeder na gekoyen (?). Actum ut supra … doemael gehort dat vermaent tworde hier scheijen drie herlicheiden to weten Gennep, ….. ende die herlicheit Heijen.
Ondertekend: Adolph Veltum, notaris.  

Ordn. 6 Opnamenr. 0393-0395
Extractum uit den Heijdenschen Prothocollen:

** 9 mai 1550.    Item der Scholtis gesint an den Schepen tho Heijden, wat die schepen tho Heijden, wat die schepers gebruickt sollen hebben, die up dat hoichveldt oer schaep gehuedt hebben unnd voor recht beschuldigt sein.
    URDELL
Daerop die schepenen vor recht wiesen, dat dieselve so daerover befunden sein, gebruickt hebben ein pondt nemptlich    VII stuver.
    Item seggen die Schepen off die heer ader scholtis imandt up die Heess gefunden, und solchs ime overtuegen kann, sall die Scholtis van beiden heren, die brouck daervan nhemmen.

    ** 7 febr. 1550 Anno L hebben die schepen up gesinen der partijen nae gedhomnen vitspraken ordell wievill geltz die partijen inleggen sollen und wievill tijts Sie hebben sollen naefolgende erklerungh gedhan.
Die Schepen wiesen vor recht, dat voir oer banck recht und gewoenheitt ein Ider parthie inleggen sollen, twe goltgu(lden) binnen vertien dagen nae Datum dieses, daer to sollen beide parthien genochsam burgen stellen, dat Gericht frij vitt und in to fhueren, onbelett und onbestoert.
Hieruo hebben die partijen dhamals ingewilligt van beiden sijden, dat Sie dat gelt totter hoefftvaert inleggen sollen binnen sess weken und is innen vergunt gerichtlich.

    ** Anno LIII (1553) den II dach Junij als die bueten geerffden mitt den van Heijen Irr gesatten Schattunghen niet betalen wolden und derwegen ahn rechten erwassen (?), ist diese van folgen de Sententie daerin ergangen und uitgespraken.
    Wij schepen wijsen vor recht van amsprack und antwordt, nae kondt und kondtschappen, so sich die van Gennep als nemptlich Melis van der Lijnden verninten (?) hefft. In der herrlicheitt van Heijen gefrijet soldt sein, dieselvige frijheitt nitt bewesen den Rechten genochsam. So wijsen wij vor recht dat alle die ghene die in der herlicheitt vorgen(ant) güederen liggen hebben, sollen mitt den undersaeten der herlicheitt Heijden schattijngh geven ein Ider nae seinem guedt.

Ordn. 6 Opnamenr. 0395-039..

Ordn. 6 Opnamenr. 0395
19 october 1565.
Anno 1565, den 19e Octobrij, als widderumb die Schepers nae gedhaenen kercken verbot ire schapen op ten velden gaen laeten und gefuedet hebben die schepen erklert op anhalden des Scholtis.
Die schepen seggen, dat Sie blieven bij dem fondenis als oer vorsaeten gewesen hebben in Anno (15) vijfftich, nemblich, dat ein ieder darvan gebruickt sall hebben ein pondt to weten:    VII lb

Ordn. 6 Opnamenr. 0396
27 november 1562.
Etliche kundtschappen belangende einem wegh.
Schepen Henrick Schonnip (?) unnd Thoenis Baix den 27e November Anno LXII (1662).
    Item Jan Krouwers off van den Staij tho Sambeck hefft laeten gedaigen ter konden mitt recht voer hier nabeschreven:
** In den ersten die Erentveste ynnd fromme Arndt Spanerbrock, Her tho Heijen, Roleff Vermaesen, Gerreitt Louwen, Arndt van Haesselt, Wolter Spanerbrock, Scholtis, Alhart Bijrman,
In den ersten drecht Jan vorschr. over dem her von Heijen vurgen. ther konden, wess hem kundich unnd wittich sije von den wech doer die Lanckeren, wess tot Sambecker Staij, tuecht Arndt vorgen. dat hij daerbij gewest sij, mitt den gantzen Naebueren von Heijen up ein beleijdungh, dat Lijffertt van Wijlack z(aliger) der Landtrentmeister gewest, des wegs einsdeils toge …… (rest tekst ontbreekt!)

Ordn. 6 Opnamenr. 0397-0398
In die Pingstheijlige dage 1548    Peter Boll.
Wij Roleff Vermaessen und Seger Beltgens, vort wij gemein Schepen tot Heijden, tuijgen dat vor uns geseten Richter vom beider heren wegen und unss int gericht khommen seindt: Johan Hermans, sein huijsfrou mitt oeren drien Sohnnen Johan, Henrick und Hunrick und hebben bekandt und beleden. Dat Sie in der hylix vurwarden tuijssen Peters Boll eins und Gertt oer dochter anderdeils, belaefft und gegeven hebben, geven und beloven den vorgem. Peter mit sein huijsfrou Gertt vorgen. einen mergen lantz in dem gericht Heijden int Neerveldt gelegen,vorgenoit mitt einer sijden und ein eindt Peter Boll selver, ther ander sijden Johan Ebben, mitt einem eindt Anna Rixen saliger, mer erst nai doitlichen afganck des vortschr(even) Hermans und Diemer seiner huijsfr. Ontefangen und erfflick tobehalden. Vort hefft der Erentfesten und fromme Arndt Spannerbock, ein Heer tho Heijden, in der bededinge diss hylix gelaifft und gegeven, den selven Peter Boll mitt seiner Nichten ein erff malder garsten, jaerlix pachts, wilkoer die Greff Spannerbock jaerlix geldende hefft uitt den guederen des vorgen. Peter vader und moeder nagelaeten hebben und hefft Arndt Spannerbock gelaifft dat malder garsten tho sampt oer erven, nitt mehr umb gemaent sollen werden off betalen sollen ten ewigen daegen tho. Sonder all argelist. In urkundt der waerheit. Gegeven in dem jaer uns Heren duijsenth vijffhondertt acht und vertich up dingstach in die Pingst heijlige dage.

Ordn. 6 Opnamenr. 0398
Ca. 1550  Fragment oorkonde, waarboven staat: Jan Rutten
Wij Seger Beltgens und Gerriett Louwertz, schepen, tuegen, dat vor us khommen sijn Derrick Goessens und Rijxken sein huijsfrouw und hebben vor uns Richteren van beiden Herren wegen upgedragen Johan Rutten und Metth sein huijsfrow und oeren Erven einen weijkamp vorgenoten mitt einer sijden Goyerdt van Wijlick, ther ander sijden die gemeindt. Ein Eindt Goerdt Drijssen, dat ander eiindt Johan Ebben vor
 
Ordn. 6 Opnamenr. 0399-0401
24 juni 1647
Tot vervulling van het vacant geworden pastoraat in Heijen wordt uff St. Joh. Baptista Mit sommer deses yrtz lauffenden sestienhondert sieben und vertzigen Jahr wordt de Ehrwerdigen Here Johan van Beler door de tijdelijke Herren zu Blijenbeeck als rechtmessiger Collatore voorgesteld. Deze zal vredelich met zijn parochianen leven en als zielzorger het woord Gods verkondigen. Daarbij mag hij wonen in de weem oder des Pastors behausungh, dat door de langjarige oorlog bouwvallig geworden is en dringend moet worden hersteld. De parochianen hebben voor het bouwmateriaal te zorgen.

Ordn. 6 Opnamenr. 0401-0402
10 december 1631    
Vrijwillig akkoord van de schepenen en naburen van Heijen en Jan Clabbers, dat hij vrij behalden sal dat eerff ind huijs gelegen te Heijen, maar zijn erven jaarlijks ein schepell roggen an der schoell tot Heijen tbetalen op S. Joannes Nativitatis in Midsomer und ein ton biers vor die nabuyren, so nu anstont gedroncken is betalen zal. Eveneens is hij ein halff ton biers in die Schutterije tot Heijen verschuldigd.

Ordn. 6 Opnamenr. 0402
29 december 1631    Een op kasteel Driesberg (Kessel a.d.Niers) door Arnold Henrick von Nieuenheim, Kleefs jagermeester en woudgraaf ondertekende verklaring aangaande de koop van een stuk heijdlandt nu Meerweert, waarop voor de koper een jaarlijkse last drukt van ein halff tonne biers voor der gilt tzu Heijen

Ordn. 6 Opnamenr. 0403-0404
2 maart 1651    De Iura des scholtheissen und Gerichtz Botte zu Heijen bevattende de inkomsten en tarieven/boetes die de schout en de gerichtsboden van Heijen voor hun handelingen toekomen, te weten:
1.     Von jemanden tho gedagen (voor het gerecht te dagen) den Scholtheis    8 st(uver).
            Den bode halff so viel                        4 st.
2.    Van Pandunghe (soort beslaglegging) den Scholtheis            16 st.
            Den bode halff so viel                        8 st.
            Van Pandtslietung der Scholtheyss                16 st.
3.    Den Botten (soort bodegeld) halff so viel vor den Scheffen, so daer over sitzen ein jeder ein quart wiens ad 1 schelling: ad                        8 st.
4.    Een  weet oerkundt tzu thun binnen dorps daer van, sal der Bot haben    8 st.
    Buitten ambtz oder herlicheit aber                        16 st.    
5.      Die Pantweigert oftt Vortsettung doet auch zur unrecht unmitteren het (?), hat verbrucht (heeft een boete van)    1 alde schilt ad 1 schill.
6.    Van 1 arrest, den Scholteiss                            16 st.
Den botten half so viel                            8 st.
7.    Die Schouwung (inspectie) der straten, leijgraven, heggen, und weeijen und velden, brueckfalligh (in gebreke te vinden) befoinden werden, haben verbrueckt    1 goudgulden (in specie).
 De gemene straat bij zijn erf gelegen moet 16 voet (4,80 m.) breed zijn. De heggen er langs moeten dus tijdig geknipt worden, anders rust ook daar een boete op. Deze notities waren genomen uit oude aantekeningen van de Heijense pastoor.

Ordn. 6 Opnamenr. 0405
Geen document

Ordn. 6 Opnamenr. 0406
Slecht behouden eindfragment van een Heijense akte over een boerderij en een brug uit 1546, zonder samenhang.

Ordn. 6 Opnamenr. 0407-0408
Op vrydach nae Paesschen anno (15)XLII 1542.
Wij gemenen schepenen tot Heijen tugen semenlijck op onsen schepen eet dat uijt versuijck Arnt Spaenrebock, een heer thoe Heijen, durch dvanck des rechten, want wij mijt recht daits thoe genoedicht sijn, ind van hem ons gerichtelick aff gevraicht iss off Wolter Spaenrebock, syn bastert broder nijts geedt geweest en weer voer eenen gerijchs baed, dat ons seementlick wijttich ende kondich is, dat nae Jan den Baed (die een tyt lanck gerichs baed geweest iss van wegen beijden Heeren) Marten Wijnetz gerichs baed was van weegen beijden Heren ind doe die selve Marten van Heijen uijter onsen gericht ytter woud toech begherden hij dat men hem synen eet sold verlaten ind dat hem doe synen eet verlaten wart ijn bijwesen end mijt consent beyde richters van beijden onsen heeren wegen, ind dat ter selver tijt Wolter Spaenrebock vurscreven tot enen gerichts baed van wegen beijden heeren gesat wart ind dat hem Thonis van der Lijnden durch begeert des Scholtis van Genp den eet staeffden ind iss ongevaerlick omtrent twe Jair lanck gerichts baed geweest, eer hem de eet wederom van den Scholtijs vurscr. verlaten wart, welken eet hem die scholtijss vurscr. oick nae gerichtelick quijt gescholden heeffy van wegen ons gen(ante) heren, ind dat om der twijsten wijl des iagens halven dat die drost nijt hebben en wold, dat hij baed sold wesen van wegen beijde heren. Voert op die vraich ons Arnt Spaenrebock vurscr. aff gewraicht hefft van Eevert van der Borcht off hij in onss gericht ind banck oick gheer weer geweest, tugen wij seementlick op onsen eet vurscr. dat ons gheen dair oever gestean en hebben off oick nijet hebben hoeren seggen, dat hy hyer ijn ons gericht gheet iss geweest.
Wort tugen wij op eet vuurscr. Op vraich ons Arnt vurscr. off gevraicht heeft, dat ons wijttich ind kondich iss, dat die selve Eevert vurscr. hier peend (boete) gehaelt hefft, woe wael hy geen gerichts baed ijn onss heerlickheyt en was en heff die peend uijt ons heerlickheyt te Genp gewoert, dat alhijer voertijtz nijet en plach te geboren, want wij schepen schuldich sijn der waerheijt getuchniss te gheven, dair wij mijt recht thoe gevordert weerd betuijchen wij dijt myt ons gemenen Schependombs seegel hijer onder opt spatium dess ons apeneer certificaten gedruckt op vrydachnae Paesschen anno (15) XLII.

Ordn. 6 Opnamenr. 0409-0411
22 april (XLII) --1542.
Wij Gerijt Lauwertz ind Arnt van Haeselt schepen ind voert wij gemenen schepen tot Heijen tugen ind certificieren oeuermijtz dess onss apener certificatien ind placaetz brijeff dat uijt versuijck Arnt Spaenrebock, een heer thoe Heijen, durch dvanck des rechten voir ons koemen syn Derick Ebben ind Jan Lijnsen, beijde onse mijnt schepen ind ons ter konden gedraegen heefft, dat sy nijet beleefft en hedden die wijl sy the Heijen gewoent hedden off oick nijet en hedden hoeren seggen dat eijnijghe misdedygher off gevangen off peende uijt onss heerlickheyt ind gericht gevoert weeren bij des alde greve tijden Arntz vurscreven baeder off dair bevoeren dan mijnt consent ind belijeven des greven van Heijen, ind dat gelijken van den alde drosset Christoffel van Wijlick nijet vijt ons heerlicheijt, dan mijt consent ind begheert Henrick Spaenrebock, ein heer thoe Heijen gehaelt en wart ind dat van den kerckhoff uijter weemen, dair om onse kercke ein tijt lanck interdickt weer geweest.
Ind voert hebn sij getuijcht op eet vurscr(even) dat on wael wijttich ind konmdich weer, dat Henrick Spaenrebock vurscr. eenen aangriep hed gedaen aen Jenneken Peelen ind hedt den gevangen ind gespannen ind dat om dat sylveren wyl van Sunt Anthonijs broerschap van Genp, dat hij synen broeder Derick Peelen aff gestaelen hadt ind hed hem ein tyt lanck syttent gehad omtrent V off VI weeken ongevaerlick.
Item dat hem oick kondich weer, dat die vurscr. Henrick Spaenrebock oick aengevangen ende gespannen hed Aelbert Bans om des wijl dat hij knijn gevangen hadt.
Voert hebn sij getuijcht op eet vurscr., dat on wael kondich is dat Ott van Wijlick, drost tot Genp, hed laten grieppen in de nacht ind tot Genp laten haelen Henrick Na bind dat bij tijden dess itzyge weedurou thoe Heyen Arntz vurscr. moeder mer sy en woesten nijet off die vurscr. weedvrou dair consent thoe gegeven heft off nijet.
Voert tuijgen wij Schepen vurscr. dat uijt versuyck Arntz vurscr. durch dvanck des rechten noch voir ons koemen iss Jan Hermens, Baij (bode) tot Heijen geweest iss en heeft voer ons gerichtelick getuijcht ind uijtgedragen ind gestaeffs eetz lyfflick then heijligen gehalden dat hem oick wael kondich weer, dat gelysken vurscr. uijt ons heerlickheyt gevoert waert mijt consent Henrick Spaenrebock, een heer thoe heijden ind dat der oersaken halven, want hij om van svagerschap bewant was ind want hij den graeff gedreijcht hadt, doe hij the Goch uijtkomen was om dat die greeff syn goet thoe had laten slaen soe en dorst hij bij daghe dair nijet koemen, dan hyel sych verboergen op ter Weemen bij heer Hermen ind doe die greeff dat vernaem, gijnck hij bij den drost ind begeerden dat hij om soldt laeten aengriepen, twelck alsoo geschiet iss ind waert op ter Weemen int ijser geslaegen ind satt dair enen daich twe off III ongevaerlick ind waert dair nae mijt consent des greven vurscr. the Genp gevoert int gerijcht. Ind heeft noch getuijcht dat hem oick wael kondich weer, Dat Jenneken Peelen van den greeff vurscr. aengegriepen weer om des sylveren wijl der broederschap van sunt Thonijss the Genp, want die greeff vurscr. een mijtbroeder was der selver broderschap ende halpt alsoe die broedrscap weeder aem oer sylveren, dess sy aen der quijt weeren geweest ind die kund componijerde nae doe hij ein tyt V off VI off VII weeken ongevaerlick the Heijen geseten hadt mytten greeff ind mytten drost, dair durch dat dat sylver gebetert waert, ind Jenneken waert loss gelaten.
Item heefft noch getuijcht op eet vurscr(even) dat hy ther tyt doe Aelbert Bans vurscr. gevangen waert, des greven baed was ind Aelbert was op weich myt synen schapen the drieven nae geyn Ketelvoert tot Spaenen, dair hy sych vermijdt hadt ind dat hem die greeff nae saent ind lijet hem besetten doe hij besatt was, ghijnck hij mijt hem totten greeff ind dat hem die greeff aen vijnck ind gevenckelick satt wees die kund (?) quaemen the Genp bij den Drost ind by dem Greeff ind componijerden.
Item heeff noch getuijcht op eet vurscr. dat hy ther tijt doe Henrick Nab gevangen und gehaelt waert van drosten dijnres baed was van beyden heeren weeghen (als hij wael ongeveerlick IX off X jair voer ind nae geweest weer) ind dat doe Wyllem van der Borcht snachs quaem ende rijep hem op ind dat sij doe tsamen gynge voer Henricks vurscr. doer ind quaemen myt lyst in huijs ind grepen hem ende elyden hem soe nae Genp ind hijeten hem wedom thuijs gaen off sy dat geconsentyert hed off nijet. Sonder argelyst, want wy schepenen dan schuldich syn der waerheijt tetuijchenijss the geven, dair wij myt recht thoe gevoerdert weerden te betuijghe wy dyt myt onss gemeynde schependoms segel hier ende opt spatien dess onss apener certificatien gedruckt, den tweentvijntichte aprilis anno XVc XLII

Ordn. 6 Opnamenr. 0412-0413
14 juni (?)1551.
Wy Alardt Birman und Johan Rutten, voirt wy gemeyn schepenen tot Heiden tuegen in desen apenenen placait dat uit forderyngh des Erentfeste und fromme Arnt Spanrebock, eyn here to Heiden vur ons komen und erschenen synt die Erentfeste und fromen Martin Boegell, heer tho Oyen und Derick van den Calck und hebn eyndrachtlick getucht, gekontschapt und na mit ore eidt bestedicht were recht is dat eyn tyt van jare geleden syn dat sy in Lotryngen inm eynen dorp genannt Bellene by den here van Well oren oversten ter tyt op eynre Camer umb oir betalynge aen komelicke Manstoet (?) to fforderen van oren perden als van dry maentz komen syn. So dat die vurscr. ruyther semptlick die noch then achter waren vur quyt aensaegen (?) dat men Hackfort dar to verordenen solde dwelk he van den houpluyden Amissart gemaickt was. Dair op der heer van Well oir overste on vur antwordt gaff, dat beter were eynen anderen dair to to verordenen und tbewylligen, also dat sy semptlich deputirt hebn Arnt Spanrebock, heer tho Heyden vurg(enant) wylck oir mit den heer van Well aan Koen(inklijk) Ma(jesteit) om dat Ruiter gelt f forderen gereist is und wardt den vurscr. Spanrebock tot syne teronghe belaifft und togesekert op wylcker perdt eyn gelde Croen, wylcker geldt die vurscr. Martin Boegel und Derick van den Kolck bekanden betailt thebn als myn heer van Well und myheer van heyden wederom uit Ffranckryck quamen und sy oir gelt to Well op den huysse ontfyngen weyde s…. sy gekontschapt dat on kundich is dat Hackfort vurscr. ter tyt na luydt de monster sedule vier und twyntich perden in bes… dynge gehadt heeft und dat Hackfort ter tyt nyt to Well is gew… und syn aendeyll der oncosten nit betalden, wie vurscr.. Du..dan deze kuntschap also wie vurgen. vur ons uitgedragen und mit eydt bestedicht is hebn wij Schepene vurscr. in getuchnis der wairheit unsen gemeynen schependombs segell op spatien dys placait gedruckt. In den jairen uns Heren duysen vyffhundert eyn und vyfftich, den vyrthynde dach ….. ij.

Rugzijde:
Ein alte versiegelte Kundschaft über eine Forderung den Spannerbuick betreffend.

Ordn. 6 Opnamenr. 0414
1552.
Wy Henrick van den Bungart und Johan van Hoesden, schepenen tot Genp, tuigen und certificieren in desen apenen placaithbryff dat up huiden datum van desen uit versuick dess Erenfesten und frommen Arnt Spannerbock eyn heer tot Heiden unb  urch dwanck dess Rechten vur ons komen is Thonis van der Lynden und hefft by ide syns schependombs uitgedragen und getuicht als recht, dat eyn tyt leden is hy myt den Eirbaren Roloff van Osswerdt, scholtis dess Ampts van Genp myt meer ander mannen by den vurscr. Arnt Spannerbock tot Heiden in huyse Wolter Spannrbock bastert des heren van Heiden vurscr. Baidt (=gerichtsbode) heff sitten drynck, so dat gemelte Arnt Spannerbock tegen den Scholtis und Thonis vurscr. saicht: Ick heb verstaen dat ghy gerichts luydt van Genp myt den sementlick naburen eyn beleiding gedaen hebt, die myner heerlicheit to na geit und van den maell die beleidung also myt recht staen sall, sall myn heerlicheit nyt groit geblieven, dairop die Scholtis und Thonis geantwordt hebben: Ghy van Heyden dat hir tegen oick eyn beleiding, So hefft die vurgemelte Spanerbock begert und gefonnen (?) die vurscr. Scholtis und Thonis om eyn form und manier vurgeve und leren wolden wo die beleiding na alten byllicheit und na recht geschreven sall van den maill hij dess onvervaren were, hebben die Scholtis und Thonis vurgen(ant) geantwort und gesaicht, dat Spanerbock vurgemelt, eyn beleidig van beider heren wegen verramen sall, myt geneichten und sulx asdan dry maill up verschin sonnendaigen to voeren durch synen geswaren gerichts baidt in die kercken laiten verkundigen und roepen. Sonder argelist, want dan wy schepen vurscr. schuldich syn der wairheit eyn getuich tgeven dair wy myt Recht umb gefordert werden. Is dit allet glickt vurscr. steit vur ons uitgedraigen. In oirkonde der warheit hebben wij schepenen vurscr. ons segelen hier und up spacien deses certificaathplacait gedruckt….. jair ons Heren duysent vyffhundert twe (und vyfftich) (rest niet leesbaar door opgedrukt zegel)

Ordn. 6 Opnamenrs. 0415-0420
Kleve,  17 juni 1560.
Vergelijk en verdrag tussen de gebroeders Arendtt Spannerbouken, als einen hern tho Heijden, en Johann Spanrebouk met de hertog van Kleef, wegens het frequente misverstand en tweedracht met de Ampttleutten tho Genepe van de hertog van Kleef met die van Heijen. De conflicten gaan onder meer over die holttgewässene der Hezen, Vijschereijenn, Knijnen, Wranden, waarover het gericht van Heijen gesonsulteerd is en welk gericht voortaan appellatie moet houden in Kalkar en niet meer te Gennep.
De heren van Heijen moeten voor hooggerichtsaangelegenheden en lijfstraffen naar de hertog van Kleef en de Heijense heer opereert als tidttliche helfheren en gevangenen zal deze binnen drie dagen over leveren aan de hertog. Belastingen of schattingen, tijnsen, en opbrengsten uit houtgewas e.d. komen voor de helft aan Kleef en de andere helft is voor de heer te Heijen. Ook zijn ze beperkt in het laten bouwen van nieuwe boerderijen, turfrechten, kerkelijke en wereldlijke benoemingen. Daarbij is de scholtis, die benoemd is door Spanrebock van Heijen, geen sprekend schout, zoals de Kleefse scholtis, maar slechts een swijgend schulttiss. De sprekende scholtis zorgt voor de uitvoering van de boeten/straf en de verpandingen.

Ordn. 6 Opnamenr. 0421
20 mei1560.
Arndt van Haselt en Johan Michels schepen en de gemene schepenen van Heijen verklaren ter instantie van Arnt Spanrebock, eyn heer tho Heyen, verklaren dat voor hen Arndt die Hoigh, die over de 80 jaar is, en Johan Hermans verschenen is. Beiden wonen al tuyssen vijfftich und sestich jair te Heijen en verklaren dat een zeker goed (boerderij) van die Haen afgebrand is geweest en weer opgebouwd.

Ordn. 6 Opnamenr. 0422
25 januari 1560.
Wij Herman Pelen en Gerit Lauwertz, schepen en gemene schepenen van Heijen getuigen gezamenlijk dat voor Arndten Spanrebock verschenen zijn Lenardt van Schelberch en zijn broer Derick die verklaren wanneer in Goch Wylhemken, de huisvrouw van Symon Janssen gestorven is.

Ordn. 6 Opnamenrs. 0423-0425
Kundschaft wegen eines begangenen doetschlags
Gennep,  1558.
Wy Gundert Poylman en Reyner Reynenssen, schepenen te Gennep, doen kond, dat voor onsseren Scholtis Otten Ruytter en voor deze schepenen in eigen persoon gekomen is Gerhart van Kesseleijck ter instantie van Alter Knyppingh tot Heiden. Er volgt een gedetailleerde ondervraging via een predikant over een voorval met vrouwen en een dronken man. Het gebeuren vond op 28 februari ’s avonds nabij Goch umbtrynt Aesperden up ghener syden van den Cruysswegh komende plaats met stoten, houwen, steken en met zelfs een dodelijk streck. Hierbij worden het klooster Grevendaal of Nieuwklooster en de schans van Sgrevenwerth (later Schenkenschans) betrokken als ook den Schenycks soldaten tussen kasteel Driesberg en Kleef.

Vervolg op voorgaande doodslag

Ordn. 6 Opnamenrs. 0426-0427
Gennep,  24 maart 1558.
Voor schout Otten Ruytter en de heren Gundert Poylman en Reyner Reynenssen, schepenen te Gennep verschijnt Peter die Swart van den Bergh met een verklaring. Er is sprake van een claim van vierhundert goldt gulden pennyngh geldtz und schade van rechten. Tijdens het verhoor wordt gezegd dat die duyvell mout my dair gebracht hebben.

Ordn. 6 Opnamenrs. 0428-0432 (Opname 0431 ontbreekt!)
7 januarij 1651
Herman Janssen, als schutter van Heijen, geeft een overzicht over 1650 van overtredingen met zijn bevindingen van vier met naam genoemde schepers van vee, naweiden op bepaalde gemeentevelden, gekapt hout, gestolen gras, e.d.

Ordn. 6 Opnamenrs. 0433-0434
27 maij 1651    Was der schütter angebracht hatt
Boeten vanwege een in beslag genomen paard van Derrich Roben, het hoeden van vee op Pasen (Ostertag), het drijven van schapen auff das Maijsie ouffer (op de Maasoever), het ’s nachts uitbreken van een paard, het drijvan van schapen in een korenveld e.d.

Ordn. 6 Opnamenr. 0435
20 augustus 1657
Belasting aanslag en met het contigent of aandeel daarvan voor het ambt Gennep, verdeeld over de inkomsten uit Ottersum en Oeffelt en de heerlijkheid Heijen met de verdeling naar die pastores zu Gennep und der Stadt, Uffelt, Heijen, Ottersumb en naar die vicarij St. Anthoni, Crucis en Martini in Gennep; Salvatoris en B.M. Virginis in Uffelt; St. Nicolai und Fruhmess te Heijen; Milssbeck und Lamberti te Ottersumb

Ordn. 6 Opnamenrs. 0436-0438
15 oktober 1657    
Erftbrieff Petern Driessen, opgemaakt voor de Heijense schepenen Willem Vermaessen en Jan van Lottum en hun scholtis Joan Deusingh over een hoeve, die erfelijk overgedragen wordt.

Ordn. 6 Opnamenrs. 0439-0446 (Opname 0446 ontbreekt!)
1651 - 1662    
Opgelegde boetes (met notities daartussen van uitgaven) wegens verschillende overtredingen zoals het stelen van mergel, hooi, het drijven van vee op verboden plaatsen, vechtpartijen, andere diefstal met geselen en brandmerken, enz.

 Ordn. 6 Opnamenr. 0447
Ongedateerd.    
Fragment van een veroordeling, deels Duits, deels Latijn.

Ordn. 6 Opnamenrs. 0448-0451
2 juni 1661
Gerechtelijke ondervraging op verzoek van de Gennepse pastoor Emerici Kriffts, van Jacob Gorthals/Gortsalen, die met twee vrouwen betrapt is, over diefstallen met kameraad in het Land van Cuijk (o.a. tin en zilver bij de predikant Henrici Stulenius te Beugen en diefstal in Mullem en Sambeek) en in de kerk van Gennep, zijn omzwervingen als soldaat in Spaanse dienst, zijn verkoop van gestolen spullen en zijn gevangenschap in het kasteel te Boxmeer. De gerichtsschrijver van Heijen protocolleert een en ander.

Ordn. 6 Opnamenrs. 0452-0465
17 juni 1661
Door de inquisitie wordt Jacob Gordsalen ongeboeid aan een scherp verhoor onderworpen. Hij blijkt van St. Oijenraij (Sint Oedenrode) geboortig en 26 of 27 jaar oud te zijn. Twee maanden is hij in Spaanse militair dienst geweest en heeft daarna als marskramer langs de huizen een jaar lang met kammen, schotelen en swebelstöck (lucifers) officieel zijn kost verdiend. Hij ontkent diefstallen in Mullem. Sint Anthonis en Sambeek. Het uitvoerig verhoor wordt vervolgens in Boxmeer voortgezet. Veel details worden weergegeven.

Ordn. 6 Opnamenr. 0467
Archiefomslag, Landesarchiv NRW, Gesamtarchiv von Romberg, Haus Heijen – Karton Akten, Nr. 6.

Ordn. 6 Opnamenrs. 0468-0469
25 febr. 1728 [met extract van 18 juni 1560] inzake een schrijven vanuit Kleef van de Kriegs- und Domainen Cammer aan de heer van Heijen, waaruit blijkt dat de inwoners van Heijen van oudsher (zeker sedert 1560) bepaalde diensten in natura, verschuldigd zijn d.w.z. hand- en spandiensten, en wel aan hun landsheer (in dit geval nu de Pruisische koning) en aan de lokale heer van Heijen, te weten half om half. Het bericht is verstuurd aan rentmeester Leurs, gezeten op het Genneperhuis.

Ordn. 6 Opnamenr. 0470
1731    Vermessungs Carte, een soort kadastrale van het kirspel Ottersom, van grondstukken die blijkbaar aan het huis Heijen behoren zoals de Tillenkempken, Diepenbroicks lange kamp, Diepenbroick werth, zum Hövelschen hoff gehörig Frhr. v. Diepenbroick met landerijen (bouwland, weiland en heide) geheten de Heijensche Lucht, alsook een weiland bij het Genneperhuis gelegen, geheten Pillenkamp.

Ordn. 6 Opnamenrs. 0471-0472
Buldern, 1732
    Verzoekschrift van de Freiherr Johan (?) von Diepenbroick, als Jurisdictions Einhaberen van Heijen aan de Pruisische koning n.a.v. Landsdag uitspraken van 1653, 1654 en 1664 i.v.m. het meer toegestaan zijn van het aantasten de gemeenschappelijke heidegronden, de jacht, de bossen, de weidegebieden en het maaien van plaggen. In 1719 was nog 75 Hollandse morgen van de Heijense heide afgegraven en in cultuur gebracht. Hernieuwd verzoek om toestemming tot afgraven.

Ordn. 6 Opnamenrs. 0473-0475 (Opname 0475 ontbreekt!)
1738.
Door de Pruisische koning wordt toestemming verleend om de reeds aangevangen ontginning heidegrond onder Heijen voort te zetten (met 3 jaar vrijstelling van belasting, zoals van de novale tienden daarop). Het betreffen:
1 morgen door Henrich Tünnessen
5 morgen door Theijs Jansen
7 morgen door Peter ther Vooren
5 morgen door Jan Claessen
5 morgen door Jan Deriksen
5 morgen door Jacob Hübers
2 morgen door Kerst to Rijck
2 morgen door Gerrit Gerritsen

Verder aan de Steenberg gelegen de nieuwe ontginning van
1 morgen door Gerrit Gerritsen
1 morgen door Jan Willemsen
1 morgen door Jan Barbiers
1 morgen door Jan Claessen
1 morgen door Jan Busman
En nog auf der Burgt    4 morgen door Jan Barbiers, totaal 47 morgen

Ordn. 6 Opnamenrs. 0476-0480
25-29 augustus 1746
Mededeling van het echtpaar Johan Herman van Diepenbroick en vrouwe Elisabetha Josina Wilhelmina gebohrne Voigt von Elspe, Heer und Fraw zu Buldern, Heijen und Borg inzake hun gehorende Pertinentien: adeliches Hauss Heijen, Garten Baumgarten, die Schantze, Fischereij ins Meer und Maase, Jagdgerechtigkeit, Taubenflucht, Fehrfreijheit auf der Maasen an des Boxmeersche Fehr, die weijde- und bawländereijen … des unter Gennep gelegenen Luchtschen hoffs, zu, Haus Heijen gehorige Erbschäifte in rogge, gerste, kapaunen, hunen und tijnsen, zoals geregistreerd onder de heren Van Wijlick.

Ordn. 6 Opnamenrs. 0481 – 0484 (Opname 0484 ontbreekt!)
7 september 1744     
Verklaring van Gerhardt Leurs, Richter en Albert Groenewaldt, Peter Boumans en Jan Peters, schepenen van de heerlijkheid Heijen dat voor hem verschenen zijn Mr. Matheus Schmitz en zijn huisvrouw Catharina Velmans. Voor een som van 22.000 gulden Hollands en 334 gulden doen zij afstand van een serie gespecificeerde landerijen onder Heijen

Ordn. 6 Opnamenr. 0485-0497
18e eeuw.
Overzicht van weilanden en landerijen zu den Vicarie zu Heijen gehorrich met jaarlijkse opbrengsten, met name een weiland bij den Wittensteijn, den kleijne witte steijn genandt, verder der halbe Niggekamp, land an dem Merpass, land genandt die Papenlir, weiland in die Lancker.    

Ordn. 6 Opnamenrs. 0486-0498
1626-1628
    Zum Huse Heijen horen een serie landgoederen, die qua grootte, ligging en (fiscale) opbrengsten op 13 pagina’s in details opgesomd worden.

Ordn. 6 Opnamenr. 0499
Ca. 1630    Een hof te Heijen in gebruik bij Johan Lijnsen met nabijliggende weilanden in de Lanckeren, den Hamsse paiss, op het Kraunfeltt, op het Hoichfeltt, achter die Kalckhoiff, op den Raijacker, op die Laick, in die Ma(i)stenhuick, die Paipelyr, in der gemeint.

Ordn. 6 Opnamenrs. 0500-0501
17e eeuw.    Pahling des Heijenschen Hoffs, of te wel den hoieff tho Heijen ahn Landerije so baulandt und weijlandt in het Lankerer, int Nijefeldt, in die Rodedell, ahn die Laicker, die Papeleir, den Meirpaiss, den Weijerspoeill, denm Klokamp, den Smallert e.a.

Ordn. 6 Opnamenrs. 0502-0506
17e eeuw    Opgaven van gepachte landgoederen onder Heijen met grootte, ligging, pachter, e.d.

Ordn. 6 Opnamenrs. 0507-0509
1646        Maandelijkse afkondiging in de kerk van Heijen van op te leggen boeten bij het overtreden van zekere hertogelijk Kleefse en lokale wetten van de heer van Heijen m.b.t. de schapendrift, het goed gesloten houden van omheinde weilanden, het tijdig opschonen/korten van wilgen, het schoonhouden van sloten, het kappen van hout of heibrem voor de verkoop aan derden en het is verbaden dat nijmandt in deser herlicheit op eenige Soindaigen offt andere heijlige dagen Beede dagen sal arbeijden, mehr als tot Godesdienst gehoort, komend op een boete van 5 goltgulden und 10 goltgulden daer sij vor arbeiden.

Ordn. 6 Opnamenrs. 0510-0516
1646        In vijftien punten wordt uitleg gegeven over het weiderecht e.d. van Heijen in het bijzonder gericht op de inwoners van de stad Gennep i.v.m. schendingen ervan, vroegere gewelddadigheden, enz.

Ordn. 6 Opnamenr. 0517
17e eeuw    Smeekschrift aan de Vrouwe van Heijen, geschreven door Peter Perfaes (uit Boxmeer?) en veerman op de Maase, die wegens het onvoldoende aanwezig zijn daar van heide en strooi om zijn brouwketel te kunnen stoken, toestemming vraagt    om soo veel brouw heijde ende strouw heye te moegen laeten mayen als ick sal nodich hebbe.

Ordn. 6 Opnamenrs. 0518-0520
1436        Copeij aus den Blienbeckssen protocol den limitten zwisgen Heijen undt Afferden betreffent, geschreven door Peter Jeurgens, secretaris tot Afferden en overgenomen uit het zogeheten Legerboeck van Afferden. De grens loopt van beneden Heijenert velt tot midden in ghen Maess und so voirt op doert velt totten Hengelboem und vort niederwert en zo verder.

Ordn. 6 Opnamenrs. 0521-0523 (0523 ontbreekt!)
Archiefomslagen, Landesarchiv NRW, Gesamtarchiv von Romberg, Haus Heijen – Karton Akten, Nr. 18 en Nr. V, 11 A 3.

Ordn. 6 Opnamenr. 0524
15 april 1643        Fragment van een eindstuk van een pachtverdrag met onderpandstelling, waarin genoemd wordt Eb(ert) Stickers (rentmeester te Heijen?) en zijn erven, uitgeschreven te Emmerick.

Ordn. 6 Opnamenrs. 0525-0526
1628-1648        Kopie van een brief, uitgevaardigd te Maastricht en ondertekend door Willem van Till, waarin wordt bevestigd dat Eb Stijckers als rentmeester van Heijen, den hoff Bongaert met de visserij mag gebruiken als pachtgoed, maar het staat de Vrouwe van Heijen vrij om vis hieruit aan het Hof in Kleef ofte aen ander luijd te schenken, zo zij dat wil. Ook mag Sti(j)ckers de Wijersspoell met de Poll gebruiken tot zijn profijt.

Ordn. 6 Opnamenrs. 0527-0550
1646            Uitvoerig register van ontvangsten en uitgaven te Heijen van onder anderen: geleverd ijzerwerk, gekochte pistolen, ontvangen koren en werkzaamheden daaraan

Ordn. 6 Opnamenrs. 0551-0553 (0553 ontbreekt!)
Archiefomslagen, Landesarchiv NRW, Gesamtarchiv von Romberg, Haus Heijen – Karton Akten, Nr. 5 en Nr. V, 2 Band.
    
Ordn. 6 Opnamenrs. 0554-0556 (0555 ontbreekt)
11 december 1692.    Pachtvoorwaarden van een huis met landerijen i.v.m. reparatie, erfdienstbaarheid aan het kasteel van Heijen, schaden a.g.v. oorlogen of natuur, het betalen van jaarlijkse schattingen, e.d.

Ordn. 6 Opnamenrs. 0557-0562 (opname 0562 ontbreekt)
10 maart 1693        Pacht door Reinier Reiniers van de Vrijfräwlein Berthina Elisabeth van Vittinghoff genannt Schell, Gerichtsfräwlein der Heerlickeit Heijen van het adelickes Heuijs Heijen, mitsgaeders daerbij gehoorigen gaerden, Boggaert, Bischerijen in het Mehr op de Maese, Duivenvlucht, Jaghtgerechtigheit, Fehrvrijheit op de Maes ahn Peter Perfaess vehr, als oock Weij- en Hoijlanderijen (ongeveer 180 kleine mergen), alles schattingvrij, met daarbij den Lochtsen Hoff, met de diverse erfpachten aan het Huis Heijen, enz., enz. tegen een pachtsom van 920 rijksdaalders, half in Hollands en half in Kleefs geld. Met jaarlijkse leveringsverplichtingen aan de Rentmeesterij van Gennep, het klooster Marienbaum, de Heijense pastoor en de Heijense schoolmeester en ook moest hij kapitaalkrachtige borgen stellen.

Ordn. 6 Opnamenrs. 0563-0570
Boxmeer, 6 december 1664
Gerechtelijke ondervraging of interrogatoria van in dienst van de Excellentie van Boxmeer (Graaf Albert van den Bergh) zijnde personen over de jachtgerechtigheden met lange jaghte ofte honden …. met tyrasse en verleger honden …. met roers (geweren), te voet of te paard) onder Heijen. De ondervraagden zijn: Jan Reijnen (in de seventigh jaer ongefehrlijck, geboren tot Wanraij, eerst stalknecht, daarna jager), Peter Pouwels (de) Vinck (oud ongeveerlyck de 52 jaeren, gebooren te Burgerhout/Antwerpen, sedert 1631 in Boxmeerse dienst, eerst twee jaar als Lacquaij/lakei, vervolgens vinckevanger, daarna jager en wildschut), Attueer Gieskens (out ongeveer 48 jaeren, geboren te `s-Heerenbergh, eerst lakei, dan bottellier ende soo vervolgentlyck Boirgh greeff), Peter Winock (segt ses oft seven in seventigh jaer, geboren te Doornyck sedert 1627 in Boxmeer, als trompetter), Joncker Wilhelm Teodosius Walhorn de Deckher (out se syn ongeveerlyck 45 jaeren, geboren te Brussel en sinds 1641 in Boxmeer, eerst als edelman voluntair ende nu op sijn selfts synde), Geurt ten Nijftis alias Sijbers (verclaert ongeveerlyck de vierendartigh jaeren, geboren te Boxmeer en vanaf zijn jeugdjaren in Heijen, eerst in Boxmeer schapenhoeder en jager). Zelfs de huijslieden van Heijen zijn daarbij komen helpen om de haesen uijt de aerde te graven, die de honden hadden ondergejaeght. Ook waren bij een jachtpartij wel over de hondert berckhoender in de heerlickheyt Heijden geschoten en ook zijn de boeren van Heijen zelf met de jacht meegelopen.

Ordn. 6 Opnamenrs. 0571-0574
Boxmeer, 6 december 1664
Soortgelijke gerechtelijke ondervraging als voorgaande, over het jachtrecht te Heijen door de heer van Boxmeer, van persoon geheten vrouwe Willemken Loijen uit Grave die 72 of 73 jaar oud is en getrouwd is met Sybert ten Nijftis te Boxmeer en daarna in 1638 met Eb Stijckers, de rentmeester van Heijen.

Ordn. 6 Opnamenrs. 0575-0577
Pachtcedul, 1 april 1681.
Verpachting in een openbare herberg door scholtis Johan Deusingh en de schepenen en naburen van Heijen van de gemeynts Maas oeveren, in blocken ofte parceelen verdeeld in  rijksdaalders van elk 60 stuiver Kleefs. De percelen (vier blokken) liggen onder meer naest de Mergelstraet.

Ordn. 6 Opnamenr. 0578
1681.      Eigenhandig ondertekend leenverklaring inzake opgenomen vier hondert Rijxdallders door Getruit Elisabeth van Nijvenheim, gebooren van Eickel, waarvoor zij onsen onder het gericht van Herijen gelegenen Hoeij ofte Weijkamp, den Kooe kamp en Honshorst genaemt tot onderpand stelt.

Ordn. 6 Opnamenrs. 0579-0580
11 sept. 1687    
Duitstalig antwoord van de burgemeester, schepenen en raad van de stad Gennep aan de Heijense jegermeister omdat de burgers van de stad Gennep niet gerechtigd zouden zijn onder Heijen te jagen.

Ordn. 6 Opnamenrs. 0581-0586
5 - 9  - 14 sept. 1698 / Kwitantie13 mei 1699
Verkoop tegen opbod in Kleefse rijksdaalders van hoeij= oder weijkamp zwischen Gennep und Genneperhaus, Mekerens weijde geheten, later Peilen weijde naar Carl Ludwig Peil en Gerhard Peil. De kwitantie is ondertekend met nomine Magistratus Gennepensis Const. de Mentrop.

Ordn. 6 Opnamenr. 0587
8 augustus 1699.
Nototie over de meting van bouwlanden tot het Huis Heijen behorend door de gezworen landmeter H. Thomas in totaal 183 morgen en 21 morgen onder Gennep gelegen. De landerijen zijn belastingvrij.

Ordn. 6 Opnamenrs. 0588-0595
8 – 12 aug. 1699
Verklaring van Haret Thomesen, landmeter, van metingen van aangewezen landerijen van de heer van Bulderen en Heijen te weten onder meer de Kerkenkamp, den Hoge Camp, het heylandt, diverse stukken op het Hogh Velt, den Loechthe hoef, achter de Hees, int Legh genaamt de Roodel/Roeijdel schietende op de Weijers poel, den Raeij acker, het Weert, den Maes hoeck, aen de Cuijel op de Lack, de Geer, e.d.

Ordn. 6 Opnamenrs. 0596-0600
12 mei 1717.
Ondervragingsverhoor over de gerechtigkeit van hacken en houwen tüsschen Gennep en Heijen, afgegeven door Peter Ebben, inwoner van Afferden voor de schepenen ende regeerders der Heerlijckheit Heijen. Peter, ongeveer 75 jaar oud zijnde en in de Heerlijckheit Heijen gebooren ende getoogen, heeft circa 50 jaar in Heijen gewoond en is er 18 jaar schepen geweest. Hij is nu gedaagd in de Gerichts Camer te komen en hij geeft een verklaring onder eed. De inwoners van de heerlijkheid Heijen zijn gerechtigd tüssen Gennep en Heijen de Heij vlaggen ofte stroij heij te hacken en te houwen en dat die van Gennep daer toe geen recht en hebben. Daarover zijn eerdere klachten van Heijen aan Gennep gedaan. Werden die van Gennep op overtreding betrapt, dan zijn ze altijd weggevlucht. De verklaring is ondertekend door E.H. Bammelroij, scholtis en Hendrijck Aerts en Willem Wijenberg, secr.

Ordn. 7 Opnamenrs. 0601-0603
17 oktober 1718.
De heer Van Diepenbrouck en zijn gemalin Engelina Elisabeth, vrijvrouwe van Diepenbrouck, geborene Van Vittinghoff genant Schel, Heere ende Vrouw tot Heijen kopen van het echtpaar Rembertus Pasmans en Christina Fegelaers hun onder Heijen gelegen huis, hof en daerbij gehoeriges kemken voor de som van 353 Rijksdaalder à 20 stuivers Kleefs geld en een bedrag voor de armen. Tot het huis horen de deure, vensters, hecken, peertsback, bedsteede ende anders wat nagelvast is. De koopsom in twee termijnen te betalen, vergezeld van een meer gedetailleerde afrekening.

Ordn. 7 Opnamenrs. 0604-0605    (Zie ook 0608-0609)
18 maart 1719.
Betreft een soort petitie, ondertekend door diverse Heijense inwoners met hun eigen handtmerck, waarin gezegd wordt, dat er grooten mangel an bauland is, terwijl er een grooten overvloet van heydeland is. Er wordt volmacht verleend om stukken in cultuur te gaan brengen.

Ordn. 7 Opnamenrs. 0606-0607
1717-1719.      Kostenoverzicht van de heer Van Diepenbrouck, heer te Buldern en Heijen, van de heerlijkheid Heijen contra de stad Gennep om diverse redenen zoals klachten, documenten, schepenbrieven e.d.

Ordn. 7 Opnamenrs. 0608-0609    (Zie ook 0604-0605)
Circa 1718        Mandatum wegens het verlangde afgraven van de heide te Heijen, ondertekend door ingezetenen van Heijen.

Ordn. 7 Opnamenrs. 0610
Blauwe Archiefmapomslag, Landesarchiv NRW, Gesamtarchiv von Romberg, Herrlichkeit Heijen – Nr. V, 9 Band 2

Ordn. 7 Opnamenrs. 0611
Archiefomslag, Landesarchiv NRW, Gesamtarchiv von Romberg, Haus Heijen – Karton Akten, Nr. 5 en Nr. V, 2 Band.

Ordn. 7 Opnamenrs. 0612-0613
5 september 1736        Brief, geschreven te Gaesdonck, ondertekend door de prior F. P. Nabben, waarin gesteld wordt dat aan het Huis Heijen jaarlijks eensdeels op St. Martinus (11 november) een hoen en een thins groot door het klooster betaald wordt vanwege de Hamsen Hoff tot Heijen tot en met het jaar 1726. Vanaf de jaren1727 tot en met 1735 zijn nog bedragen te voldoen, waarover echter al vaker met de pachter Monsieur Reiniers gesproken is en waarover nu discussie gaande is aan wie betaald moet worden. De totale jaarlijkse betaalverplichtingen van de Gaesdonck aan het Kasteel van Heijen gaan gewoon door en bedragen 1 malder garst. 1½ spint rogh en 2 hoenen

Ordn. 7 Opnamenrs. 0614-0615
11 december 1736        Duitstalige brief vanuit Buldern aan de Gaesdonckse prior over de jaarlijkse betalingen over de Hammschen hoef met verwijzing naar Richter Leurs te Heijen en vereffening van vorderingen.

Ordn. 7 Opnamenr. 0616    
Archiefomslag, Landesarchiv NRW, Gesamtarchiv von Romberg, Haus Heijen – Akten, Nr. 9

Ordn. 7 Opnamenr. 0617    
Blauwe Archiefmapomslag, Landesarchiv NRW, Gesamtarchiv von Romberg, Herrlichkeit Heijen – Nr. V, 9 Band 1

Ordn. 7 Opnamenr. 0618
15 maart 1719
Brief , waarin een akkoord tussen de frijherr van Dri(e)sberg, Kessel en Mook met meester Peeter Lusie, woonachtig te Kleef, om een steenoven met een capaciteit van 100.000 te zetten (in Heijen?). Den tieglar sall sorg dragen voor de leem en ook dat er geen sandt tussen de leem word gearbeijt. Het werk zal half april 1719 aanvangen en in de verhouding van drie gebrande tegen eenen bleecke steen leveren. Onpartijdige metselaars zullen de kwaliteit van de stenen beoordelen, keuren en dan voor betaling vrijkgeven. Stookkolen zullen via een schipper aan de steenbakker geleverd worden en kunnen worden afgehaald aan de Wisselse brug. Arbeid en stroo zijn voor rekening van de steenbakker.    

Ordn. 7 Opnamenr. 0619
18 juli 1733        Bekendmaking vanuit Gennep van Gerh. Leurs dat het verboden is om schapen op de gemaaide korenvelden te laten grazen zolang daar nog de gasten met schoven (koren)theinden op het Veldt staan. Op overtreding staat een boete van twee goudgulden!

Ordn. 7 Opnamenrs. 0620-0646
Kleef, 10 juli 1734        Zeer uitvoerig Duitstalig schrijven van de Pruisische regering in Kleef wegens de overvloedige hoeveelheid heidegrond in Heijen, waarbij de rentmeesters van Goch en Gennep de grondkwaliteit gaan bekijken i.v.m. in cultuurbrenging. Ook het aspect dat het vee bij hoogwater op deze heide aangewezen is, moet goed bekeken worden, zodat voldoende heidevelden blijven voor beweiding, plaggenbemesting, voor brandstof e.d.. Er worden aantallen van 530 morgen heideland genoemd, waarmee 177 kleine morgen bouwland van heideplaggen zou kunnen worden voorzien. De Kleefse waldforst Janicke en de Kriegs- & Domaine Cammer worden ingeschakeld, alsook de leenheer van het Boxmeerse leengoed Huis of Kasteel Heijen met alle bijbehorende zaken. Dat is op dat moment de graaf Van den Bergh, als heer van Boxmeer. Er blijken al in de zestiende eeuw illegale ontginningen van heidevelden in Heijen plaats te hebben gevonden.

Ordn. 7 Opnamenrs. 0647-0648    (Opname 0647 ontbreekt)
Archiefmapomslag, Landesarchiv NRW, Rombergsch. Archiv (Dep.), Herrlichkeit Heijen – Nr. V, Nr. 8

Ordn. 7 Opnamenr. 0649
1649    Brieffragment, alleen 1e pagina behouden.
1649
Overeenkomst tussen Johan Gijsbert von Vittinghoff genannt Schele, heer te Heijen en de inwoners/onderdanen van Heijen i.v.m. de verplichte hand- en spandiensten. Zij zouden sedert 1560 alle veertien dagen een dagdienst kostenloos aan het Huis Heijen verschuldigd zijn en deze regel was nadien schijnbaar ingeperkt.

Ordn. 7 Opnamenrs. 0651 - 0652
Wezel, 24 november 1649 + 3 december 1649
Persoonlijke brief van Gisbert Johan von Vitinghoff gnandt Schell zum Scheleberg met daaraan gekoppeld een antwoord van de landvorst Friderich Wilhelm inzake een klacht over de nalatigheid van het verrichten van diensten door onderdanen te Heijen, hun ongehoorzaamheid alsmede plicht tot het nakomen van hun plichten.

Ordn. 7 Opnamenrs. 0653 - 0654
1649
Een door de Heijense onderdaan Dieterich Robben ondertekende brief met klachten aan de Kleefse landvorst over o.a. aan hem en andere dorpsgenoten door de Heijense heer opgelegde einheijmische en ausheijmische diensten, die zij van Gotts undt Rechtswege nit schuldigh sein. Zij hebben daarover ook al bij de schepenen van Gennep een klacht ingediend en bij de scholtis Johan Deusingh. Als drukmiddel had de heer van Heijen namelijk een vette koe van de inwoners in de wei in beslag genomen, als een soort onderpand.

Ordn. 7 Opnamenrs. 0655 - 0656
11 september 1677.
Mededeling van Johan Deusingh, richter der herligkeit und gerichtsbanck Heijen, dat Berthina Elisabeth von Vittinghoff gnt. Schell, gerichtsfrewlein dieser Heerligkeit Heijen de Heijense schepenen in het Heijense gericht samen heeft geroepen en daar herhaalt zij und repetiret dat zij ondanks eerdere protesten van de inwoners al bij haar overleden moeder, toch bij haar oude rechten inzake hand- en spandienst blijven zal und desshalb beij Ihren alten rechten und herkommen verbleibe. Dat alles laat zij in een gerichtlichen schein nogmaals vastleggen op papier.

Ordn. 7 Opnamenrs. 0657 - 0658
Copia wt den leenboeck Boxmer (verstrekt op 22 april 1542).
1401.    *     Beknopte leenopdracht van 1401 up sijnte Andrijs dach, waarbij Henrick Spaenreboeck van Jan, heer tot Boxmeer en Spalbeek die heerlickheit van Heijden te leen ontvangt in hoegen und leege, in diepen und dregen …. und mit einder marcken verhergewadt. Leenmannen: Goessen van Meer, bastert en Willem Reintgens.
1474    *    Idem leenopdracht aan Henrick Spaenreboeck, greeff van heijden door de leenheer Peter van Vertein, ridder, her tot Boxmer, Heesswick und Aesten. Leenmannen: Wijnant van Eijck en Goessen van Meer Bastert.
1497 op st. Jacops aevent des heylihes apoestel    *    Idem leenopdracht aan Henrick Spaenreboeck, Henrickszoon door leenvrouwe Margriet, vrow tot Boxmer und tot Haeps. Leenmannen: Henrick van Meer, schout of schoeltys tot Boxmeer und her Jan Haeck und mer ander goeder mannen van leen.
1540 23 febr.    *    Idem leenopdracht der heerkicheit van Heijden aan Arnt Spaenreboeck, nae doetlicker aeffganck sijns broeders Henrick Spaenreboeck door leenheer Maxijmiliaen van Egmondt, graaf van Buren en Leerdam, heer van Ysselstein und Craenendunck. Mannen van leen: Jann van Kessel und Ffrans van de Borcht.

Ordn. 7 Opnamenr. 0659     (nr. 0660 ontbreekt!)
Archiefmapomslag, Landesarchiv NRW, Abteilung Westfalen
Gesamtarchiv von Romberg. Archiv, Haus Heijen – Akten Nr. 4

Ordn. 7 Opnamenr. 0661
Archiefmapomslag (blauw), Landesarchiv NRW, Abteilung Westfalen
Gesamtarchiv von Romberg. Herrlichkeit Heijen – Akten Nr. V. Nr. 2 B(an)d 1

Ordn. 7 Opnamenrs. 0662-0663
April 1541        Ein kunschoip (een bevestiging) van wege de Jagt van Evert Ducker.
Voor Henrick van den Bongart en Thonis van der Lynden, schepenen der stat Genp, getuigen in een apenen placaithbriff op verzoek van Arnt van Spanrebuyck, eyn heer tot Heien, op aandringen van Evert Duycker van Nijmegen. De vraag is wat hem bekend is uit de tijd van Arnts vader (geheten greeff) Henrick Spanrebuck betreffende de jachtrechten in de heerlijkheid van Heijen met windhonden en garen (het zetten van strikken). Evert verklaart met den selige greeff op deze wijzen gejaagd te hebben en het wyltbrait aan verschillende vrienden geleverd te hebben.

Ordn. 7 Opnamenrs. 0664-0665
4 febr. 1559         
Wettelijke erfkoop van eynen bouhoff, geheiten op gen Loicht myt allen hoylandrz, weylandt, boulant und getymmer, niets uitgezonderd, in het gericht Gennep en Heijen gelegen. Koper is Arnt Spanrebock, heer tho Heijen en verkoper Johan Lesier. Niet tot de overeenkomst hoort een stuk bouwland aan de Muxkens Bergh gelegen en Jaspers Camp. De condities met de termijnen der betaling van de erfpachtpenningen worden geregeld, als ook het bijbehorende vee, die beesten, waarbij o.m. de Boigensche merckt daich een bepalende dag is. Tot een van de genoemde bemiddelaars van deze deal hoort de Heijense (?) pastoor Alardt Michels.
    
Ordn. 7 Opnamenrs. 0666-0667
29 juni 1563        „Wegen der Greinzen zwischen Bleienbeck undt Heijen“.
Getuigenis van de schepenen van Heijen over het illegaal verblijven van schapen van de heer van Afferden in de heerlijkheid Heijen. Daarover is schriftelijk beklag via de schout van Gennep van de Kleefse regering gedaan en de schapen zijn in beslag genomen nabij de plaatsen van den heyngel boum en twee hoevelen oder Berchsken tegen dess heren van Afferden kamp en de brugh by Hommersum, genoempt Brugvort.    

Ordn. 7 Opnamenrs. 0668-0669
18 april 1544    
Op verzoek van Arnt Spanrebock, eyn heer to Heyden, certificeren Arnt van Hasselt, Geryt Lauwerth en de gemene schepenen van Heijen in een open plakaatbrief, dat voor hen verschenen is Johan Hermans die de vraag beantwoordt of hem wat bekend is of de Gennepse rentmeester over hout myt houwen off eykelen beboet is in der alten Heesen. Het blijkt dan dat alleyn die Greeff tot Heiden daarvan gebruik gemaakt heeft myt houwen, brant, tymmerholt und eykelen. Deze heer van Heijen heeft ook dat holt tsamen met de rentmeester doen boissen, tot bossen gebonden und glick gedeilt. Ook getuigt Lysken Stoix, die 74 of 75 jaar oud is en steeds in Heijen woonachtig, en zij verklaart dat haar bekend is, dat Arnt Spanrebock’s voorschreven alde vader en voordien syn vader, na oud gebruik, hout genomen heeft. Ook legt Goirt Dryssen nog een getuigenis daarover af.

Ordn. 7 Opnamenrs. 0670-071
Grens Heijen-Afferden. Op de achterzijde van de akte staat betreffendt die beleidung zwischen Heijen und Afferden gelegn.
30 juni 1563     Boven de akte staat: Copia Verdraghs wegen der grentzen zwischen die von Heijen und Afferden, tot stand gekomen door de scholtis van Gennep en dit op schriftelijk bevel van de Kleefse landsheer aan de drost van Gennep. Verwezen wordt naar de pälinge platz waar schapen van Afferden in beslag zijn genomen. Men komt overeen dat die palinge gehalden solle werden von den Heijngelbom an, up, over und langhs den bergh enzovoorts.

Ordn. 7 Opnamenrs. 0672-074
21 juni 1567
Bericht van Adriaan van den Bijlandt, heer van Well en Bergen en tevens ambtman te Gennep aangaande de weg na der Lancker streckende is vor guith aingesiehen, dat die ingeseten vanHeijden und Peter van Beringe, so achter den hecken so der heer van Heijen vor den wegh gehangen hefft, geerfft und geguit sijn, und ander niemands over den wegh tot irer noottrifft in und uitfaeren, oick oere beesten der over drijven sullen …. und van niemandt frembders …… dan allein van den geerfden vurscr.
    Item van den wegh ain den Ortzbergh, sullen die nabuiren den gemeine feldtwegh darhin streckende, also halden und maicken, dat sij denselingen tot irer gefallen gebruicken kunnen, und sall der heer van Heijen so waell als ein ander sijn erff ain der gemeindten gelegen mogen afwerckrn und frijen und so van den Molenwegh vor oder achter ghein uthweinsingh is, worhin sich derselbige streckende doet, sall also wie derselbige  itzunder bij den hern van Heijen befunden, verbliven.
    Aingainde dat plecksken genoimpt die Pessen und so dar datselinge langh vor die gebrecken, soe der heer van Heijen gehad heeft worden gehouden tot profijt van de heer van Heijen.
    Aingainde den willigen, die heer van Heijen langes den Meer heeft gepoot, deze horen de heer van Heijen als medeheer toe.

Ordn. 7 Opnamenr. 0675
25 maart 1589
Jan Verhaegh en Jan Brouwer schepenen en de gemene schepenen der vrij heerlijkheid Boxmeer getuigen, dat wij hen in eigen persoon Vrouwe Maria, geboren gravin zu Nassau Catzennelleboge, gravin zu den Bergh, frij vrouwe zu Boxmeer en Bylant etc. onze regerende vrouwe verschenen is. Zij verklaart dat zij gerechtelijk Peter Boll van Heyden in de Boxmeerse schepenbank heeft laten komen om een verklaring af te geven over bepaalde visserijrechten. Peter was ongeveer 70 jaar oud. Hij verklaart onder eed dat het waarachtig is
a)    dat die greeff van Heyen voor desen gewest, genaempt Arent van Spannerbroock die visscherije wes aen der Beeck tho, niet bekroent heeft, dus ongestraft daar mocht vissen. Ook de huidige heer laat dit ongemoeid toe, alleen dat hij niet hebben en wol dat die van Meehr, de inwoners van Boxmeer, vischten binnens weerts, als het water groot is, dus als er hoogwater is.
Ten tweede zegt hij dat Pouwel Drubbel en Ott Crouwers zaliger altijd in dat water gevist hebben boven die Beeck en bij zijn weten niet door die van Gennep of van Heijen.

Ordn. 7 Opnamenrs. 0676 -0678 (opname 0676 ontbreekt!)
19 october 1647    Overzicht in inkomsten, die gedeeld worden van Adolpho Veltum als tijelijcken Custer tot Heijen:
Jan Ross                    onbekent

Henrijck Custers                onbekent
Peterken Eeren                onbekent
Ties Ebben            modo Sijn Genaede Freij Heer van Diepenbrouck tegen woor bewoont door Meus van Elsen
Jacob Havens of Gerit Smits             ignorata
Derijck Scheef            modo Jacob ter Vooren
Dat huijs aen de Meer            modo Sijn Gen. Freij H van Diepoenbrouck, bewoond door Gijsbert Geurts
Wijlijcken Hoff            modo sijn Genaede Freij H van Diepenbrouck, bewoont door Jacob Jansen
Des Heeren Hof of Pan=huijs        pertinet ad Generosum Dominum, maer leedich ende sonder woninge
Derijck Daemen of den Bouman        pertinet ad Generosum Dominum, maer geen wooninge
Jan Tijp            onbekent
Lisken Heeks            modo Laurents van Swaenenberch
Jan Hopman            onbekent
Theunis van Cloot, knooeden genant        modo Jan Gerrits alias de Suckerberg
Denis ofte Metjes Scheefen            modo Anneken Robben, deese erf is gelegen aen de Smeelen, maar sonder woninge.
Nelis Smits            onbekent
Jan Bois Linsen            modo Henderijck Bossen
Jan Viermans            onbekent
Ties Drissen        modo Henderijck Verhasselt bewoont van Claes Tissen
Derijck Linsen            onbekent
Derick Samans            onbekent
Henrijck Lauwers            onbekent
Willems Stocks            modo Peterken Ebben sonder huijsinge
Op den nieen Hoff in de Heij 2 huijsen    modo het eene Huijs het Clooster S. Agata. Het ander de Erfgenaeme van Hans Tegelaer
In de Lanckeren op de Maes        modo de Heer van Remmen maer geen behuijsinge.
De opstelling is op 10 september 1716 op verzoek van pastoor Bartholomeus Heckermans gemaakt i.v.m. de nieuwe koster Johannes Linsen.


Karton 23, subbestanddeel Herrlichkeit Heyen, Akten V, 12 A

Ordn. 1 Opname. 0010
Ao.: 3 mei 1522         Akte van Elisabeth Spannerbock, weduwe van Eickel, vrouwe van Heijen, en de schepenen met de gemeenschappelijke naburen van Heijen, over de kosterij die onder bepaalde voorwaarden aan Ruth van Veltum gegeven wordt. De overeenkomst is mede ondertekend door de Heijense pastoor Alard Michiels.

Ordn. 1  Opnamenr. 0011-0012
Ao.: 20 november 1577     Pachtakte afgegeven door Galand van Meverden, vrouwe van Heijen en tevens weduwe van Arnt Spannerbock, met inspraak van haar twee dochters, voor het gebruik van een weiland aan de Maas, die Wittestein geheten. Dit weidegebied is eerst voor de som van 70 dalers gepacht geweest door Henrick Spaenrebock, custer tot Heyen en Johan Michiels.

Ordn. 1  Opnamenr. 0013-0015
Ao.: 22 maart 1635         Regeling van Peter Vermasen, Arndt Verhasselt en andere schepenen van Heijen over een overeenkomst met de Heijense pastoor Marcellis Busselius (uit Asten) en de Heijense kerkmeesters Wilhelm Lamberts en Hanrick Haess over de Heijnse schoolmeester en koster Adolph Rutgeri Veltum en zijn inkomen. Het schooltje is een getimmerde schoel op den Kerckhoff van Heijen.

Ordn. 1  Opnamenr. 0016-0020
Ao.: 1628-1663         Extract uit Aerdt ten Haeff’s aantekeningen over de tijd dat hij koster in Heijen was, voornamelijk inkomsten en uitgaven. O.a. wordt genoemd Jan Bantz, den dooven pauper.

Ordn. 1  Opnamenr. 0021-0022
Ao.: 15 april 1659         De Heijense pastoor Cornelius Vermeulen en de schepenen en naburen van Heijen hebben tot nieuwe schoolmeester aangenomen Arnold then Haeff, met opgaven van zijn verplichtingen en zijn inkomsten, jaarlijks twaelff Ryxdalers, via de Vrouwe van Heijen. Mocht de Vrouwe nalatig blijven, dat zullen de schepenen voor uitbetaling zorgdragen. Ook mag hij de pachtpenningen genieten van een stuk land naast den Papelier.

Ordn. 1  Opnamenr. 0023-0033
Ao.:  Cleve, 14 febr. 1664        Moeilijkheden en ernstige klachten van Heijen over het functioneren van hun custer en schooldiener Arndten ten Haeff. De klacht is mede ondertekend  geweest door de procurator van de Gaesdonck. Zelf noemt hij zich onderdanigen ende gehoersamen dienaer Arndt ten Haeff.

Ordn. 1  Opnamenr. 0034-0039
Ao.:  1664            Weigering van inkomen aan de Heijense schoolmeester voor zijn onderwijs- en kosterwerk (klokluiden, begrafenissen, e.d.) met een verzoek van Arn ten Haeff om hulp en beliefft mij in alles behulplick te wesen om de lieffde Godts, mijn officie in staet te stellen, dat ick mach ongehindert de renten, bijvallen en vrijnheijt, nae behooren, genieten. De verzoekbrief wordt gericht aan Jan van Lottum ende sommige inwoonders der Vrijheerlickheijt Heyen.
Bijgevoegd is onder meer een korte verklaring van 13 jan. 1664 van Chirurgijn Cornelis van der Poel, dat Aerdt te Haeff, custer tot Heyen, door iemand gestoken is en een flinke wond heeft in de hand.

Ordn. 1  Opnamenr. 0040-0041
Ao.:  9 mei 1670     Uit de brief blijkt de heer van Blienbeek/Afferden de collatie of het benoemingsrecht van de Heijense kosterij te bezitten. Blienbeek wil nu een andere koster op de post in Heijen aanstellen, zeer tegen de wil van de Vrouwe van Heijen. Zij en de inwoners van Heijen zijn tevreden met de huidige persoon: Jacob Custer van den Hoeft, die nog voor 6 jaar in functie blijft. Cornelis van Aerssen en vijf schepenen Derck Ebben, Jan Hendrickx, L(?)ens Bossen, Alart Peters en Willem Hendrickx en nog een 20-tal inwoners ondertekenen de begeleidende brief, waarvan er negen niet schrijven kunnen en slechts een symbool tekenen.

Ordn. 1  Opnamenr. 0042-0044
Ao.:  3 mei 1582 (?)         Uit de brief Elis. Van Spanrebock, weduwe van Eijckel, Vrouwe van Heijen blijkt Rut van Veltum, met toestemming van Alard Michels, pastor, de Custerij sijnen leven lanck ehrbarlich und dienstbaerlich sall bedienen, ook zal hij er de bediening van de school verzorgen, dus onderwijzer zijn. De kinderen zal hij in goeder disciplinen und Gades vrucht underhalden.
Ingevoegd is een brief van de schepenen en de raad van de stad Gennep van 15 juni 1685 waarin ter instantie van fraulein Berthina Elisabeth van Vittinghoff gnt. Schell, gerichtsfraulein der herlicheit Heijen, Arnoldus then Haeff als koster van de parochiaal kerk te Gennep (!) voor hen komt, aldus een notitie van de stadssecretaris Const. De Mentrop van 27 sept. 1696.

Ordn. 1 Opname. 0045
Ao.:  ca. 1705 ???        Brief gericht aan de plaatselijke richter van Heijen inzake de bedieninge van de Custerie en schoole tot Heijen ten tijde van de frij Heere van Bolderen (=Buldern). Jaarlijks op Pasen en Kerstmis genoot de koster/schoolmeester van Heijen een tien pont broot (uit ieder huisstede), zoals alle Custers so to Otersum, Hommersum, Kessel, Mook dat ontvingen. De brief is ondertekend door Johan Lensens, Custos in Heijen.

Ordn. 1  Opnamenr. 0046-0047
Ao.: rond 1700        Staat van korenpacht, die als jaarlijkse rente aan de Custerie tot Heijden uitgekeerd wordt met vermelding van de fam. Scheif(fen), de Hoppenkamp, een weiland geheten Custers hoef neffens den Leijgraeff, den Sparenbroek, in den Masenhoek en boulant genant het Cromlant. Deze landerijen blijken van alder tot alder tijns ende schattingvrij gehalden.

Ordn. 1 Opname. 0048
Ao.:  rond 1700        Gedetailleerd overzicht van de renten, allemaal roggepachten t.b.v. de schoole tot Heijden, welcke op den Kerckhof ut der kerken middelen gebouwt ende getimmert is.

Ordn. 1 Opname. 0049
Ao.:  Gennep, 19 september 1705    Kort bericht van de gewesen Custer in Heijen, Arnoldus ten Haeff aangaande de tegenwoordige koster Johan Lijnsens over het zogeheten Paesbroot en het Kersbroot, dat in de jaren van 1658 tot 1665 door Arnoldus werd ontvangen.

Ordn. 1  Opnamenr. 0050-0053
Ao.:1658-1664        Uittreksel uit Aert ten Haeff syn aentekeninge voor den tijt als hij Custer tot Heyden is geweest. Per huisgezin wordt de ontvangst van het Paas- en Kerstbrood opgegeven.

Ordn. 1 Opname. 0054
Ao.:  rond 1705        Drie verklaringen van Jan Maes, koster te Kessel; van Hendrik van Neer, koster te Hommersum en van Johannes Jurgens, koster te Afferden, dat zij jaarlijks uit ieder huis , al waer rook op gaet een 15 pont broot ontvangen.

Ordn. 1 Opname. 0055
Ao.: 1 mei 1706        Enige quaet willigen tot Heijen, met naam genoemd, die weigeren het Paas- en Kerstbrood jaarlijks aan de Heijense koster en schoolbediender der Heerlycheijt Heyen Johan Lensen (elders in de akte Linsen geschreven) te voldoen.

Ordn. 1  Opnamenr. 0056-0061
Ao.: 3 aug. 1734        Groot Consistorium, gehouden in Gennep i.v.m. het beroepen van eenen nieuwen Latijnsen Rector en organist. Het beroep geschiedt gewoonlijk in de kerk, maar dit maal op het Raadhuijs, wanneer de Magistraat ook consenteert. De vorige organist was Bollenberg. Getekend door Theod. Erpers, prediger.
Met een brief van 15 november 1741.

Ordn. 1  Opnamenr. 0062-0063
Ao.: 11 dec. 1746        Via een schepenbrief van Heijen keurt de heer van Diepenbrock, vrijheer van Buldern en Heijen, goed dat de vacante post van koster en schoolmeester in Heijen wordt ingevuld door Arnoldus Ebben, de zoon van Derck, inwoonder alhier en van ouders tot ouders hier uijt Heijen gesprooten, onder conditie dat sich op toecomende Sancti Johannis in den somer (24 juni) daer toe bequaem sal hebben te maecken. Hij zou niet oudt genoegh zijn (17 jaar).

Ordn. 1  Opnamenr. 0064-0066
Ao.: 4 juli 1747        Over de collatie van Custerie en schoolmeesterie te Heijen ten tijde van de Heijense pastoor Barth. Heckermans i.v.m. de incapaciteit van Arnoldus Ebben.

Ordn. 1  Opnamenr. 0067-0070
Om november 1695        Extract uit een register over de kosterij van Heijen, geschreven door Emericus Krift, eertijds pastoor in Heijen en daarna geworden pastoor in Gennep (gestorven in 1695), betreffende o.m. de koreninkomsten aan rogge per gezin.

Ordn. 1 Opname. 0071
Karton 20, subbestanddeel Herrlichkeit Heyen, Akten V, 11 A 3

Ordn. 1  Opnamenr. 0073-0076
Ao.: rond 1656        Overzicht van 4 lijsten inzake Armen Einkompsten zu Heijen, Einkompsten in Gelde.

Ordn. 1  Opnamenr. 0077-0078
Ao.: 1665-1667        Rekening van de behuijsingh Heiden (kasteel Heijen) betreffende ijzerwerk zoals nagels, ankers, vensterhaken, putemmers, nachtslot, putkettingen, deurschaaf, e.d.

Ordn. 1  Opnamenr. 0079-0092
Ao.: 1664-1666        Schuldenboek van het Huis Heijen vanwege geleend geld o.a. uit Beugen, Venray/klooster Jerusalem, Hassum, gasthuis Gennep, Goch, Klooster Marienbaum, vicarie St. Nicolaas-Heijen, e.d.

Ordn. 1  Opnamenr. 0093-0096
Ao.: 1664-1665        Rekening van ijzerwerk- en timmerkosten gemaakt ten behoeve van het Kasteel Heijen (trap, zolder, koetsschuur, den bock voor het kasteel om het ijs te breken, verbouw gevangenis, een catrali (katrol),  grote grendels e.d.

Ordn. 1  Opnamenr. 0097-0100
Ao.: 1665            Kerk- en armmeesters van Heijen aangaande het in een herberg verpachten van bouwland, het zogeheten Armen landt e.d. tegen speciale voorwaarden en brandende kaars. Het land is o.m. bij de Leemskuijlen gelegen.

Ordn. 1  Opnamenr. 0101-0102
Karton 19, subbestanddeel Herrlichkeit Heyen, Akten V, 11 A 3, Band 2,2

Ordn. 1  Opnamenr. 0103-0106
Ao.: 1640-1650        Rekening van meester-smid Hermen Jegerlingh inzake allerlei reparatie- en nieuwbouwwerkzaamheden, voornamelijk ijzerwerk, ten behoeve van t Huijs ten Heyden (kasteel Heijen). Het betreft het maken van mestrieken, deurklinken, deuren, sleutels, winkelhaken, kettingen, sloten, nagels, het bouwen van WC’s secreten geheten, brandroeden, enzovoorts ten tijde van kasteelbewoner Gisbert Johan von Vittinghoff genant Schell.

Ordn. 1  Opnamenr. 0107-0116
April 1648-1650        Pachtlijst van de Verwalter des Hauses Heijen met de grootte vermeldingen van de verschillende landerijen onder Heijen, met hun specifieke veldnaam genoemd, zoals der grosse Schmalert, der kleiner Schmalert, der Houck, das Treckgras, Lanckersche Wehrt, Grosse hogewij, Düstercampgens, zweij Kämpe der Locht, grosser Wittenstein, kleiner Wittenstein, Nierspoel, der Kornacker, Elsen Camp, Hoge Pollacker, Lege Pollacker, Newercamp, Pölleken, Bögensche werth, Papenlier, Schmale Kämpgen, Kuhcamp, Die Steil, Gysenbush en Hünshert.

Ordn. 1  Opnamenr. 0117-0118
Rombergsch. Archiv [Depositum], Karton 28, subbestanddeel Herrlichkeit Heyen,
Akten VI. Nr. 11

Ordn. 1  Opnamenr. 0119-0123
4 mei 1556        Kopie van een breedvoerige erfdelingsoorkonde (erffscheit) tussen Aleff van Meverden te Hassent enerzijds en Arnt Spanrebuck, heer te Heijen, en zijn vrouw Galanth van Meverden en Goert van Meverden als gekoren momber juffer Arntz van Meverden anderzijds, eliche broeder ende susteren. De deling geschiedt na guutliche under handlunge der verwanten und frunden und maegen, zogenoemde arbiters. De partijen moeten zich strikt aan de verdelingsafspraken houden, anders geldt een boete van duesent golden alde schylde (muntsoort). Als arbiters worden genoemd Aleff van Meverden te Smithuisen koeckenmeister, Henrick van Diepenbroick ther Empell, Ruetger van Randwyck en Derick van der Kollick. Het betreft vooral verdeling van geldsommen en enige goederen uit het sterfhuis tussen de verwanten, zijnde vaederlich und moederlich erven.

Ordn. 1  Opnamenr. 0124-0127
9 maart 1558        Overeenkomst en vergelijk i.v.m. een klacht over een betalingsgeschil, mede ondertekend is door de hoofdpersonen Aleff van Meverden tho Hassent en Arnt Spanrebock heer te Heijen. Tussenkomst is verleend door leenheer Wilhelm, graaf van Bergh, heer van Boxmeer. Andere bemiddelaars zijn: Henrick van den Hoevelwick, Thomas van Bellinghaeven haiffmeister, Sander Tellich(t) en Arndt Visscher, richter t Westerfoirdt. Hierdoor moet onder meer voornoemde Aleff, in de akte genoemd Adolff van Mevordt, onmiddellijk aan zijn zwager, de heer van Heijen, 500 goudgulden uitbetalen.

Ordn. 1  Opnamenr. 0128-0131
Rombergsch. Archiv [Depositum], Karton 28, subbestanddeel Herrlichkeit Heyen,
Akten VI. Nr. 10

Stamtafeloverzicht van 16 voorvaderen, uit vermoedelijk de 16e eeuw, van enkele families van Mutter seite und Vatter seite waaruit geen directe relatie met Heijen te zien is. Als hoofdpersoon is genoemd: Johan van Ledebur Erbherr zur Obermühlenburg und Langenbrouck.

Ordn. 1 Opname. 0132
Rombergsch. Archiv [Depositum], Karton 28, subbestanddeel Herrlichkeit Heyen, Akten VI. Nr. 9.

Ordn. 1  Opnamenr. 0133-0135
24 augustus 1593        Verklaring, getekend door Alther Knippinck, heer van Heijen, waarin hij bekend schuldig te zijn aan Conrad Knippinck, commandeur van Heilbronn, zijn lieve broer, en al diens erven een som van 1900 gulden Brabants.

Ordn. 1  Opnamenr. 0136-0137
10 december 1660        Brief over wijlen Alter Knippinck en zijn vrouw Elisabeth Spannerbock, heer en vrouw van Heijen, die aan wijlen het echtpaar Lambert van Till en zijn vrouw Frans Spannerbock die bij hun huwelijk in 1583 bij huwelijkse voorwaarden afstand gedaan hebben van de vaderlijcke ende moederlijcke erftenisse en de voorschreven grootmoeder Frans Spannerbock kindsgedeelte aen de heerlijckheijt Heijen ende de goederen aldaer, 4.000 daelers. Ook de tegenwoordige vrouwe van Heijen (en Schellenbergh), douveagiere van Vittinghoff genempt Schell, geborene van Bonen wordt als erfgename genoemd vanwege rechten op eenigsints op het huys ende heerlijckheijt Heijden ende derselve toebehoorlijckheden ende aldaer gelegene haere goederen van onze voorouders ….. naer leenrechten ende van bloetswege ons competeren. De brief is voor akkoord ondertekend door Joost van Till van meij ende mijn met eerve.

Ordn. 1  Opnamenr. 0138-0141
4 mei 1611            Doorgehaalde verdragsdocument van 4 mei 1611. Hierin staat dat joffer Elisabeth Spanrebock eerst op 1 januari 1578 met Hendrik van Eijckel gehuwd was en daarna in 1582 met Alter Knipping, beide keren als vrouwe en heer van Heijen. Verder wordt gezegd dat haar jongste zuster Frans afstand gedaan heeft van de vaderlijke en moederlijke erfenis. Voorst worden landerijen genoemd onder Heijen: den grote en kleinen Smalert mit die Dusters kempkens und Pulmanskamp, vervolgens een weiland achter Beringers Ossenkamp mit noch die helfte van twintig malder so rogh als garst erfrente tot Beck (Vierlingsbeek) und Loen (Overloon), dar van d’ander helfte Joh. Wilhem van Till voorschreven tobehoert.
Tot getuige treden op: Wilhem van Steinhuys tot Opplo, Helmich van Schewick to Driesberge, Liffort van Beringen en Arnolt van Randwijk.

Ordn. 1  Opnamenr. 0142-0147
4 mei 1611            Min of meer woordelijke herhaling van voorgaand document inzake erfenisaangelegenheden met een verplichting of obligation aan Tillen (= van Till).

Ordn. 1 Opname. 0148
1 juli 1611            Verklaring uit de Kleefse Rekenkamer over een pachtaangelegenheid op verzoek van Alter Knippinck te Heijen en Henrichen van Meverden, ondertekend door Wessel van Löhe, heer te Wissen, namens de vorst van Brandenburg, Pfalz en Neuburg van de Kleefse raad.

Ordn. 1  Opnamenr. 0149-0151
2 – 7 juni  1613        Verdrag van Alter Knippinck, heer van Heijen en ambtman in de Liemers. Betrokken hierbij zijn een houtgewas, die Heese genandt, het viswater onder en boven Heijen in de Maas in dem Amptte Gennep und Herrlichkeitt Heijen gelegen, waartoe hij tot de helft gerechtigd is.

Ordn. 1  Opnamenr. 0152-0153
Rond 1613 ???        Rechtsaangelegenheid tussen Alther Knippinck en Josine Soentgens inzake Genneperloo.

Ordn. 1  Opnamenr. 0154-0157
1 Mei 1615            Concept Obligatieverdrag van Alther Knippinck, heer te Heijen en drost te Emmerick, in de Liemers en Zevenaar, Kriegs Commissarius, gehuwd met Elisabeth Spannerboeks. Er is namelijk een grote brand in kasteel Heijen geweest en daarom zijn omvangrijke herstelwerkzaamheden nodig en een obligatielening van 1900 gulden Brabants.

Ordn. 1  Opnamenr. 0158-0163
22 augustus 1618        Memorial wegens des Vatters Hern zu Heijen sache …. te weten een schuldvordering tussen Alther Knippinck, heer te Heijen, en Josina Soitgens en haar kinderen.

Ordn. 1 Opname. 0164
Rombergsch. Archiv [Depositum], subbestanddeel Herrlichkeit Heyen,
Akten VI. Nr. 4.
    
Ordn. 1  Opnamenr. 0165-0171
5 augustus 1648        Originale huwelijksakte tussen Peteren Diethrichen van Eickell, Herre zu dem Ham, van wijlen Dietherichen van Eickell zu dem Ham, keurvorstelijk Brandenburgse raad tevens waltgraven zu Nirgennai (Nergenna), drost te Goch en de edele vrouwe Margreten van Aldenbockum, echtelieden, wettige zoon enerzijds en jonkvrouwe Hertzlieb von Boenen van wijlen Georgen van Boenen zu Overfelde, Here zu Heijen und Galandt gebohren Knippinck, echtelieden, nagelaten wettige dochter anderzijds. Ingebracht worden o.a. het adellijk huis Hamm met bijbehorende goederen, inventaris en 4.000 rijksdaler. De akte wordt eigenhandig ondertekend door Peter Derick van Eijckel, Her zu den Ham en Hertzlieb von Boenen en voorzien van lakzegels.

Ordn. 1  Opnamenr. 0172-0173
Rombergsch. Archiv [Depositum], subbestanddeel Haus Heyen, Akten, Karton 27
Akten VI. Nr. 3, Band 2

Ordn. 1  Opnamenr. 0174-0175
Rombergsch. Archiv [Depositum], subbestanddeel Herrlichkeit Heyen, Akten, Karton 24
Akten V. Nr. 14

Ordn. 1  Opnamenr. 0176-0179
5 maart 1622            Onderdanig schrijven inhoudende een verzoek aan het keurvorstelijke Commissariath (te Kleef?) van Alter Knippinck zu Heijen, ambtman in de Liemers o.a. over betalingen aus meinen Beutel en der werdinnen im Engell zur Cleve en over beschutting en beveiliging. Genoemd worden onder meer Pässe, Landtwehren, Schlagbaume, alsook Tractement en kosten. De Duitstalige akte bevat diverse Latijnse begrippen. Bijgevoegd is een betalingskwitantie van 18 mei 1622, getekend door Adam, graaf te Schwartzenbergh.

Ordn. 1  Opnamenr. 0180-0183
5 maart 1622            Kopie-brief en verzoek van Alter Knippinck aan de keurvorstelijke Kleefse en Markse raad, waarin gesteld wordt dat er goed toezicht moet zijn op de in Kleef gelegerde soldaten vanwege de oorlog (80 jarige oorlog woedt) mede vanwege het feit dat deze soldaten geen of nauwelijks soldij ontvangen en de militaire bezetting in het Genneperhuis.

Ordn. 1  Opnamenr. 0184-0187
27 april 1744            Kopie-brief d.d. 16 april 1744 van de Kleefse Kriegskammer inzake een Cabinets-ordre vanuit het Pruisische Charlottenburg over regimenten o.a. naar generaal en gouverneur van Dossen(?) in Wezel. De brief is gericht aan de richter te Kranenburg en ondertekend namens koning Friedrich door de heren Geelhaas, B. Rappard en Siedler.

Ordn. 1  Opnamenr. 0188-0190
Januari 1610 (?)        Brief, (als concept?) opgesteld door Helmich van Schewick ten behoeve van en namens Alter Knippinck, heer te Heijen (aan de regering in Kleef??), waarin Aleander Pasqualin, sluijter zu Üdem en een Geographum von Calckar Johan van der Weij genoemd worden, laatstgenoemde heeft einen abrijss dieser sijedtz Rhyns getekend. Ook is sprake van de monstering van soldaten (in 1609) onder onderdanen, waaruit die bequemtste und wehrhafftichste im Auszugh genomen und uber Ihnen oich zum theill Capiteinen und Officiren gestalt. Dit alles is gebeurd onder groot gevaar voor zijn huisgezin en de woning in kasteel Heijen. Zijn traktement hoopt hij dat daarop aangepast wordt.

Ordn. 1 Opname. 0191
Rombergsch. Archiv [Depositum], subbestanddeel Herrlichkeit Heyen, Akten, Karton 24
Akten V. Nr. 13
    
Ordn. 1  Opnamenr. 0192-0195
14 juli 1648            Ordonnantie schutterij St. Dionysius te Heijen.
Noot: Deze regeling heb ik (Rien van den Brand), tezamen met pastoor Theo Driessen gepubliceerd. Zie: Th.W.J. Driessen & M.P.J. van den Brand "Een reglement voor het St. Dionysius-gilde te Heyen" in 'De Maasgouw' 1971, kolom 123-128.

Ordn. 1  Opnamenr. 0196-0200
2 december 1717        Verslag van een bespreking te Heijen van de plaatselijke gildebruderschaft over de aanstelling van een kapitein en luitenant en vervolgens mit der compagnie aufzuziehen, zonder daarvoor permissie te vragen aan de Heer van Heijen. Bij de ondervraging zijn betrokken: Lambertus Groenewald, Jellis  Kuper en Derck Ebben. Er wordt beweerd dat daarvoor eerst om toestemming van de Heer verzocht moet worden. Er wordt een ton bier voor verwed, dat de Heer van Heijen daarin geen inspraak heeft.

Ordn. 1 Opname. 0201
Rombergsch. Archiv [Depositum], subbestanddeel Herrlichkeit Heyen, Akten, Karton 24
Akten V. Nr. 12 B

Ordn. 1  Opnamenr. 0202-0205
1546        Registrum Pastoratus in Heijen – Copia  der pastorijen Renten tot Heijen aengetekent van Heer Alardt Michiels van der Horst,den welcken in ’t jaer 1546 op Nativitatie S. Joannis Baptisten avondt als Pastoor tot Heijen sijnen intreed heeft gedaen, gepraesenriert van den Heer tot Afferden, Derick vander Lip genandt Hoen, etc. met detailgegevens over zijn oude, novale en smaltienden, zijn bouw- en weilandstukken, inkomsten aan gerst, kapoenen (=gesneden hanen), spek, bier, een vette hamel, het houden van een beer voir die vercken. De pastoor moet jaarlijks een tiendmaaltijd in Heijen geven.

Ordn. 1 Opname. 0206
6 September 1645            Kopie van een Latijnse brief van Gisbertus Johannes de Vittinghoff condictie (genannt) Schell, heer in Heijen, in verband met de vicarie van Sint Nicolaas in de parochiekerk van Heijen.

Ordn. 1  Opnamenr. 0207-0209
26 september 1645            Vermelding van Henricus Onna, tijdelijk vicaris van het St. Nicolai-altaar in de kerk van Heijen, als Schulmeister voor de jeugd, met aangifte van een jaarlijks inkomen tot zijn onderhoud.

Ordn. 1  Opnamenr. 0210-0212
5 september 1645            Patent wegen der frühpredig zu Heijen de Anno 1645 den 5e September, vastgelegd in een officiële brief van Gisbert Johan von Vittinghoff genannt Schell, heer zu Heijden aan de pastoor van Heijen. Deze zal weer horen te gaan zorgen voor een ordentliche Sontags frühepredig ter ere God en tot heil van de gemeinte seelen heijl und seeligkeit. Door de voortdurende zware oorlogen (80 jarige oorlog tot 1648) was die Zondagse preek vaak niet mogelijk geweest. De daartoe bekwame en tegenwoordige Heijense pastoor Henricus Emricus Kriffs heeft hier voor te zorgen. Als tegenprestatie zal deze van het kasteel Heijen (vanwege de collatie door de heer van Heijen) jaarlijks daarvoor 42 gulden Kleefs ontvangen.

Ordn. 1  Opnamenr. 0213-0216
24 juni 1647 EN 2 juni 1648        Brief vanwege het vacant worden van de bezetting met een pastoor in Heijen. Daar de collatie voor de Heijense pastoor steeds in Afferden berust, is Jan van Gelre, als tijdelijk Heer van Blienbeck benaderd. Buiten de benoeming van een nieuwe pastoor is ook de door de oorlog erg bouwvallig geworden pastorie of weym van Heijen onderwerp van grote aandacht, waarbij gerekend wordt op de aanvoer van bouwmaterialen van de parochianen.

Ordn. 1  Opnamenr. 0217-0220
1658 – 1664        Extract uit de aantekeningen voor de tijd dat Aert ten Haeff Custer tot Heijen is geweest e. De 4-pagina’s tellende lijst bevat de inkomsten van de Heijense met naam genoemde inwoners aan de koster. Het geeft de jaarlijkse ontvangsten weer in verkregen ponden brood rond de Kerst- en Paastijd als vergoeding voor zijn werk.

Ordn. 1  Opnamenr. 0221-0226
1666 – 1667 met eindnotitie van 31 juli 1674        Gespecificeerd kostenoverzicht van t geene ick Alardt Peters ten tijde als ick kerckmeister geweest ben in de jaren 1666 en 1667 aen de kercke tot Heijen met Perdt en karr verdient, die Arbeiders in kost ende dranck verpleegt en voor en na voorgeschoten heb.
Zo worden ook vrachtkosten genoemd voor via de Maas aangevoerde kalk en 2.000 leien, verder leem en 12 karren zand om het priesterkoor te hogen en van een vloer te voorzien, Gennepse timmerlieden werkzaam aan de Heijense kerk en toren o.m. met schragen, kettingen, touwrepen, metselen. Reisgeld wordt uitgegeven voor de bankdelen vant hoege altaer worden in Boxmeer gehaald en het veergeld wordt betaald, en 100 aan de arbeiders uitgedeelde kannen bier, enzovoorts.

Ordn. 1  Opnamenr. 0227-0233
1666 – 1667        Gespecificeerde kosten of Rechenungh Alardten Peters cum Adjuncto Henrich Hanssen als kirchmeisteren der Jahren 1666 undt 1667. Als jaarlijkse kerkinkomsten, tegen Martini te ontvangen (11 november), worden vermeld: geldrenten, gerst, rogge, erfpachten, verpacht wei- en bouwland,
Uitgaven zijn aan olie, ruebzaad, wijn, het kerkuurwerk, kerkelijke ornamenten, e.d.

Ordn. 1  Opnamenr. 0234-0237
1667 - 1669        3-Jarige pacht- en conditiebrief van den kerckenweykamp genaemt den kalckhof ende het kercken drijsken liggende neven den Papenpas onder Heijen, tot gebruik van weiden en hooien,  met noch het Kercken Bouwlant. Bij de pachtverlening moeten adequate borgen worden gesteld. De pachter moet elk jaar drie willigen poten ten behoeve van de kerk of een betaling aan de verpachter doen. Bij de verpachting is ook de koster Jacobus Custer aanwezig.

Ordn. 1 Opname. 0238
1694        Inkomstenpagina van renthen der custerie in Heyen. Op bepaalde Heijense families rust een plicht, vanwege het verstrekken van een soort hypotheek op hun huis of als pachtsom voor land of vanwege een gefundeerd jaargetijde voor een overledene, van het jaarlijks leveren aan de koster van b.v. een halve malder gerst, 2 vatten rogge, een aantal broden, e.d.

Ordn. 1 Opname. 0239
28 sept. 1720        Kwitantie getekend te Heijen door de vicarius (dienstdoende pastoor) Johannis Verhorst van de vicarie S. Nicolai (zij-altaar van Sint Nicolaas) en officii matutinalis (versperdienst?). Hij is door de vrijheer van Diepenbrouck, heer tot Bolderen (=Bulderen/Westf.) en Heijen, benoemd en de op 24 juni 1720 vervallen inkomsten van 86 Rixdaler Clees geldt zijn hem betaald.

Ordn. 1  Opnamenr. 0240-0243
25 april 1725        Theodoor van Erpers van de gereformeerde gemeente schrijft vanuit Gennep een brief aan vermoedelijk de Heer van Heijen. Het handelt over te Heijen gekochte stenen, waarbij hij meent dat burgemeester Van der Linden te Nijmegen betrokken is. De stenen zijn volgens een aantekening van secretaris Mentrop op basis van gegevens van wijlen hr. Scholtis (schout) voor de burgermeester gekocht en de rekening staat nog onbetaald open. Verdere mededelingen betreffen een ernstig zieke, waarvan de briefschrijver hoopt dat hij opgenomen mag worden in dat eeuwige en heerlicke huijs daerboven in de hemelen.

Ordn. 1  Opnamenr. 0244-0246
31 december 1735        De onderdanige dienaar en pastor Theodoor van Erpers benadert de Heer van Heijen, die op zijn ander kasteel in Buldern verblijft, in verband met een twist over een verkiezing in het Gennepse raadhuis waarbij de Gennepse kerkenraad betrokken is. De schrijver hoopt dat in het nieuwe iaar voortaan in onderlinge liefde, vreede en eenigheid gewerkt kan gaan worden en dat deze wens aan de Gennepse burgemeester kan worden doorgemeld.

Ordn. 1  Opnamenr. 0247-0248
Gesamtarchiv von Romberg – Akten Nr. 7947 – betreft gegevens over de Heijense vicarie.
1338    perkament Latijnse oorkonde van Walram
25 juli 1338    Oorkonde, waarin een bevestiging van Walram vanuit het Keulse bisdom van het stichten van een altaar in de kerk van Heijen door vrouwe Heyll van den Huyfgheweer tot ziels zaligheid van haar zelf en oere alders en wel de vicarie van de H. Maagd en synter Clays in het kerspel Heijen.
Datum anno Domini M CCC tricesimo octavo in die beate Margarete virginis.
Opmerking: Elders bij de oorkonden in het privé archief van de familie Von Romberg bevindt zich nog een soortgelijke originele oorkonde met één zegel over hetzelfde onderwerp.

Ordn. 1  Opnamenr. 0249-0256
Gesamtarchiv von Romberg – Akten Nr. 9423
Ca. 1530        Latijnse breedvoerige akte, waarin vernoemd worden het S. Victorstift te Xanten, waarin vernoemd worden:  dominus Florentius van de Laer, clericus Leodiensis dioc. (priester van het Luikse bisdom) als vicaris verbonden aan het St. Nicolaas-altaar in de St. Dionysius-parochiekerk te Heijen en de collatierechten van de heren van Afferden, te weten Johannes Schenck van Nideggen en Theodorus van der Lippe genannt Hoen. In dit verband worden ook  de gestorven dominus Henricus Walreick, de vorige vicaris, genoemd verder een pastoor van Afferden, geheten dominus Henricus Schenck, en Johan Spanrebock.
Noot:
1)     Zie in dit verband: M.P.J. [Rien] van den Brand “Gewelddadige aanslag op de eerste Overloonse pastoor Floris van de Laer [1544”] in ‘Merlet’ 39e jaarg. [2003], nr. 2, p. 43 tot 49.
2)    De akte behoeft nadere uitwerking.

Ordn. 1  Opnamenr. 0257-0262
Ca. 1765        Financieel overzicht met een soort bestek van de noodzakelijke reparaties aan het Huis Heijen. Veel timmer-, metselwerk en arbeid aan de leien zijn vereist. Een muur is ingestort, balken, ribben en deuren en vensters geplaatst, zolder hersteld boven het washuis, 4.400 pannen zijn nodig. Dit is vastgesteld door de meesterleidekker Willem Heesen en de meestertimmerman Godefridus Janse.
Aan het ernaast gelegen alt Casteel (met leidak) moeten nieuwe kruisramen in de sael worden ingezet en Closter raemen, dat geldt ook voor de Blau Caemer , in de Stueff (elders Staeff geschreven), in de kamer boven de Cäiker (keuken?), een nieuw kelderdeur en kelderraemkens en kruisramen in den Thorn (toren), de korenzolder

Ordn. 1  Opnamenr. 0263-0265
Ca. 1760        Timmerwerk: Financieel overzicht van kosten aan het Huis Heijen o.a. koren zolder. Opgesteld door de meesterleidekker Willem Heesen en de meestertimmerman Godefridus Janse, zoals een nieuwe schoorsteen, nieuwe pannen, paardenstal, koetshuis, koestallen en schaapskooi.
 
Ordn. 1  Opnamenr. 0266-0267
Gesamtarchiv von Romberg – Akten Nr. 4328 met gekleurde tekening (18e eeuw?) van plannen tot ombouw van kasteel Heijen tot een Castellum novum Heijen, zoals dat niet tot uitvoering gekomen is.

Ordn. 1 Opname. 0268
Rombergsch. Archiv [Depositum], subbestanddeel Herrlichkeit Heyen, Akten, Karton 30 / 31

Ordn. 1  Opnamenr. 0269-0278
Rombergsch. Archiv [Depositum], subbestanddeel Haus Heyen, Akten VI Nr. 21, Karton 29
1 december 1660        Johan Deusing, schout van de heerlijkheid Heijen, Johan van Langen, Jacob Bouwmans en andere schepenen van Heijen maken bekend, dat voor de schepenbank en in het gericht van Heijen verschenen zijn Henrich Wilhelm van de Hoeve, heer te Hoeve en Peelerick (??) van de keurvorstelijke Brandenburgs, Kleefse en Märkische justitieraad en president tevens drost in de Hetter van het Land van Arssel te Rees en Iselburgh (?) als gevolmachtigde van Vrouwe Agnes Margaretha, geboren van Boenen, weduwe van Vittinghof genant Schel, Vrouw van de heerlijkheid Heijen en Schellenberg te Münster en Padernborn, als moeder en voogd over de minderjarige Gisberts Johan van Vittinghof genant Schell, heer te Heijen en Schellenberg. Daarbij wordt verwezen naar een making van 4 mei 1611 van Alter Knippinck en Elisabeth Spannerbock en grootouders Lambertus van Til en Frans Spanrebock wegens afstand van o.a. heijrathspfenningh. De verdeling van de erfenis houdt diverse financiële regeling in en betrokkenheid van de Kleefse jurist Martine Haesbaerts. De regeling wordt bekrachtigd door het Gerichts Siegel der herlighkeidt Heiden.

Ordn. 1  Opnamenr. 0279-0285
1501                 Willem van Asselt, Adrian opten Berge, Henrick en Conradt Hack gebroders, zijnde maghe und vrijnde (in de praktijk naaste familieleden, neven en nichten) en gekozen gescheidtsluijde, scheidsrechters van beide zijden, bewerkstelligen een erfenis- en boedelscheiding met Henrick, Gerart, Aleyden en Katerine Spanrebocks, broder end suister. De erfenis omvat all alsulcken versterff, erve end nagelaten guede ….. herliche guede, lyddgewijns guede, weyde, pesse, buijsche (bossen), huijsinge, huisraeth, haeffstat, kleinod, levendige have …. ruerende end onruerende, dat Henrick Spanrebock, eijn her tot Heijden, en zijn vrouw Lijsbeth sijne echte huisfraw beide zelig gedachten en gestorven, bezeten hebben. Daarvan niets uitgescheiden. Henrick, de oudste zoon, ontvangt de heerlijkheid Heijen. Aleyden blijkt clöster joffer tot Daelheim te zijn en zij ontvangt levenslang jaarlijks een geldbedrag uit de erfenis.

Ordn. 1  Opnamenr. 0286-0288
Ca. 1560             Vanwege grote onenigheid, tweedracht en twist tussen de ambtlieden van Gennep uit naam van de Kleefse hertog en Arndt Spainrebock thoe Heijden over het houtgewas in der Hezen, over de visserij, de vangst van konijnen en de wranden en dergelijke, hebben alle partijen de situatie besproken, afgekalt en zijn tot een overeenkomst gekomen. Het gericht van Heijen zal voortaan (niet meer in Gennep), maar in het neutrale Kalkar in hoger beroep gaan. Aan de Kleefse hertog zal door Spannerbock, als Kleefse halfheer van Heijen, een gevangene overgeleverd worden en wel op de derde dag van de gevangenneming. Deze overdracht moet geschieden an der Hezen tuschen Gennep und Heiden. Belastingen van Heijen moeten voor een helft aan de Kleefse hertog en landvorst worden overgedragen und die ander helfft den van Spanrebock toekomen. Zonder toestemming van de hertog mag de Heijense heer geen heidegrond ontginnen of aan anderen uitgeven of verkopen. De ‘illegaal’ aan de gang zijnde ontginningen van die kaetere (keuterijen) van Peter van Kuijck,  Peter die Rademecker en Melis die Wever zullen nog door de vingers gezien worden. Wel zullen zij de jaarlijkse bijenwas aan de kerk van Heijen en de tijnsbetaling in hoenre (kippen) e.d., half aan de Kleefse landsheer en half aan de Heijense heer verschuldigd blijven. De andere afspraken gaan over de inkomsten van het Sint Nicolaasaltaar in de Heijense parochiekerk, de turflevering uit die Genneper Vennen. De namens de Heijsen heer aangestelde schout zal geen oordeel mogen vellen en als swijgender Schultiss naast de Kleefse rechtsprekende schout zitten. Deze laatste legt de martelingen op de pijnbank op en laat de verdere veroordelingen ook uitvoeren. Boetes en andere inkomsten zullen steeds gedeeld worden tussen de beide heren. Dat geldt ook voor de konijnenvangst der Wranden met garn und fretten en ook met de visvangst in der Maesen tho Heiden zal gedeeld moeten worden tussen de Kleefse ambtman te Gennep en de Heer van Heijen. DE afspraken over de ruzies over den holtgewass der alden und nyen Hezen ontbreken, omdat de rest van het document verloren is.

Ordn. 1  Opnamenr. 0289-0290
21 mei    1677        Vordering van 10 Reichsdaler. Genoemd wordt: Frau up Oberfelt …. zu Buldern. Ondertekend door die getreue dienerine C E Swansbell.

Ordn. 1 Opname. 0291
18 juni    1560        Korte verdragsnotie van Arnt Spannerbock met verwijzing naar een regeling van 20 augustus 1585 van Alther Knippingh, here tot Heijen.

Ordn. 1  Opnamenr. 0292-0298
    18 juni 1560          Ik, Arndt Spanrebock te Heijen, getuig dat Willem hertog van Kleef, Gulick en Berge … en here van Ravenstein ……………..

Ordn. 2  Opnamenr. 0299 - 304
    17 juni 1560          Twist en onverstand tussen de ambtslieden van Gennep en Arnt Spannerbock van Heijen vanwege de omvang van de heerlijkheid Heijen en haar inwoners m.b.t. het houtgewas, de heide, visserij, konijnenwranden e.d.
Voortaan moet volgens de regering in Kleef het gericht van Heijen in Kalkar in hoger beroep, ter appellatie. De regeling is mede ondertekend door Arnt Spaenrebuck, Johan Spanerbock.

Ordn. 2 Opname. 305
    6 april 1577          Kopie van een overeenkomst over 200 Rydergulden, getekend door Henrich van Eickel, heer te Heijen en Elisabeth Spanerbock belangende die herlicheit Heijen. De kopie is gemaakt door de Heijense koster Ad Veltum.

Ordn. 2 Opname. 306
    25 jan. 1585        Johan van Spannerbock heeft een testament gemaakt met believen van zijn echtgenote Elijsabeth van Delfft. Met ook haar goedvinden vermaakt hij aan seines broeders natuerlicke soen Hnrick tho Heijen eins hondert daler. De akte is o.a ondertekend doot Johannes Heinnen, pastoor in Appeltern, Balthasar Neijkercken genant Nijvenheijm.

Ordn. 2  Opnamenr. 307 - 309
    6 april 1577        Kopie obligationis van het echtpaar Henrich van Eijckel en Elisabeth Spannerbock vanwege een kapitaal van 200 Ryder-gulden als gevolg van het overlijden van Arndt Spannerbock, heer te Heijen.

Ordn. 2  Opnamenr. 310 – 0319
    1 januari 1578        Huwelijksovereenkomst en bevestiging vanwege de overleden Galand van Meverden, de weduwe van Arndt van Spanerbuck, heer te Heijen i.v.m. hun dochters. De oudste dochter Elisabeth trouwt met Henrick van Eykele en krijgt een huwelijksgift uit de 6.000 goudguldens van de broederlijke deling en magescheid van Dietrich, Joesten, Henrich en Gerhard van Eijkell. Elisabeth brengt in: het huis en de heerlijkheid Heijen met alles wat daartoe behoort. De huwelijksvrienden getuigen.

Ordn. 2  Opnamenr. 0320 – 323
Arnhem, 19 januari 1580 + 3 april 1580        Schrijven aan Johan van Spaenrebock van Johan, graaf te Nassau, Catzenellenbogen, etc., stadhouder van het vorstendom Gelre en graafschap Zutphen, die een reis wil maken naar Antwerpen, die uitgesteld wordt. De landdagvergadering van de bannerheren, ridderschap en steden zal nu tegen de 4e februari in Arnhem plaatsvinden en Johan wordt daar verwacht om uitleg te komen geven. Met vervolgbrief van april.

Ordn. 2  Opnamenr. 0324 - 0328
    6 september 1580        Schepenen van Venlo (Gerardt van Loenn en Herman die Laet) verklaren dat tussen drie en vier uur ’s middags in het convent In der weyden binnen der statd Venlo Getrudt Spanrebock, weduwe van Oeyen verschenen is. Zij was swaick van licham doch alnoc van gueden vernunfft und verstande. Zij verklaart in de vorige maand augustus reeds haar testament te hebben gemaakt voor de Heijense pastoor Allardt Michiels en de kuster Henrick Spanrebocke. In de akte wordt ook Peters van Beeck genoemd als secretarius tot Gennep. Zij vermaakt o.a. goederen of geld aan personen in Ottersum, Vierlingsbeek, Beugen en voornoemd klooster.

Ordn. 2  Opnamenr.: 0329 - 0330
    4 april 1580            Schrijven aan Johan van Spannerbock van de burggraaf, schepenen en raad van de stad Nijmegen over een uitnodiging voor een bespreking op 11 april in de Gelderse Raadkamer te Arnhem op belaicken Paisschen in Arnhem.

Ordn. 2  Opnamenr. 0331- 0332
Stamboom gegeven   -  Series Genealogia – Veterum Comitum de Geneppa unde prodiere Domini de Batenburg, Spannerbock Meeckeren.

Ordn. 2  Opnamenr. 0333- 0335
7 augustus 1515        Verzeichniss van de opvolgende heren van Heijen, vanaf Henrich Schardenberch in 1340, overgeschreven uit ein alte verleit zedell. Daarna volgt Isbrandt Schardenberch, die huwt met Mechtell van Doijenbergh (nabij Cuijk) en zij krijgen drie dochters. Een daarvan huwt met Henrick Spannerbock. Hieruit wordt geboren IJsbrandt Spannerbuch, heer tot Heijen, en is gestorven zonder huisvrouw en kinderen. De staat wordt eerst vervolgd tot 1525 en vervolgens voortgezet tot 20 september 1677.

Ordn. 2  Opnamenr. 0336-0337
28 december 1580        Akte, ondertekend door Henrick van Eijkell zu Heijden (op de omslag van de brief genoemd Grafen van Heijden!) en Elisabeth Spaenerbock, echtgenoten, waarin genoemd Steffen Staell van Holtstein, waldgraaf te Nergena, hun lieber Oehm und Swaeger wegens een geldsom van 250 dailer.

Ordn. 2  Opnamenr. 0338-0344
26 december 1583         Huwelijksakte met condities bij kinderen uit een 1e en 2e huwelijk, alsmede inbreng tussen Lambrecht van Thijl in Grietherbusch, zoon van de overleden Wilhelm van Thijll en juffer Anna van Randwick, met joffer Franck van Spannerboch, dochter van de overleden Arnolt Spannerbock, heer te Heijen, en Galant van Meverden.

Ordn. 2  Opnamenr. 0345-0348
1560             Akte van overeenkomst tussen de Kleefse hertog en wijlen Arndt Spannerbock, een heer te Heijden, over financiële geschillen met de inwoners van Heijen, de pastoor, als ook met Gennep.

Ordn. 2  Opnamenr. 0349-0350
1 augustus 1589.         Akte ondertekend door Alter Knippinck zu Heijen en zijn echtgenote Elysabeth Spanrebock over 500 gulden Brabants. Genoemd wordt ook Francisca van Spannerboick.

Ordn. 2  Opnamenr. 0351-0352
7 februari 1611         Akte over 100 Philippus guldens.
\
Ordn. 2  Opnamenr. 0353-0355
1577                Huwelijks-overeenkomst tussen Albert, natuurlijke zoon van Johan Spaenrecboick en Siken Jans van Eicke dochter met een inbreng van 100 Philippus gulden te Vierlingsbeek te ontvangen met nogmaals 100 gulden à 25 stuver uit de renten van Boxmeer ende uit den hoff the Boegen (Beugen) en 100 Philippus gulden aan Arnt Spaenrebock, heer tho Heijen vanwege een magescheits (verdeling) tussen voornoemde Arnt en Jan Spanrebock, gebroeders, en roggenpacht, die Jan Spanrebock binnen Vierlingsbeek geldende is.

Ordn. 2  Opnamenr. 0356-0406    
Haus Heijen Akten nr. 11    Een kopieboek bevattende:

Ordn. 2  Opnamenr. 0357-0358
7 april 1545            Koop van een weikamp by die Mehr gelegen, genannt den Merpass, dat aan een zijde grenst aan het Sijnter Claijs altaers lant met nog een weikamp en een stuk bouwland.

Ordn. 2  Opnamenr. 0358-0359
5 december 1549        Aflossingsbrief van Jan Ebben en Peterken zijn huisvrouw, opgemaakt voor de schepenbank van Heijen.

Ordn. 2  Opnamenr. 0359-0360    
1 juni 1548            Voor de Heijense Roleff Vermaesen en Arndt van Hasselt, schepenen van beider heren wegen (=Kleef en Heijen) verschijnen Mechtelt Rixkens (voor haar dochter Rixken) en Jan, gesuesteren en zij doen afstand van twee stukken land.

Ordn. 2  Opnamenr. 0360-0362
10 maart 1553            Peterken Luyffss weduwe verkoopt aan de dochter Elsken Lueffs voor de Heijense schepenen oer huijsken und hoff met toebehoor en een weiland in den Merpass, dat hollandt met een einde aen der Maesen grenzend.

Ordn. 2  Opnamenr. 0362-0363
19 september 1561        Voor de Heijense schepenen waaronder Herman Pelen en Johan Michels, verschijnen Eijbbe Seger Balthus zoon en Berdtgen zijn eheliche huijsfrau mit orren momber, voorts Derrick Beltgens our brueder. Zij verkopen en dragen over aan Jorien Henrick Driessen en zijn voorkind Ulandt en Hylleken gesuesteren en irre vorkinderen vijf Hornse guldens jaarlijkse renten, steeds op 11 november te voldoen,

Ordn. 2  Opnamenr. 0363-0364
25 april 1583            Voornoemde vijf Hornse jaarlijkse renteguldens, staande op naam van Eb Segers of Beltgens Berta zijn huisvrouw zijn afgelost door Gaerdt, Gerritt, Jan, Trijn en Peter, nagelaten kinderen van zalige Jan Campus en zijn huisvrouw Jenneken. De lossing is gebeurd met vijfftich Ryder.

Ordn. 2  Opnamenr. 0364-0366
1 juni 1548            In de Heijense schepenbank en voor de Heijense richter (die van beide wegen de hertog van Kleef en de heer van Heijen was aangesteld), zijn verschenen Derrick Lijnssen met zijn vrouw en kinderen, in verband met grondoverdracht.

Ordn. 2  Opnamenr. 0366—0369
            Etliche verteickeningh der Rechten so binnen Gennep und Heijden gehalden werden …… aengaande peinden (straffen), pachten, schulden, de aankondiging van rechtszaken, geërfd land, e.d. getrokken uit de Gennepse stadsrechten.

Ordn. 2  Opnamenr. 0369-0375
Ca. 1577        Der heren Rheden (van Willem, de hertog van Kleef) protestation gegen dem heren zu Heijden eines gefangen halden, genaamd Beltgen, in november van het jaar 1577 wegens diefstal van schapen. Regeling inzake overdrachten aan Kleef en Gennep en deling van boeten.

Ordn. 2  Opnamenr. 0375-0380
1 oktober 1536    Van diensten der undersaeten (onderdanen) im Fürstendumb Cleve ten tijde van Johan, hertog van Kleef.

Ordn. 2  Opnamenr. 0380-0382
16 juni 1570        Voor Herman Peellen en Jan Michels, Heijense schepenen, verschijnen Peter Driessen en zijn huisvrouw geven drie stukken land over aan Wilhem Boens. Een stuk ligt onder meer in die pastoirschap, een ander bij der Custerijenlandt te Heijen.

Ordn. 2  Opnamenr. 0382-0385
16 januari 1572    Voor Herman Peellen en Jan Michels en de overige schepenen van Heijen, als ook voor Derick van Hillensbergh en Wolter Spannerbock als scholtissen van beider heren, verschenen in eigen persoon in de schepenbank: Arnt Spannerbock, ein her tot Heijen, en juffer Galand van Meverden. Deze laatstgenoemden verkopen aan Michel Reinners en Jenneken, zijn huisvrouw, erfelijke jaarrente bestaande uit 4 malder rogge en 2 kapuinen, rustende in de Torckschen pacht en geldende op de 6e januari van elk jaar. Een onderpand wordt gesteld.

Ordn. 2  Opnamenr. 0386-0388
16 december 1584        Betreft: Thies van Haeselt belangende die halffscheide einer behuijsingh binnen Genp gelegen. Voor de Gennepse schepenen onder wie Johan Lesier en Rhemmradt (?) van den Kamp en de Gennepse scholtis Otto Ruijter verschijnen de verkopers Henrich Gerardts en zijn huisvrouw Lisbeth van de achter halfschap einer alijnger behuijsing in den Pottenhoeck mit auch ein klein huijsken und eijndt haeffs. Kopers hiervan zijn Thies van Hassel en zijn huisvrouw Jutt en hun erven.

Ordn. 2  Opnamenr. 0388-0390
13 augustus 1526        Betreft: Beleidungh tuschen die herlickeitt Heijden unnd Boxmer over een stuk land dat van Jonker Derick Schenck en jonkheer Jan Schenck, zijn broeder, beide heren van Afferden was en gelegen tegen die Steijll over. Daar lag een grenssteen vortitz en een alde beeck, daer nue die wech hingaet langs die Maese.

Ordn. 2 Opname. 0391
5 juni 1545        Betreft: Beleidongh (in der kercken) over den gemeinen veldt unnd Leijgraeff. Ein gemein heerstraedt sall weijdt sein achtien voedt en einen gemeinen wegh sestien voedt.

Ordn. 2 Opname. 0392
14 april 1614             Bezichtiging of ein beleidung Alter Knippinck, heer van Heijen van grondgebieden tussen Gennep, Genneperloo en Heijen door verschillende schepenen ende gemeine naburen, waarbij grenspunten genoemd worden zoals een Essenboom, den Koepelbergh, IJshovelse felt, den Vosshoeffel e.d.

Ordn. 2  Opnamenr. 0393-0395
9 mei 1550 + 22 juni 1553        Extractum uit den Heijdenschen Prothocollen = Uittreksel van Heijense schepenbank-uitspraken inzake rechten, overtredingen met boetebepaling.

Ordn. 2 Opname. 0395
19 oktober 1565        Vervolg van voornoemde Extractum betreffende het drijven van schapen up ten walden.

Ordn. 2 Opname. 0396
27 november 1562        Etliche Kundtschappen belangende einem wegh. De verklaring, handelend over de weg doer die Lanckeren naar de Sambecker Staij, komt van Jan Krouwers off van den Staij tho Sambeck. Bij de uitspraak zijn Arnt Spannerbock, heer tho Heijen, Roloff Vermaesen, Henrick Lauwen. Arnt van Haesselt, Wolter Spanreboeck, schout, betrokken.

Ordn. 2  Opnamenr. 0397-0398
1548                Schepenakte van Roloff Vermaessen en Seger Beltgens en de gemene schepenen van Heijen, waarbij Johan Hermans, zijn huisvrouw en oeren drien Sohnen betrokken zijn bij huwelijksvoorwaarden tussen Petrus Boll vanwege een stuk land in het gericht van Heijen gelegen, in het Neer veldt, en een erff malder garsten, als een jaarlijkse pachtverplichting

Ordn. 2  Opnamenr. 0398
circa 1550         Voor de Heijense schepen Seger Beltgens en Gerritt Louwertz dragen Johan Rutten, zijn huisvrouw en hun erfgenamen einen weijkamp over.

Ordn. 2  Opnamenr. 0399-0401
1647            Collatie of benoemingsvoorstel vanwege vacant geworden pastoraat in Heijen en waarbij genoemd wordt pastoor Johan van Gelre en de collatierechten hiervan door de heer van Afferden. Ook is door de heersende oorlog (80-jarige / 1568-1648) de weem of pastoors behaussung in Heijen bouwvallig geworden en behoeft dringend reparatie.

Ordn. 2  Opnamenr. 0401-0402
10 december 1631            Kondschap of verklaring voor de gezamenlijke schepenen van Heijen tussen Arnold Henrick van Nieuwenheim, de keurvorstelijke Brandenburgse  jagermeester en waldgraaf, en Jan Clabberts vanwege een jaarlijkse erfrente van een schepel rogge aan de schoell tot Heijen steeds op de 24e juni te betalen met nog een ton bier voor de nabueren en een halve ton bier jaarlijks in de schutterije tot Heijen.
Noot: Th.W.J. Driessen & M.P.J. van den Brand "Een reglement voor het St. Dionysius-gilde te Heyen" in 'De Maasgouw' 1971, kolom 123-128.

Ordn. 2 Opname. 0402
29 december 1631        Arnold Henrick van  Nieuwenheim, keurvorstelijke Brandenburgse  jagermeester en waldgraaf (te Driesberg?) bevestigt het heideland nu meerweert (?) met een half ton bier aan der gilt tzu Heijen. (Noot: Onduidelijke situatie).

Ordn. 2 Opname. 0403
20 juli 1647            Giesbert Johan van Vittinghoff genannt Schell richt zich tot de onderdanen van Heijen dat zij de korenvruchten als tienden van het land rijden voor de plaatselijke heer als auch den Pastoren.

Ordn. 2 Opname. 0404
2 maart 1651            Jura des Scholtheissen und Gerichtzbotten thu Heijen, zijnde kosten bij een oproep voor de schepenbank te verschijnen, bij verpandingen, het opstellen van een oorkonde, bij arrestaties, het schouwen of inspecteren van de waterafvoeren, de heggen en wegen.

Ordn. 2  Opnamenr. 0405-0406
 1563 (of 1663?)        Moeilijkheden tussen Afferden en Heijen waarbij de hertog van Kleef en de schout of scholtis van Gennep betrokken zijn vanwege het weiderecht van de Heijense schapen. (De tekst is deels verdwenen).

Ordn. 2  Opnamenr. 0407-0408
 14 april 1542         De gemene schepenen van Heijen handelen op verzoek van Arnt Spaenrebock, een heer thoe Heijen over Wolter Spaenrebock, syn bastery broder, die hij graag als gerichtsbode in Heijen gezien had. Jan den Baed heeft lange tijd die baan gehad. waarna Marten Wijnetz. Met instemming van de beide heren over Heijen wordt Wolter aangesteld. Daarover ontstaan korte tijd later verschillende moeilijkheden en twysten met betrokkenheid van de schout van Gennep, zoals deze kondschap weergeeft.

Ordn. 2  Opnamenr. 0409-410
 22 april 1542         Gerijt Lauwertz en Arnt van Haeselt en de andere schepenen van Heijen verklaren dat op verzoek van Arnt Spaenrebock, een heer thoe Heijde om wettelijke reden, voor hen verschenen zijn Derick Ebben en Jan Lijnsen. Zij verklaren niet te weten dat er ooit ten tijde van des alde greve tyden …… eijnijghe mysdedycher off gevangen off peende (boeten) in het gericht van Heijen gevoerd zijn. Ook niet in de tijd dat van den kerckhoff uijter weemen dair om onse kerck een tyt lanck interdickt weer geweest. Wel dat Henrick Spaenrebock eenen aengrief hed gedaen aen Jenneken Pielen indt hedt den gevangen ind gespannen …. om dat sylveren … van Sint Anthonijs broerschap van Genp, dat hy synen broeder Derick Peelen aff gestaelen hadt. Ook is Aelbert Bans vastgepakt omdat hij konijnen gevangen had. Verder heeft de drost van Gennep, Ott van Wylick, Henrick Nab laten vastpakken.

Ordn. 2  Opnamenr. 0411-0413
 24 ….. 1551             Voor Heijense schepenen waaronder Alardt Bremen en Johan Rutten    verschijnt op verzoek van Arnt Spaenrebock, eyn here to Heiden, de heer tho Oyen, Martin Boegell, en Derick van den Colck vanwege een oude vordering en verblijf met paarden in Frankrijk en Lotharingen.

Ordn. 2 Opname. 0414
 1552             Voor de Gennepse schepenen, met namen Henrick van den Bungart en Johan van Hoesden, verschijnt op verzoek van Arnt Spanrebock eyn heer tot Heiden, Thonis van der Lynden. Deze verklaart dat hij samen den Rolof van Osswerdt, scholtis van het ambt Gennep myt meer ander manne bij Arnt Spanerbock tot Heiden in huyse Wolter Spanrebock basterd dess heren van Heiden eerder genoemde Bandt (elders Bans genoemd) heeft vastgenomen. Verdere uitspraken gaan over de reikwijdte van het rechtsgebied.

Ordn. 2  Opnamenr. 0415 + 0420
 17 juni 1560             Er is duckweils misverstandt undt tweidrachtt tussen de ambtluiden van Gennep en de hertog van Kleef und den van Spannerboick tho Heijden. Om het onrecht te verminderen zijn een en ander affgekaldt en een serie nieuwe afspraken, over het houtgewas, de Hezen, konijnen waranden, de schatting (belastingen), uitgave van gronden ter ontginning, vicarie-inkomsten van het St. Clais altar uit land die Papielier geheten, turfsteken in de Genneper Vennen,  het benoemen van een swijgend schout (geen stemrecht hebbend), e.d. gemaakt tot eendracht en gehoorzaamheid. Het is een verdrag tussen de vorst van Kleef en Heijen. Voortaan zal verder het gericht van Heijen voor consultatie en appellatie (=hoger beroep mogelijkheid) naar Calkar moeten gaan

Ordn. 2 Opname. 0421
 20 mei 1560             Wij Arndt van Haselt und Johann Michels en de schepenen van Heijen nemen een verklaring op, op verzoek van Arnt Spanrebock, eyn heer tho Heyen, dat Arnt die Hoigh (over de 80 jaar oud) en Johan Hermans, lange tijd in Heijen wonend zeggen dat de familie Die Haen al verschillende generaties in Heijen een huis heeft en dat ongestoord bewoont.

Ordn. 2 Opname. 0422
 25 januari 1560         Wij, Herman Pelen en Gerit Lauwoertz met de andere schepenen van Heijen, bekennen dat Lenardt van Schelberch ende Derick van Schelberg, gebruder een verklaring afgeven over Jan Wylhemken, die huysfrauw Symon Janssen in Goch, die kranck geworden is en gestorven.

Ordn. 2  Opnamenr. 0423-0425
Februari 1588            Berichtgeving of Kundschaft wegens doodslag. Op genoemde datum wordt een verklaring afgegeven voor Gundert Poylman en Reyner Reynerssen, schepenen van Gennep, en onsserem Scholtiss Otten Ruytter. Hierbij geeft de predicant van Gennep antwoorden op gestelde vragen over een dronken huisman en een vrouw, waarop geschoten, gehouwen of gestoken is. Hierop heeft den huysman einen swerlivhen doetlichen steeck gekregen. Schewyckse soldaten zouden het slachtoffer tussen kasteel Driesberg en Kleef bedreigd hebben.

Ordn. 2  Opnamenr. 0426-0427
24 maart 1588            Een verklaring afgegeven voor Gundert Poylman en Reyner Reynerssen, schepenen van Gennep, en de Gennep schout Otten Ruytter in verband met het verschijnen in de Gennepse schepenbank van Peter die Swardt van den Bwergh en dat op verzoek van Elder Knyppingh thoe Heyen vanwege een verklaring van de Gennepse predikant en verblijf in der Schantzen up Sgrevenwardt …. in dat Losement van Mychel Ogelingh … de preducantz dyner Bernt van Kesseleijck  .. die duyvell moet my daer gebracht hebben.

Ordn. 2  Opnamenr. 0428-0432
7 januari 1651            Schutter Herman Janssen legt in een verklaring in diverse punten geschonden weiderechten e.d. vast, geschied in Heijen:
- door Jan Henderichs genand Paullirt op Henderichs Derrichs sein wertken
- door de scheper van Derrich Robben op het Hoge velt en het driemalig verbod in mei 1650
- door Jan, de scheper van Peter Hacken genandt Jan, auf das Massenouffer ook in mei 1650
- door Peter, de scheper van Henderich Thiβen, ook op de Massenauffer
- door Paull, de scheper van Derrich Robben
- schending van de route van Derric Robben “über langes den Wittenstein und uber das Hogevelt
- de vrouw van Wilhem Ritters had illegaal gras gesneden in den Newenkamp
- Henderich Derrichs ook genoemd Lodter heeft zijn paard in het roggeveld van Herman Janssen laten lopen
- Peter Winnen heeft zich met zijn paard auff den poll auff den Reiswerdt opgehouden
- Sander de scheper van Jan Henderichs heeft laten grazen op de Maasoever
- Willem Art Jacops ging in de fout in die Kempe
- dat deed daar ook Hubbe Costers, die willigen gekapt had ten eigen voordele
- genoemde Hubbe en Peter Hacken hadden ’s nachts andermans hout in die Kempe opgeladen en mee naar huis gereden
- andere verboden zijn in de kerk afgekondigd geweest
- das Lottersfraw heeft gras gestolen em ein andermans paard aus des Schuttershaus gehalt
- Jan den Douve heeft hout weggehaald en zich tegen de schutter verzet

Ordn. 2  Opnamenr. 0433-0434
27 mei 1651            De Heijense Schutter Hermen Pege (soort opzichter/ politie) legt de volgende overtredingen vast, die der schütter angebracht hatt: overtreding van Derrich Roben die het in beslaggenomen paard weer van de schutter had afgenomen en hem bedreigd;
in 1651 heeft Johan van Heden op Pasen in die Kampe schapen gedreven;  tegen het verbod in heeft ook Peter Hacken op de Maasoever vee gedreven;  item heeft der zwartze This ’s nachts zijn paard in de wei van de schout laten grazen;  Willem Art Jacobszn heeft stiekem gras gesneden in den Ossenkamp; Willem Ritters heeft het hekken van de Bey Kamp geopend en er zijn paard laten weiden en tenslotte heeft de scheper van Martin Klabbers zijn schapen op het korenveld laten grazen.

Ordn. 2 Opname. 0435
20 augustus 1657            Bij de belasting of schatting is een contigent voor het ambt Gennep vastgesteld, waarbij ook in detail opgenomen zijn de bedragen voor Ottersumb undt Uffelt, de heerlijkheid Heijen en de gemeenschappelijke geestelijken Die Pastores zu Gennep in der Stadt, Uffelt, Heijen, Ottersumb, die Vicarij Gennep (met St. Anthoni cacareij, Cruicis, Martini); te Uffelt (Salvatoris et B.M. Virginis); te Heijen (St.Nocolai undt Fruhemess zu Heijen) en te Ottersumb met (Milssbeck et Lamberti).

Ordn. 2  Opnamenr. 0436-0438
18 oktober 1657        Erffbrieff Petern Driessens. De Heijense schepenen, waaronder Willem Vermaessens en Jan van Lottum, verklaren dat voor hen en unsere Scholtis Joan Deusingh persoonlijk verschenen zijn Hendrick Claessen en Gereardt  Lemmens (?) en deze hebben met een in Venray opgemaakte volmacht van 16 oktober 1657 voor zichzelf en voor Peter Bijsterfeldts ende Hendrik Hijpts en hun huisvrouwen een goed overgedragen, dat nagelaten is door Dionijsen van Oirlo zaliger en gelegen is binnen de heerlijkheid van Heijen, en wel aan Peter Driessen en Jenneken van Straalen zijn huisvrouw en hun erfgenamen.

Ordn. 2  Opnamenr. 0439-0441
1657 e.a.        Kostenoverzicht met opgelegde boeten over Jan van Louttem en zijn vrouw en vele anderen over bijvoorbeeld het halen van mergel en met malcanderen gekrekelt, over het weghalen van hooi o.a. op gen Lanckeren, het halen van bier e.d.

Ordn. 2 Opname. 0442
November 1662         Vorderingen in Kleefs geld van gerichtswege in Heijen.

Ordn. 2  Opnamenr. 0443-0445
1658                 Betalingen aan de beul of scherprichter voor uitgevoerde pijningen in de vorm van bier, vergoeding aan de voerlieden, e.d.

Ordn. 2 Opname. 0446
17e eeuw         Diefstal uit de kerk van Boxmeer (losse pagina)

Ordn. 2  Opnamenr. 0448-0451
13 Juni 1661         Bericht van de gerichtsbode Frantz Fuck, op aanwijzing van Emericus Kriffts, pastoor te Gennep, wegens gevangenname van een dief en militair Jacob Gortsalen, als Spaans soldaat gelegerd te Weert en nu vastgezet in kasteel Boxmeer. De notities komen van de Heijense gerichtsschrijver Poelman.  De pas van Jacob, die hij 3 weken geleden van dienst had gekregen, was hij in het Land van Ravensteijn (Oijen) verloren. Daarop was hij ziek geworden en verzorgd bij zijn Cameratt. Hij zou ook een vrouw bezwangerd hebben. Hij had ook diefstal gedaan in Mullem en Sambeek en tin en zilver weggenomen bij de predikant in Beugen, Henricus Stulenius, en verder’s nachts  in de kerk van Gennep gestolen.

Ordn. 2  Opnamenr. 0452-0455
17/18 Juni 1661         Articuli inquisitionales of gerechtelijke (incomplete bewaarde) ondervraging van de gevangen ex-soldaat Jacob Gordsalen voor het (Heijens) gericht, opgetekend door E. Poelman, gherichtschreiber zur Heijen. Jacob is ongeveer 26 of 27 jaar oud en heeft korte tijd in Spaanse dienst gediend. Met een paspoort-zettel heeft hij zijn garnizoen mogen verlaten. Hij heeft diverse diefstallen in de regio begaan o.a. te Gennep. Hij hield zich ook bezig met de verkoop van borden en swebelstöck (lucifers) en heeft ongeveer een jaar in Boxmeer en omgeving van Grave en het Land van Cuijk verbleven en wil vervolgens weer naar Weert terugkeren.  Zijn kameraad was 14 dagen eerder dan hij gevangen genomen. Hij ontkent o.a. diefstallen in Mullem, Sambeek, in de kerk van Kessel aan de Niers en de pastoor van Sint Anthonis te hebben gedaan.

Ordn. 2  Opnamenr. 0456-0466
6 – 13 - 17- - 25 Juni 1661     Op t ‘Sloth Boxmeer worden in hechtenisse vastzittende gevangen kameraden ondervraagd. Jacob Gordsalen wordt buiten boijen en banden (ongeboeid) verhoord. Hij was betrapt en gevangen genomen in Sambeek en door de Vrouwe van Boxmeer, als mede vrouw van Sambeecq, voor de drost geleid. Als soldaat had hij gediend in de compagnie van Capiteijn Vleminck, onderdeel zijnde van het Regiment van de graaf van Issenborgh. Hij had verbleven (al dan niet in gezelschap van een vrouw) en diefstal gepleegd in onder meer St. Anthonis, Beugen, in de Landen van Ravenstein en Kleef en in Heijen.  Soms deed hij dat samen met een zekere Jacob Sterckman uit de Meierij van Den Bosch. Hij had voor de verkoop van het gestolen (vaak verstopte) goed samen gewerkt met een schoenlapper.

Ordn. 2 Opname. 0467
Gesamtarchiv vom Romberg – Haus Heyen – Karton / Akten Nr. 6

Ordn. 2  Opnamenr. 0468-0469
Genneperhuis, februari en 3 maart 1728         Schrijven om een extract aan de Rentmeester Leurs over een op 18 juni 1560 gesloten vergelijk en verdrag tussen de hertog van Kleef en Spannerbock van Heijen vanwege de heerlijkheid Heijen i.v.m. belastingen, tienden en diensten.

Ordn. 2 Opname. 0470
1731        Gemeten landstukken im Kirspel Ottersom, ambts Gennep in aantal morgen en Hollandse roede o.m. Tillenkempken, Diepenbroicks lange kamp, zum Hövelschen Hoff gehorende stukken, in Heijensche Lucht en Pillenkamp nabij Genneperhaus.

Ordn. 2  Opnamenr. 0471-0472B
 1732        Verzoekschrift van de Vrijheer von Diepenbroick te Buldern, als Jurisdictions Einhaberen der im Herzogthums Cleve gelegen Herrlichkeit Heijen wegens het afgraven de van Heijense heide, als bepaald in 1653, 1654 en laatstelijk in 1719.

Ordn. 2 Opname. 0473
12 febr. 1738        Fragment van een tijnsbrief over gesambte Heijensche heijdenschläger,  afkomstig van de Kriegs- en Domainen Cammer te Kleef.

Ordn. 2  Opnamenr. 0477-0480
Augustus 1746        Pachtcondities van Johan Herman Freiherr von Diepenbroick, Heer zu Buldern und Heijen,  Vrouwe E.J.W. v. Diepenbroick geboren Voigt von Elspe, Frau zu Buldern und Heijen voor Pachter Derck van Wijllijck und Helena Reiniers van baw landereijen, das adelige Haus met alle toebehoor, alle gerechtigheden van het Huis Heijen en die Büsche die Heese genannt.

Ordn. 2  Opnamenr. 0481-0484
7 september 1744        Voor Richter Gerhardt Leurs en de Heijense schepenen Peter Boumans, Jan Peters verschijnen Mr. Matheus Schmitz en zijn vrouw Catharina Velmans, die afstand doen van een groot geldbedrag en ruim 2 morgen bouwland en ander land nabij het Hoogveld, bei der Heese, beijm Boxmeersche Fehr grenzend aan land tho Conventualen zu Gaesdonck, die Kleine Heese, etcetera.

Ordn. 2 Opname. 0485
Ca. 1625            Lijst om te weten wat de kempe unde landereij, behorende tot de vicarie van Heijen, jaarlijks opbrengen en die gelegen zijn neben dem Wittensteijn … der kleijne Witte Steijn genandt, verder een stuk land den halbe Niggekamp met een groote van 2 margen,  land an dem Merpass, auf die Lacker, een weiland die Papenlir.

Ordn. 2  Opnamenr. 0486 - 0498
Rond 1626            Lijsten van opgemeten Heijense landerijen, weilanden met opbrengsten in koren, soms met bewoners of pachtersnaam. Veel toponiemen

Ordn. 2 Opname. 0499
Om 1626            Wat aan onroerend goed allemaal behoort tot den hoff tho Heijden, in gebruik van Johan Lijnsse zoals Lanckeren, die Sleij, Middelpaiss, Kranefelt, Hoichfelt, op den Raijacker, op die Laick, Mastenhuick, Paipelyr en Maissoifer.

Ordn. 2  Opnamenr. 0500 – 0502
Circa 1625        Pahling des Heijenschen Hoiffs betreffende pachtgoed in de vorm van korenleveranties gehorende tot den hoieff tho Heijen, gepacht door Peitter Ebben en Juidt Ebben, gelegen o.m.  in het Nijefeldt, in die Rodedell, ahn die Laicker, nach die Heigge nha die Papeleir, den Meirpass, in den Smallert.

Ordn. 2  Opnamenr. 0503 – 0506
Rond Pasen 1531        In deze buyttynge (ruil- en delingsbescheiden) staan met naam genoemde landstukken in en rond Heijen ten tijde van joffer Spaenrebock ind Lieffart van Wylick.

Ordn. 2  Opnamenr. 0507 – 0510
Rond 1646        Opsomming van verboden, die in de kerk afgekondigd zijn i.v.m. de veedrift van schapen en ander vee in de velden van Heijen, het inkorten van heggen en wilgen e.d..

Ordn. 2  Opnamenr. 0511 – 0516
Rond 1600        Verzeichnisse van de Heijense gemene gronden en de reikwijdte van het weidtreicht van de stad Gennep nabij Heijen in de tijd van Alter Knippinck. Gedetailleerde aantekening.

Ordn. 2 Opname. 0517
Rond 1580 ???        Ongedateerd verzoekschrift aan een niet met naam genoemde Vrouwe van Heijen van Peter Perfaes, veerman op de Maase. Voor zijn brouwwerkzaamheden heeft hij heide en stro nodig als brandmateriaal, dat onvoldoende in Boxmeer te verkrijgen is en hij verzoekt brouwheyde ende strouw heyde te moegen mayen op Heijens grondgebied.

Ordn. 2  Opnamenr. 0518 – 0520
1436                Extract uijt het Legerboeck der huijs Blijenbeeck met een Beleijdinge of getuigeverklaring over de limieten Afferden-Heijen, dus de grenzen beneden Heijener velt tot midden in ghen Maess … totten Hengelboem … noordwaarts beneven den Hoigenbergh in der Heijden all tot twee kleijne bergen toe, de een horend bij Afferden en de ander tot Afferden, enz.

Ordn. 2  Opnamenr. 0521 – 0522
Verwijzing naar Gesamtarchiv von Romberg, Haus Heyen – Akten nr. karton 18.

Ordn. 2  Opnamenr. 0523 – 0524
15 april 1643            Duitstalige akte. Bevestiging van de Heijense vrouwe Agnes Margaritha van Boenen, dat zij haar dienaar Ebert Stickers al haar goederen in de heerlijkheid Heijen, met uitzondering van de weilanden den grossen Wittenstein en Bogische wertt (Beugense weide), per 1643 verpachten zal voor de som van 326 Reichstaler en enige korenpacht, zoals zij deze goederen verkregen heeft via haar schoonvader Alter Knippingh, heer te Heijden. Stickers zorgt voor een onderpand.    

Ordn. 2  Opnamenr. 0525 – 0526
Kopie van mei 1645.            In september 1625 heeft Galandt Knippinck, weduwe van tot Beunen/Boenen, Ebbe Stijcker tot rentmeester in Heijen aangenomen. Zo zal deze er alle pachten in ontvangst nemen, op het holtgewas acht neemen, op alle kribben op de Maes toezien, hij zal het surplus koren tegen de hoogst haalbare prijs verkopen. Ook draagt hij zorg voor de visserij in de Maas.

Ordn. 2  Opnamenr. 0527 – 0550
1646.                Register van ontvangst en uitgaven van Heijen uit 1646 van gesmeden, gemaakte sloten voor de schurdör (schuurdeur), vensters op de portcamer, ontvangen korenleveranties (rogge/tarwe/spurrie, boekweit/haver/gerst e.d.) en pachten, betalingen in geld, gekochte pistolen en ein par musquetens, verkochte schapen. De armen van Hassum worden vernoemd. Gekochte goederen in Nijmegen o.m. einen nachts tabert, side en andere stoffen, dekbedden, tellers of borden, Franse wijn. In Kleef werd mostard en papier gekocht, een zwarte en grijze koe, gordijnen, rozijnen, rijst, etc. In de rekening is verder sprake van spek, schapenvlees, keukengereedschap, broodkorvern, wasborstels, gekochte kalk, teergeld, tonnen bier, tuback, anijsduiker, e.d.

Ordn. 2  Opnamenr. 0551 – 0552
Verwijzing naar Gesamtarchiv von Romberg, Haus Heyen – Akten nr. 5,
Herrlichkeity Heyen V, 2 Band 2.

Ordn. 2  Opnamenr. 0553 – 0556
11 december 1692.            Pachtcondities en -contract met de duur van zes jaar voor richter Johan von Bergsum namens de Gerichtsfraulein dieser herligkeit Heijen. Het betreft een door de Vrouwe then Ham verkochte boerderij met landerijen onder Heijen.

Ordn. 2  Opnamenr. 0557 – 0561
18 maart 1693        Reinier Reiniers heeft gepacht van Vrijfräwlein Berthina Elisabeth van Vittinghoff genand Schell, Gerichtsfräwlein der Heerlicheit Heijen haer Adeliches Huijs Heijen, mitsgaeders daerbij gehoorigen gaerden, Boggaert, Vischerijen in het Mehr op de Maese, Duivenvlucht, Jagtgrechtigheit, Fehrvrijheit op de Maese ahn Peter Perfaes Vehr, als ookck Weij- en hoijlanderijen ad ongefehrlick hondert en tachtentig kleine mergen, en bawlanderijen ad ongefehrlick honderd mergen, alles schattingvrij, uijt genohmen vier mergen bawlandt to schatting tot Heijen. Item den Lochtsen Hoff, so van twaelff mergen in het Amt Gennep schatting geeven moet en met de jaarlijkse erfpachtsommen als seventijn malder drij schepel roggen, seven en daertig malder twee schepel en een half garsten, en tijn malder een schepel hafer. Item de tijnsen ad 35 kapuinen, 58 hoender, 3 Hornse gulden. Verder daarbij de helft van de jaarlijkse nieuw erftijns te Heijen, de Vehedrifft met haere gerechtigheit en de diensten van de Heijense inwoners. Naast de pachtcondities worden als verplichtingen aan korenafdracht van het Huis Heijen genoemd aan de rentmeisterij tot Gennep, het Clooster Marrienbohm, ahn de tijdelicken pastor tot Heijen en aan de Schollmeister tot Heijen. De pachter zal tijdig willigen en peppelen poten en kappen. Er wordt onderpand gesteld.            
 
Ordn. 2  Opnamenr. 0563 – 0570
6 december 1664        Verhoor / ondervraging  onder eed van Jan Reijnen, Peter Pouwels de Vinck, Altueer Gieskens, Peter Winock, Joncker Teodosius Walhorn de Deckher, Geurt ten Nyttis over jachtaangelegenheden in en om Heijen.

Ordn. 2  Opnamenr. 0571 – 0574
6 december 1664        Interrogatoria of verhoor door de schout en schepenen van Boxmeer van Willemken Loijen, 62 of 73 jaar oud, eerder gehuwd geweest met Sijbert ten Nijttis en nadien in 1638 met Eb Stijckers uit Grave, de rentmeester van de heerlijkheid Heijen en daar enige tijd op het kasteel Heijen woonachtig geweest. De vragen gaan over de jacht en of de graaf van den Bergh of zijn dienaren jacht hebben uitgeoefend met roers en jaght honden in Heijen, daar wild hebben gevangen of geschoten. Het onderzoek betreft ook of de graven van den Bergh en/of bedienden menigmaal van het wiltbraet hebben gegeten ende gedroncken opt Huys Heyden.

Ordn. 2  Opnamenr. 0575 – 0577
1 - 2 april 1681    De Heijense schout Johan Deusingh    en de schepenen met naburen van Heijen    willen voor alle inwoners het gemeynts Maas oeveren onder bepaalde condities te pacht stellen zoals voorheen verpacht is geweest met  vier bloocken offte parceelen. Het pachten in gangbaar Kleefs geld zal via opslag of hoogen plaatsvinden onder borgstelling van onderpand. De schapen, koyen ofte perden moeten binnen hun blok blijven grazen. Het eerste blok is gelegen naest de Mergelstraet, den tweeden bloock offte Cuijl geheten, enz.

Ordn. 2 Opname. 0578
4 october 1681    Vanuit het kasteel Hamm wordt door Getruit Elisabeth van Nijvenheim geboren van Eickel goedgekeurd, eigenhandig ondertekend en met haar zegel bekrachtigd dat zij niet voor het gericht tot Heijen komen kan, maar bij deze autoriseert dat 400 Rijxdallders opgenomen kan worden en daarbij tot onderpand stelt onsen onder het gericht Heijen gelegenen Hoeij ofte weijkamp, den Kooeikamp en Honshorst genaemt.

Ordn. 2  Opnamenr. 0579 – 0580
11 september 1687        Antwoord van de stad (burgemeester, schepenen en raad) Gennep aan de jegermeister op een brief van Adam den Waldtknecht. Toen de burgerschafft auff der Jagt nachen Heijen gezogen was, heeft niemandt von der Magistrat einen waldtdienar vernohmen. Nu wordt een kopie van de jachtrechten aldaar van de Kleefse keurvorst toegevoegd met daarin nova gratia zu den Heijenschen Jagt mit der Gerichtsfrewlin zu Heijen in Gemeinschafft zu sein haben gutgefunden dien jagt einmahl zu sammenerhandt zu beziehen. De stad Gennep zou mede gerechtigd zijn daar te jagen.

Ordn. 2  Opnamenr. 0581 – 0584
5 - 9 september 1698        Verkoop met gedane afkondiging in de kerk van Gennep om het hoogste bod voor een hooi- en weiland tussen Gennep en het Genneperhuis gelegen en geheten Mekerens weijde aan de Niers, vrijkomend uit een erfenis. Op dit goed rust geen schatting- of belastingplicht aan de Kleefse vorst. De lopende verpachting moet worden gerespecteerd. Betaling met Kleefse rijksdaalders. Participanten: Carl Ludwig Peil en Gerhard Peil.

Ordn. 2  Opnamenr. 0585 - 0586
13 mei 1699        Kwitantie namens de Gennepse burgermeester, nomine magistratus Gennepesis Const. de Mentrop wegens een betaling van 50 rijksdaalder door de weduwe Margaretha Beatrix von Eickel aan de Kleefse Cammer Christiaan Brandt vanwege de aan de stad Gennep verschuldigde tiende, rustend op Peilen weijde vulgo Mekerens weide.

Ordn. 2  Opnamenr. 0587 - 0595  
8 + 9 + 12 augustus 1699        Opmeting van landerijen ( in Cuckse mate)  zum Hause Heijen gehörig van de heer van Buldern en Heijen, geheten Diepenbroick, door de Boxmeerse gezworen landmeter Haret Thomas/Thomessen, zoals hem aangewezen, ter grootte van insgesambt 183 morgen, 104 roeden en 3 voet liggend op Kercke Camp, de Hoye Camp, het Heylandt, het Hogh Velt, den Loochthe hoef, Roodel of Roeydel, raeyacker, het weertstuck, den Maeshoeck,  den Dryes weerde, de Lack, Papegadt, de Meer, aen den Cuijel op de Lack, op de Aerts Berge, de Geer, het achterse veelt,

Ordn. 2  Opnamenr. 0596 - 0600  
12 mei 1717         Voor scholtis E.H. Bammelroij en de schepenen Hendrijck Aerts en Willem Wijenborg van Afferden / Lb. wordt de 75-jarige Peter Ebben als inwoner van de vrijheerlijkheid Afferden in de Gerichts Camer ondervraaagd ter instantie van de schepenen en regeerders van de heerlijkheid Heijen over de gerechtigheit van hacken en houwen tüsschen Gennep en Heijen. Peter Ebben is in Heijen geboren en woonde er circa 50 jaar, waarvan 18 jaar als schepen. Hij verklaart dat de inwoners van Heijen alleen gerechtigd zijn tussen (de stad) Gennep en Heijen de heij vlaggen ofte stroij heij te hacken en te houwen. De schutters hebben de inwoonders van Gennep hierover verschillende keren geschut (beboet) of gevlucht ende wijcken.
 
Ordn. 3  Opnamenr. 0601 - 0603  
17 october 1718         De heer van Diepenbrouck en zij gemalin Engelina Elisabeth, vrijvrouwe van Diepenbrock, geboren van Vittinghoff genant Schel, heer en vrouwe van Heijen    kopen van Rembertus Pasmans en zijn vrouw Christina Tegelaers hun onder Heijen gelegen huijs, hof ende daerbij gehoriges kemken voor de som van 353 rixdaelder Clees gelt, een pistool tot een recognitiew voor Rimbert/Rembert  (Rembrosius) Pasmans huijsvrouwe ende eenen rixdaaeler voor den Armen. ‘t Huis met toebehoor, zoals deure,vensters, hecken, peertsback, bedsteede ende anders alles wat nagelvast is. De koopsom in 2 termijnen te betalen in 1718.

Ordn. 3  Opnamenr. 0604 - 0605  
17 october 1718        De onderdanen (geërfden en ingezetenen) van Heijen hebben grooten mangel en gebreck an bauland, aldus een brief aan de vrijheer Van Diepenbruch zu Buldern, terwijl er een grote overvloed aan heidegrond is dat ontgonnen kan worden. Het al begonnen in cultuur brengen van gronden door Jacob Tervoorn en Kerst Busmans wordt goedgekeurd.

Ordn. 3  Opnamenr. 0606 – 0607
30 jan. 1719         Document van Freiherr von Diepenbruck zu Buldern over debet van de Rath und Jagd Fiscali Domini Brockhausen in casu pro Herrlichkeit Heijen contra Stadt Gennep, vermoedelijk gemaakte schrijfkosten.

Ordn. 3  Opnamenr. 0608 – 0609
Om 1718         Mandatum van de inwoners van Heijen, die de afgraving of ontginning van heidegrand verlangen. Het verzoekschrift is ondertekend door Hendrick Vermasen, Jan Jacobs, Kerst Bussman als armen meester van dat armenhuysken, Hendericke Hansen, en de individuele handmerken van de volgende families Jacob Wilms, Jan Peters Verhasselt, Jan Gijtmans, Anthon Janssen, Jan den Hardts, Jan Wilms, Jan Arndts en Berndt Theusen.

Ordn. 3  Opnamenr. 0610 – 0611    

Gesamtarchiv von Romberg, Haus Heyen, Akten, Nr. 10    Herrlichkeit Heyen V,9  Band 2
    
Ordn. 3  Opnamenr. 0612 – 0613
5 september / 18 october 1736     Brief van de onderdanigen dienaer F. P. Nabben, prior in Gaesdonck aan de heer van Heijen. Het klooster blijkt jaarlijks op Martini (11 november) een hoen en een thins groot, herkomende van den ingetrocken Hamsen Hoff tott Heijen tot 1735 betaald te hebben. Over de hoogte hiervan heeft het klooster, zonder resultaat, vaak gesproken met hr. Reiniers, pachter van de Heijense goederen. Het klooster betaalt namelijk ook al aan Huis Heijen jaarlijks 1 malder garst 1,5 spint rogh en 2 hoenre.

Ordn. 3  Opnamenr. 0614 – 0615
11 december 1736     Antwoord vanuit Buldern aan de prior van de Gaesdonck met compensatie aangaande bovenstaande aangelegenheid.

Ordn. 3  Opnamenr. 0616 – 0617
Gesamtarchiv von Romberg, Haus Heyen, Akten, Nr. 9    Herrlichkeit Heyen V,9  Band 1

Ordn. 3  Opnamenr. 0618
Driesberg, 15 maart 1719         Accoord over een te bouwen steenoven, aangegaan tussen de vrijheer van Driesberg, Kessel en Mook met meester Peeter Lusie, die woonachtig is in de stad Kleef. De capaciteit zal ongeveer 100.000 steen zijn. De tieglar zal zelf voor het leem zorg en er voor oppassen dat er geen sandt tussen de leem word gearbeijt. Op halven Aprill desen jahrs 1719 sall den arbeijt aengevangen worden.  De kwaliteit zal drie gebrande tegen eehne bleecke moeten bedragen en deze sullen in de haegen getelt worden en als den steenoven gar is, sall denselve door onpartidige maetzlers gevisitiert worden. Voor ieder duizend steen zal meester Peeter Lusie vief gulden tien stuver Clefhs geteld worden. Hiervan zullen ook de koolen, door de schipper geleverd, betaald worden.

Ordn. 3  Opnamenr. 0619
Gennep, 18 juli 1733            Afkondiging, uitgevaardigd en ondertekend door Gerh. Leurs,     aan alle schapenhouders dat het niemand is toegestaan schapen de drijven of te laten weiden op de velden, zolang daar de tienden van het koren nog niet zijn opgehaald. Ook moeten de gasten en gerffen niet door elkaar of heen en weer of het onderste boven setten,  maar netjes op reijen gezet worden, zodat deze naar behoren vertheijnt kunnen worden op straffe van twee goudgulden.

Ordn. 3  Opnamenrs. 0620-0647
Cleve, 10 juli 1734        Brief aan de landsheer, de Pruisische koning van de General Ober Finantz Kriegs- und Domainen-Directorio ingevolge een schrijven van de Kriegs- und Domainen-Cammer van 2 november 1733 aan de Freiherr von Diepenbroick zu Buldern over het afgraven en in cultuur brengen van enige gronden van der Heijensche heijden, waarom inwoners verzocht hebben. De rentmeester Leurs te Goch en Gennep wordt hiermede bevolen enige heideland van de domeingronden (van Brandenburg/Pruisen) in Heijen voor dit doel uit te geven en de uitgifte en verpachtingen goed te administreren. Er is sprake van 76 Hollandse morgen waaruit jaarlijks 113 malder en een half spint rogge als tijnsvergoeding betaald moeten worden en de novaaltiende daarvan komen aan genoemde Cammer en de jaarlijkse verplichtingen aan de heer van Heijen en de Heijense leenheer, de grafen Van den Bergh, als heren van Boxmeer .

Ordn. 3  Opnamenr. 0648
Rombergsch. Archiv (Dep), Herrlichkeit Heyen, Akten V, Nr. 8    

Ordn. 3  Opnamenrs. 0649-0650
Wezel, 22 december 1649        Brief aan Johan Gijsbert von Vittinghoff genandt Schele, here zu Heijen, over een accoord dat destijd in 1560 te Kleef gesloten is over de hoeveelheid hand- en spandiensten, die de Heijense inwoners aan hun lokale heer verschuldigd zijn, en wel ieder jaarlijks zes dagen met hand- of paarddiensten.

Ordn. 3  Opnamenrs. 0651-0652
Wezel, 24 november 1649 + Schelenberg, 3 december 1649        Brief van Gisbert Johan vom Vitinghoff gnandt Schell zum Schelenberg, Ripshorst (?) und Heijen, Erb- und Gerichtsherr aan Friderich Wilhelm, de keurvorst van Brandenburg in Kleef inzake de weigerachtigheid van het nakomen door die van Heijen, van hun hand- en spandiensten voor de heer en het kasteel van Heijen, zoals dat eeuwen lang gebeurde.

Ordn. 3  Opnamenrs. 0653-0654
Circa 1649        Aan Friderich Wilhelm, keurvorst van Brandenburg in Kleef over een klacht tegen de heer van Heijen over einheijmische- en ausheijmisch diensten. Berichten daarover komen van het gericht te Heijen, van de schepenen van Gennep en van de schout Johan Deusingh. Om de inwoners te dwingen heeft de heer van Heijen een vette koe uit een weiland in beslag en pandschap genomen, waartegen Ditterich Robben hierbij in verweer gaat.

Ordn. 3  Opnamenrs. 0655-0656
11 september 1677        Gerechtelijke brief aan Const. de Mentrop,  afkomstig van Johan Deusing, Richter der Herligkeit und Gerichtsbanck Heijen over den Heijenschen diensten. Berthina Elisabeth von Vittinghoff gnt. Schell, Gerichtsfrawlein verschijnt voor de Heijense schepenbank i.v.m. oudere afspraken over de herendiensten uit 1650.

Ordn. 3  Opnamenrs. 0657-0658
1401        Copia uut den leenboeck, teruggaande op de leenverheffing van 1401 door Henrick Spaenrebock aan Jan, heer tot Boxmer en Spalbeeck met die heerlickheit van Heijden.
1497        Margriet, Vrow tot Boxmer ende tot Haeps,beleent Henrick Spaenreboeck, Hendrikszoon, met die herlickheijdt van Heijden, etc.
1526        Via Casper van Steijn, drost en stadhouder van de lenen tot den huyse und herlickheit van Boxmer uit naam van jonker Philips graaf van Vernenborgh en Nuwenaer, heer tot Saffenborch en tot Boxmer wordt Henrick Spaenerboeck die Jonge beleend met de heerlijkheid Heijen.
23 febr. 1540    De Boxmeerse stadhouder Everhart van Haeren beleent kort na het overlijden van Henrick Spaenreboeck zijn broeder Arnt met de heerlijkheid Heijen.
    22 april 1542    Daadwerkelijke belening, als onder 1540 vermeld.

Ordn. 3  Opnamenrs. 0659-0661
Gesamtarchiv von Romberg (Dep), Haus Heyen, Nr. 4    +      von Rombergsches Archiv, Herrlichkeit Heyen – Akten V, Nr. 2, Band 1

Ordn. 3  Opnamenrs. 0662-0663
4 april 1551            Ein kundschoip van wege der Jagt, van Evert Ducker. De schepenen van de stad Gennep, met name Henrick van den Bongart en Thonis van de Lynden, getuigen op verzoek van Arnt van Spanrebuyck, eyn heer tot Heien, dat Evert Duycker van Nijmegen voor de schepenbank gedaagd is. Dit is gebeurd vanwege zijn kennis over de overleden vader Henrick Spanrebuck inzake de Jaichten in der heerlickheit van Heiden met honden wynden end garn. Hij verklaart met de vader van Arnt in Heijen op deze wijze gejacht te hebben.

Ordn. 3  Opnamenrs. 0664-0665
4 febr. 1559            Verkoopakte aan deels Arndt Spanrebock, heer tho Heyen en deels Johan Lesier van de bouwhoeve opgen Loicht met bijbehorend bouw-, wei- en hooiland met getymmer in den gericht Gennep und Heyen gelegen. Uitgezonderd dat boulandt aen Muxkens Bergh en Jaspers Camp. Ider mergen te meten op anderhalfft hundert roeyen, die royen sestien voit. Als getuige voor A. Spanrebock treedt de Heijense pastoor op Alard Michels.

Ordn. 3  Opnamenrs. 0666-0667
29 juni 1563            De schepenen van Heijen en Afferden geven een verklaring uit in verband met in beslag genomen schapen, die bij het grazen de heerlijkheidsgrens  van Heijen overschreden hadden. De heer van Blienbeck/Afferden was ter plaatse geweest bij den heyngel boum en op de scheidingsheuvels en richting Hommersum genoempt de brugvort.

Ordn. 3  Opnamenr. 0668-0669
18 april 156???        Arnt van Hasselt en Geryt Lauwerth en de gemene schepenen van Heijen verklaren, dat op verzoek van Arnt Spanrebock, eyn heer to Heyden, Johan Hermans in de schepenbank verschenen is. Deze getuigt voor ongeveer 50 jaar terug bij den Greeff gekomen te zijn, al waar hij gerechtelijk ondervraagd is of de Gennepse rentmeester problemen heeft ondervonden myt houwen of eykelen en op die alde Heess. Ook toen Christoffel van Wylich met het ambt Gennep beleend was, is onderzoek daarna gedaan o.a. over vercken up die eykelen te doen dryven. Johan kan zich niet herinneren, dat daar problemen met boeten over geweest zijn myt houwen, brant, tymmer holt und eykelen.

Ordn. 3  Opnamenr. 0670-0671
Heijen 30 juni 1563        Kopie verdrag over de grenzen tussen Heijen en Afferden. De schepenen van Afferden zijn naar Heijen gekomen. Ook is op bevel van de Kleefse hertog de schout van Gennep verschenen op de strijdige plaatsen, waar de pälinge platz aangegeven werd, evenals de plek van de Maas-veerovergang, den heijngel bom, de hövelen richting Hommersum.

Ordn. 3  Opnamenr. 0672-0674
21 juni1567            Bericht van Adriaan van den Bijlandt, heer van Well en Bergen, tevens ambtman te Gennep, die op verzoek van de hertog van Kleef, tot actie gekomen is in Heijen wegens den wegh na der Lancker, den wegh ain den Ortsberg, den gemeine Feldtwegh, den  Molen wegh, dat plecksken genoimpt die Pessen, den willigen … langs den Meer, die underhaldubgh des sweens (bijenzwermen?) e.d.

Ordn. 3  Opnamenr. 0675
25 mrt.1589            Van een perkament met groene waszegel door de landschrijver  overgeschreven het volgende bericht aangaande Jan Verhaegh, Jan Brouwer en de andere schepenen van Boxmeer over de opgeroepen Peter Funck, scholtus der vrij heerlickheyt Boxmeer. De oproep geschiedt in naam van Vrouwe Maria, geboorne gravinne zu Nassau, Catzennelleboge, gravinne zu den Bergh, frij vrouwe zu Boxmeer, Bylant etc. Peter funck heeft Peter Boll van Heijden (ongefaerlyck seventigh jaeren oud) laten arresteren die --bij weigering een boete van 25 goudgulden oploopt-- een verklaring moet afleggen of zijn kennis als boortige van Heijen, dat die voorige Heeren van Heijden in den tyt des vredens boven die Beeck tot Heijden gelegen oijt gevischt ofte eenie gereghtigheyt daerboven tho visschen gehadt…. en of Ott Drubbel ende Pouwel Crouwers zaliger die visscherije in der Mase hadden en daar altijd zonder boeten en/of opmerkingen ongestoord gevist hadden boven die beek en of ijmant anders soo van Genp als Heijden buiten Ott en Pouwel naest den Meerschen weerdt gevist hadden. Peter verklaart, dat die greeff van Heyen voor desen gewest, genaempt Arent van Spannerbroock die Visscherije wes aen der Beeck thoe niet bekroent heeft, dus ongestraft heeft gelaten.

Ordn. 3  Opnamenr. 0676 - 0678
1593 + 19 octr. 1647            Huisvestingslijst van inwoners te Heijen, en wel Die Huijsingen, die mij Arnold van Veltum van Ao. 1593, dat mijn vaeder saliger overleeden ende ick tijtelijck onschuldich Custer geweest, gestaen hebben in de Heerlyckheijt Heijen.
Er worden bijna 50 families vernoemd in de opsomming van 1593 van Arnold (van) Veltum met de gewijzigde inwoners in 1647 door Adolphe Veltum als tijtelijcken Custer tot Heijen in ‘t 1647, den 19 octobris.

Ordn. 3  Opnamenr. 0679 - 0685
1612 - 1614                Gerechtelijke uitspraak (diverse Latijnse teksten) na twisten en procederen over Genneper Loe, Yshouelsche Land en Alter Knipping, heer te Heijen met verwijzing naar oude rechten uit 1541,

Ordn. 3  Opnamenr. 0686 - 0695
16 december 1614         Vervolg van voorgaande rechtzaak. Juridische stukken.

Ordn. 3  Opnamenr. 0696 - 0700
2 juni1615              Verder vervolg van voorgaande rechtzaak van Genper Lohe. Juridische stukken.

Ordn. 3  Opnamenr. 0701 - 0703
23 juli1616              Schouw of inspectie van de straten en wilgen te Heijen. Er worden diverse onderhoudsovertredingen geconstateerd en boeten zogenaamde bruecken opgelegd. Dit treft onder meer aanwonenden van die Lanckersche strath. De boeten worden aangezegd door Johan van Bax, scholtus des Amptz Gennep und Herlicheit Heijen.

Ordn. 3  Opnamenr. 0704 - 0705
Omstreeks1616          Verpachting bij opbod van grondstukken onder Heijen te weten: - op die Laeck achter die hey aan Gerrit Claessen en borgstelling door Hermen van Cuick
- boven die Meer neeven het Kerkelandt
- op die Laeck schietende op Nielessen Papelier
- den Hesenbosch
- den hoeck an den Merpass
- een stuck in den Masenhoeck
- dat stuck vor den Bugense werdt
- den Nijenkamp
- den Pol
- die Roijdel
- 1 stuck an den Mulen wegh.


Ordn. 3  Opnamenr. 0706 – 0712
31 mei 1616  / Zahlung Martini (11/11)1617        In anno 1616 den lesten Meij hebbe ich (heer te Heijen) mijn baulandt angeteickent. Pacht zedell van der landerien, so ahn dem Hause Heyen gehörig, zoals op het hoogveld die Hoeppekamp, den Kerckenkamp, den Royacker, an die Groette Heisse, den Herwers aicker, des pastoers landt, Ridders landt,der Meirpas, den Meirgaeffe, aen Maesoefferen, bei Noetzbergh, Bisenbusch, op die Laeck, den Massenhuek, den Selick, den Neuen kamp, den Poll, die Rode dell.

Ordn. 3  Opnamenr. 0713 – 0724
October 1617            Die Maritte (?) oder die morgenthallen der baulandt (zum Hause Heyden gehörig) aan Alter Knippinck, heer zu Heijen und drost in der Liemers: te weten: den Hoppenkamp (waar der schaepstall und die Hopp gestaan hebben); dat Nij Erff, in Genniper veldt ende Heijens veldt, daer den Druuiper wech durg gaet, dat Wortelen Landt, die Alte Hoffstatt, op dat Lochte veldt, dat Krum landt, die Roede Dell, den Poll, Ligt, enz.
Er worden ongeveer 50 pachters en grondgebruikiers (op naam, elf pagina’s) weergegeven met bijbehorende landstukken (vaak met veldnaam) en opgave van grootte: totaal 107,5 morgen en 22 roeden.

Ordn. 3  Opnamenr. 0725 – 0729
27 October 1619            Vastlegging voor der Gemeint vann Heyenn met voorkennis van de edele Alterenn Knippinck, ein Herr zu Heyen, Drost zu Zevenaer, Lymerse und Emerich, landtfürstlichen Commissarien van de keurvorst van Brandenburg in Kleef betreffende de verkoopcondities van ettelicher parcelen unnd blocken heylandt op der Luntacker(?) in dalers en goede winterrogge als pacht. Het betreft 14 afgemeten blocken, die onder Heijen ontgonnen zijn of gaan worden. De opbrengst moet onder meer dienen tot behoeff en de onderhalt der scholen van de heerlijkheid Heijen. De afpalingen liggen onder meer tussen Jan Ebben en Tiess denn Bauwman, Herman van Cuik en Jacob Haven, Derick Rutten, Herman van Stay, Arenth Groenen, Peter Dielen, Ebb Stickers, die met een handmerk de regeling bevestigen.

Ordn. 3  Opnamenr. 0730 – 0735
15 mei 1619             Ondervraging en vastlegging door landschrijver Claessens van een schepenbankverhoor door Peter Claess, Aeb Wijntkens en Jan van Broickum en de gemene schepenen van Beugen in den Overampte van den Lande van Cuijck, competerende aan de prins van Oranje. In de bank zijn moeten verschijnen Willem Zaerts (?) aen gen Mher, inwoner van Beugen en zijn gearresteerde broer Claess Zaerts (?) aen gen Mher, schepen van de hoofdbank van Cuijk en dat op verzoek van Alter Knippinck, heer van Heijden en ambtman in de Liemers. Zij verklaren beiden te Heijen geboren te zijn en daar schapen te hebben gehoed en dat in de tijd, toen Arnt Spannerbock te Heyden bij de belegering van kasteel Boxmeer betrokken was en daarbij om het leven is gekomen.
Uit de ondervraging blijkt verder dat er in Heijen een Clein Blaten huisken (melaaatsenhuisje) heeft gestaan, waarin een Zaerntken (?) en daarna Peter Donderbier woonden.

Ordn. 3  Opnamenr. 0736 – 0738
17 maart 1620         De heer van Heijen, Alter Knippink als verpachter heeft, na voorbereidend werk van Helmich van Schewick tot Driesberg, aan Herman van der Stay en Ebb Stijckers het weiland den Wittensteen voor drie aaneenvolgende jaren verpacht voor 160 daler, jaarlijks tegen 11 november te voldoen. Getuige is Wolter Thuijss, pastoor tot Heijen en Jan van Fernen (?), rentmeester.

Ordn. 3  Opnamenr. 0739 – 0747
23 augustus 1628        Verpachtingen mit uitbrenneder kerzten  van enkele bouwlanderijen van kasteel Heijen door Ebbe Stickers in naam van Ghalandt, weduwe van Boenen, geboren von Knippinck, frow tot Heijden und Oeverfelt tegen een pachtvergoeding met hogen / opslag in rogh oder garst, goedt klaar koepmans goedt, Gennipsche maten aan dat huis Heijen te leveren. De pachter draagt zorg voor adequate borgen en voor armengeld. Het derde deel van de pacht zal aan de pachter blijven en dat gedurende drie jaar, eindigend in 1631, het gepachte veld stoppelbloot te verlaten!

Ordn. 3  Opnamenr. 0748 – 0750
2 maart 1628        Verpachtinglijst van het kasteel te Heijen, pachters en borgstellingen.

Ordn. 3  Opnamenr. 0751 - 0753
27 april 1633        Morgentaallijst in de heerlijkheid Heijen. Perceelgrootte met gebruiker.

Ordn. 3  Opnamenr. 0754
Heijen, Februari 1635        Peter Vermasen en Lambert Sgreven, respectievelijk schepenen en gerichtslieden van Heijen bevestigen dat voor hen Arnt van Castelen ende Jan Bantz met een verklaring verschenen is. Zij hebben gezien, dat toen dat Criessfolck van de Prince van Orannyen en dat leger te Moock, Middelaer ende Ottersum laagh in die Roijdel, dat toen Jan van Langen een stuk land van huize Heijen aangepacht heeft en nog een stuk an den Muelen.

Ordn. 3  Opnamenr. 0755
Heijen, 13 april 1643        Brief van Agnes Margaretha von Bo(e)nen vanwege de verpachting aan Ludwigh Bender van den grossen Wittenstein voor 120 Reichsthaler en de Böchischen (Beugens) Wertt voor 100 gulden Kleefs.

Ordn. 3  Opnamenrs. 0756-0759
19 april 1645            Lijst van de verpachting bij opbod van weilanden onder Heijen, zoals der grosse Schmalert (21,5 morgen), der kleine Schmalert (6,5 morgen), der Hoeck (ongeveer 8 morgen), den Lanckersche werth (5,5 morgen), der grosse Schör (10 morgen), das düstere Cämpges (4,5 morgen), zweij Cämp (o.a. die Loeff 7 morgen), den Bornacker (4 morgen), das schmale Cämpgen (2 morgen), der Elsencampf ( 6 morgen), die Papenlier (14 morgen), der Driess(ca. 3 morgen), der hohe Polacker (4 morgen), der Neude Camp (4 morgen) en das Pölleken (3 morgen).

Ordn. 3  Opnamenrs. 0760-0768
2 mei1648        Gerechtlijke verpachting met 14 voorwaardelijke condities,  zoals de heer van Heijen dat wenst voor de volgende landstukken: Der gross Schmalert, der kleine Schmalert, der Houck, das Treckgras,  Lanckerse werth, grosse Hogehoy, das Düsterkämpges, zweij Kämpe auf die Locht, Grosser Wittenstein, Kleiner Wittenstein, die Wierstoel (?), den Bornacker, Elsenkamp, hoge Pollacker, lege Pollacker, Beil,  Gijsenbuss, Bögensche werth, Papenlier, Schmale Kämpges, der Kuhkamp, Hünshorst.

Ordn. 3  Opnamenrs. 0769-0778
20 augustus 1649         een soortgelijke lijst.

Ordn. 3  Opnamenrs. 0779-0781
27 maart 1650         Brief van Dederick Schenk van Nijdeggen, heer van Afferden, Blijenbeek en Grubbenvorst aan de schout van Heijen, Offell (Oeffelt), Moldyck (Mook) ende Kessel (a.d.Niers) over heibel dat in het rechtsgebied van Heijen is ontstaan tussen een burger uit Goch en eenen knecht van de Abdissin tot Nienclooster, die kolen afhaalden (van de Maas),    en den Boede off Schutter van Heijen.
De gemelde personen zijn er toen met hun karren en paarden vandoor gegaan en zijn gevlucht tot op het grondgebied van mijn (Afferdense) rchtsgebied, alwaar sij hunne perden hebben uijtgespannen ende de karren met de koolen aldaer hebben laten staan. De inwoners van Heijen hebben zich voorts over de lading en karren ontfermd en de karren van het Afferdense gebied naar Heijen genomen. Dat kan de heer van Afferden echter niet tolereren. Deze staat erop dat de karren weer naar de plek, waar ze weggenomen zijn, worden teruggebracht en de daders worden gestraft.

Ordn. 3  Opnamenr. 0782
15 febr. 1654         Verpachting voor weer een tijdsduur van drie jaar van landerijen onder Heijen und schar umb doe helfte zu Haien und zu baw verthan. Zodra dei landreijen stoppelbloot sein, zal in 1657 de nieuw pachtperiode beginnen. Het gaat in totaal om ruim 20 morgen. De verpachting wordt geregeld door Jan Bossen.

Ordn. 3  Opnamenrs. 0783-0786
1654/1656 /1657        Nadere uitwerking in detail van voorgaande verpachtingsregeling met de pachtbedragen en de namen van de pachters, zoals de scholtis of schout, Jacob Renirs, Jan van Lotten, Jacob Bomans, Rasfelt (=Verrasselt?), Rodert, die Frau v. nuwecloster (=Grevendaal), Peter Hack, Ian Jaspers. De weilanden, die zum Huse Heien horen, worden met namen genoemd.    De rentmeester noteert de pachtontvangsten van 1656 en 1657.

Ordn. 3  Opnamenrs. 0787-0790
Ca. 1560        Op aandringen van de Kleefse regering moet Arnt Spanrebock van Heijen aan de drost van Gennep een aantal kopie-documenten leveren, genomen uit het legerboeck. Te beginnen met een bericht van het huyss thoe Boxsmer myt bewijss besiegelder bryeven dar men clarliche in befyndt voer onss geseten Rychters van beyder heren wegen (namelijk Kleef en Boxmeer)     inzake gevangen mysdedigers und wrevellmoedigen….. inzake Schatzcedelen und die schatzbuecken (belasting) van der gantzer halver hoecheijtt van gerycht, schattonge, dyenst gebott und verboth die altijd in de kerk van Heijen van wegen beyder heren verkondigd zijn … myt allen van Heyen, Mer (Boxmeer) und oick van Gennyp, want dar altijtt twee scholtyss, twe gerichtzbaden gewest syn… die (schepen)banck gespannen van beyder wegen, broecken (boetes),  alle tytt halff und halff tho stendig gewest. Verder wordt de klokkenslag behandeld (oproep tot militaire bijstand), pijnbankstraffen, de jachtregeling en de visrechten.

Ordn. 3  Opnamenr. 0791
Gesamtarchiv von Romberg (Dep), Haus Heyen, Akten Nr. karton 17

Ordn. 3  Opnamenr. 0792
Rombergsch. Archiv (Dep.), Herrlichkeit Heyen, Akten V, nr. 11 A3 Band 1

Ordn. 3  Opnamenrs. 0793-0794
1640        De Heijense schepenen Lambert Sgreven en Teuss Eebben, ondertekend door Adolphus Veltum, verklaren dat de vrouwe van Heijen enige schapen ongeveer 9 jaar lang bij Ebbe Sticker gehad heeft, ook in de Kroatentijd  (1635/1636) , toen in de schaapskooi (de kai) voor het huis Heijen keizerlijke en Spaanse troepen gelegerd lagen en schapen gestolen zijn.

Ordn. 3  Opnamenr. 0795
24 maart 1635        Kopie, waarin staat dat de rentmeester van Heijen, Ebbe Stickers, optreedt voor Arnold Henrich von Nivenehm (Nievenheim) te Driesberg als vormünder (voogd) van de erfgenamen von Boenen zum Oberfelde undt Georgh Bruickhuiss gevolmachigde van de heer te Heijen Diederich von undt zu der Wrenge wegens zijn achtjarige bediening met ontvangsten en uitgaven over de jaren 1627 tot 1634.

Ordn. 3  Opnamenrs. 0796-0797
1635-1647        Geldvordering vanwege leningen door het cloister tot Venraeij ende Jan van Cuijck aan het kasteel van Heijen met betaalde renten.

Ordn. 3  Opnamenrs. 0798-0801
17 en 18 januari 1581        In januari heeft Frerick Knip de weilanden (den Barnacker, den Paelacker. Den overste Smaellert, den Middelpass up die Leygraeff, den düisterkamp, den wittensteyn up die Maess) zijnde 22 morgen in de Gennepse maat en het bouwland (een zaell up die Hoege, up die Velu, den Paelacker e.v.), als ook het land up de Mergraff, upt Nervelt, upt Cranne (?) velt gemeten die jonker Geratt van Erpray en Jacop van Krykenbeck verkocht hebben aan den erentfesten und fromen Henrick van Eykell, her tot Heyen. De opgaaf is bedoeld voor de Kleefse landrentmeester.

Ordn. 3  Opnamenrs. 0802-0803
28 juni 1588        Wegens het sterven van de huisvrouw van Johan Spaenrebueck van Heijen moet, naar onlangs van Peter Bluemkens vernomen, de roggepacht te Vierlinxbeck in den lande van Cuick als lijfsgewingoed weer verkregen worden door zogenoemde handwinning, en wel bij Reinier van Boickholt, rentmeester van de Spaanse koning te Grave.

Ordn. 3  Opnamenrs. 0804-0807
1 augustus 1589    Alter Knippinck en zijn gemalin Elijsabeth Spaennerbruick, heer unde frouw tot Heijen, leggen vast, dat zij geld ter leen ontvangen te hebben in de vorm van een obligatie, en wel 500 Brabantse guldens van jouffrouw Henrica van Ka(e)tz, elke gulden ter waarde van 20 stuiver en elke stuiver ein unde twintich heller. De jaarlijkse rente hiervoor bedraagt 11 malder roggen en een schepel, komende als onderpand van een landgoed gelegen in den hoeiff ende gude an gen Hoevell, wesende ein leengoed van de hertog van Kleef of indien dat problemen met Diderichen van Eijckell uit een ander aan te wijzen onderpand in de heerlijkheid Heijen. Aflossing van de schuld moet een kwartaal van te voren aangekondigd worden. Als getuige en tot meerdere zekerheid wordt vermeld: jouffrouw Francisca Spannerbock, weduwe van Till, unsser freundliche liebe suster. Ondertekening door Alter Knippinck, her zu Heien, en Elijsabeth Spannerbruck genandt Knippinck, als ook Frans van Spannerbuick, wedwe van Tiel.

Ordn. 3  Opnamenrs. 0808-0811
1 augustus 1589        Kopie, geschreven met een andere hand, van voorgaande akte. Hieruit blijkt dat deze Pfandtverschreibung wieder eingelöst is op 7 october 1650.

Ordn. 3  Opnamenrs. 0812-0830
6 januari 1592        Zins Register van Heijen met betalingsgegevens van de inwoners vanwege de huisplaats, moestuin en ander grondgebruik in de vorm van geld, hoenre, varkens, rogge, kapoenen, e.d.

Ordn. 3  Opnamenrs. 0831-0837
1615        Lijsten met tijnsbetalingsgegevens van Heijense inwoners

Ordn. 3  Opnamenrs. 0838-0840
9 mei 1608        Kommerslach of onenigheid tussen den heer van Blitterswick und dem heer van Heijen, waarna overleg wordt gevoerd, gesproken en uitgaven van verteringen gedaan worden. Er is sprake van gerichts kost meijster Ardt van Beeck, waarbij nog eens een kan wordt gedroncken. Noch den heer van Heijen en Meijster vertert 17 stuiver, doen den heer van Heijen van Blitterswick quaem. Noch den 20 september dem heer van Heijen mit Marten Schenck und Meijster Ardt undt voer ettelicke schepen tho samen vertert vijf gulden. Voorts uitgaven voor de heer van Oeijen ….. voor den scholtis van Grobbevorst (Grubbenvorst) … noch meijster Ardt verteert op den 30e november 8 stuivers doen hij van Sevenheijm (Sevenum) quam en van Geldern e.d..

Ordn. 3  Opnamenrs. 0841-0843
1 december 1625        Herman van den Stay en Jan Booss Linssen schepen en de overige gemene schepenen der heirlicheit Heijen verklaren dat jouffrouw Galant Knippinck, weduwe van wijlen Georg Boenen, vrouwe tot Heijen en Overfeldt, bekent uit handen van de conventualen des Reguliere Cloostere tot Venraij genant Jerusalem de som van 500 gulden Brabants en van de heer Joannes Goch, pastoor tot Aefferden, ook 500 gulden Brabants ontvangen te hebben, waarmee Galant zekere erfpachten en renten in- of afgelost heeft, die haer beminde voeralderen bij groote schade des brants und andere voor eenen gelimpelicken und geringen penningen verhipotizeirt und versat hadden.

Ordn. 3  Opnamenr. 0844
1 december 1625 / 1677    Bovengenoemde obligatie des closters Venraij, genandt Jerusalem ist widere ein gelosset mit 366.5 Rh. Thaler, 10 Stüver. Ao. 1677.

Ordn. 3  Opnamenrs. 0845-0849
24 februari 1628        Dit is een getuigenverhoor voor de schepenbank van de heerlijkheid Heijen en voor de beide scholtissen van unseren beyde heeren (Kleef/Boxmeer) betreffende de tijnsen uit het Sürmündts gouht (Suermonts goed), dat in 1628 in bezit is van Huis Hamm. Getuigen zijn Jan Boss Linssen (ongeveer 80 jaar oud) en Hermen van de Stay (ongeferlich seventich yaren aldt the syn), unsere mytschepenen.  De akte is beschadigd. Er worden elf vragen voorgelegd en beantwoord over voornoemde hof, die ook Wilichen (=Wylick) bouwhoff wordt genoemd.

Ordn. 3  Opnamenrs. 0850-0871
1628 - 1633        Gedetailleerde rekening van de rentmeester te Heijen: Ebben Stickers vanwege betaalde pencioenen (renten), brieven van Xanten, leien, nagels, bodegeld, teergeld, maakloon, spelden, het maken van sleutels, armen, landmeterkosten, scholmeister-kosten, het zaaien van eikels, klokmakerskosten, was(kaars)kosten, predikantkosten, dorskosten en bier. pannenbakkosten e.d.

Ordn. 3  Opnamenrs. 0872-0879
1634         Lijsten van gedetailleerde uitgaven, als hierboven vermeld.

Ordn. 3  Opnamenr. 0880
24 maart 1635        Ontvangsten overzicht van Huis Heijen van de jaren 1627-1634
    
Ordn. 3  Opnamenrs. 0881-0884
11 augustus 1634        Gedetailleerde inventaris, Inventarium d’mobilien, van wat zich op de zaal van het kasteel Heijen bevindt, en wel in de eerste kist, op de rentmeestersslaapkamer in de 2e, 3e en 4e kist, waarin bezegelde brieven, de 5e kist op der grossen Camere, in de 6e kist veel linnengoed, beddelakens e.d., opgemaakt door Georgh Brockhaussen.

Ordn. 3  Opnamenr. 0885
Gesamtarchiv von Romberg (Dep), Haus Heyen, Akten Nr. karton 16
        
Ordn. 3  Opnamenr. 0886
Rombergsch. Archiv (Dep.), Herrlichkeit Heyen, Akjten V, nr. 11 A 2

Ordn. 3  Opnamenrs. 0887-0888
St. Lucasdach, 18 oktober 1547            Akte, opgemaakt en ondertekend door de scholtis Mathijs Haghen te Venlo, inzake aangekocht landgoed onder Heijen gelegen van de familie Reyner van Holthuysen te Heijen door Arnt Spanrebock te Heijen. Reyner had dit goed versat aan Gaedert Torck, ambtman tot Goch, gelyck dat goet leenruerich is an den vorsten van Cleve en aen Gaedert Turck voer 700 golt gulden. Arnt zal gehouden zijn aan het in phasen betalen, te beginnen binnen een half jaar

Ordn. 3  Opnamenrs. 0889-0891
1574        Arnt Spaenrebock en Galanth van Mevarth, heer en vrouw van Heijen, verklaren aan goede gangbare gouden en zilveren payment van Reinner Hoen 2.000 Brabantse guldens baar ontvangen te hebben. Als onderpand stellen zij aan Reinner twee weilanden, geheten den Smal bei die Mersche werdt en den Paelacker aen dat Aefferdensche veldt. Beide wei- en hooilanden zijn leenroerige goederen van de leenheer Willem, graaf van den Bergh, heer tho Boxmer met zijn medeweten d.d. 27 october 1574 in onderpand gegeven tot zekerheid van terugbetaling. Reinner mag deze weilanden tot de aflossing gebruiken en de heggen en willigen niet beschadigen.

Ordn. 3  Opnamenrs. 0892-0893
26 juni 1582        Kopie    ---    Johan Michiels en Gerrit Claissen, schepen te Heijen, getuigen voor de gemeine schepen tot Heijen en unseren Scholtis Otten Ruijter verschenen is Alter Knippinck en Elisabeth Spannerbroeck, heer en vrouw tot Heyden, en haar momber (voogd) vanwege een geleende geldsom (200 daler) van Christoffel van Wylick en Johanna van Palant, heer en vrouwe van Gronstein, Grubbenvorst en Lottum. Tot zekerheid wordt een weiland, den Boenacker van ongeveer 4 of 5 morgen, tot onderpand gegeven.
Noot: Bij het overschrijven van de oorspronkelijke akte was onderstaande transfix-brief gehecht.

Ordn. 3  Opnamenrs. 0893-0895
19 december 1595        Transfix    ---    Wij Gerrit Claessen Herman van Kuyck, schepen, en de gemene schepenen van Heijen doen kond dat voor fuer beyde de heer Scholtis en genoemde schepenbank Jaspar Lueffs verschenen is met een volmachtbrief in dato Conceptionis Mariae (8 december1595), waarin Johan Christoffel van Wylick en Anna, geboren van Wyckraet, verklaren dat zij ihre Jasparen volkomen macht und gewalt gegeven hebben om in hun naam en voor hun rekening een lening van 200 daler aan de heer en vrouwe van Heijen te verstrekken.

Ordn. 3  Opnamenr. 0896
6 december 1633        Een soort kwitantie van betaalde renten over voornoemde lening van 200 daler, ondertekend door Gottfried Raath, Kleef.

Ordn. 3  Opnamenrs. 0897-0899
24 augustus 1593            Schuldverklaring van Alter Knippingk, Herr zu Heyen, dat hij aan Conrad Knippingk, commenthüre zu Heilpronn, meinem insonders freundlichen lieben Bruder een bedrag schuldig is en terugbetalen zal van 1900 gulden Brabants. Met dit bedrag heeft hij Alter in zijn hoge nood (zu meiner Notturfft… zu reparieren und wieder erbauwung meines Haus und Schloss Heyen) geholpen. Tot meer zekerheid aan zijn broer heeft Alter zijn leenheer Wilhelmem, graven zum Berghe in Boxmeer om borgstelling verzocht.

Ordn. 4 Opnamenrs. 0900-0903
6 augustus 1594        Wij, Johan Mijchiels en Theis van Hassell, schepenen en de gemeen schepenen van Heijen, getuigen dat voor hen Alther Knippinckh, herr tho Heyen, en sein liefden ehelige huisfrauw Elisabeit Spannerbocks met haar voogd verschenen is. Zij verschrijven met deze brief aan Adolf Heijsen en Lheoddart (?) Poilman als voogden van de nagelaten kinderen van de overleden ouders Johan Heijsen en Anna Poilmans, te weten Derich, Heiltgenn en Leonardt Heijsen, een jaarlijkse rente van 18 daler  (vanwege een kapitaal van 300 daler), in Gennep steeds op 11 november te betalen. Tot zekerheid en onderpand wordt een weijkamp genoempt den Wittenstein in der Herligkeit und Gericht Heijen gelegen gesteld.

Ordn. 4 Opnamenrs. 0904-0905
20 september 1597        Belangende Willem van Steinhuiss. Kopie-Obligatiebrief van Alter Knippink en zijn vrouw Elisabeth Spannerbock over een opgenomen kapitaal van 1000 gulden Brabants, hun geleend en verkregen van Wylhem van Stheenhuys en Joffer Maria van Ravenschoet, zijn echtgenote, tegen een jaarlijkse rente van zes procent. Een aflossing van een jaarlijks bedrag van 50 gulden is toegestaan.

Ordn. 4 Opnamenrs. 0906-0908
(1590) 3 mei 1607        In deze brief bevestigt Alter Knippingh, heer te Heijen, 1900 gulden Brabant in leen van zijn broer Conrad Knippingh, commandeur te Heilbron, in de vorm van een obligatie, verkregen te hebben. Daarnaast is nog 636 gulden in 1590 in Amsterdam opgenomen bij Peter Verhagen. De terugbetaling en renten schijnen niet correct betaald te worden. Vervolgens is Alberts broer Henrick Knippingh te Hackfort benaderd om een omvangrijke geldsom in Keulse muntwaarde, waarop een erfdeling, eines gehaltenen bruderlichen magescheid, gevolgd is.

Ordn. 4 Opnamenrs. 0909-0911
1 mei 1607        In deze brief van Alter Knipping, Heer te Heijen, spreekt hij over een in 1593 voorgestrekt bedrag van 1.000 gulden Brabants door Conradt Knippingh, commandeur te Heilbronn en in 1595 te Amsterdam van Peter Verhagen opgenomen bedrag van 636 gulden en van zijn broer Henrich Knippingh te Hackfort een hoofdbedrag van 3500 daler Keuls en 2.500. Deze bedragen zullen verrekend worden bij de erfdeling.

Ordn. 4 Opnamenrs. 0912-0915
21 januari 1613        De Heijense pastoor Wolterus Tutius wil met toestemming van de patroonheer, des heeren van Blienbeck als Collatuer und giffter der pastorien alhir als ook van Alter Knippingh, heer te Heijen, en de naburen van Heijen, de Masenhoecksche tyndt voor de tijdsduur van 10 jaar tegen bepaalde condities en bij opbod verpachten mit daleren, den daler ad dartich stuver en den stuyver ad einentwintich heller in goede, harde zilveren of gouden munten, zoals in de tijd van betaling binnen Genp ganckbaer und geeffbaer wesen sall. De nieuwe tiendpachter zal steeds twee gloeffwerdige burgen tho stellen  hebben voer die beloeffte pachtpenningen. Mocht er enige missgewass ader verderffeniss bynnen de tyt  van de verpachte tiend vallen, dan zullen de gevolgen daarvan steeds aan het Heijense gericht gemeld worden. Mocht de pastoor tussentijds overlijden, dat zal de tiendafdracht aan zijn opvolger door de pachter verplicht blijven tot het jaar 1622 op Martini (11 november) offte stoppelbloett wederumb verlaten in 1622. De beloofde pachtpenningen zullen jaarlijks in 2 termijnen op 2 februari (Lichtmis) en 24 juni (Johan de Doperfeestdag) voldaan worden ahn handen dess constituanten, so der heer tho Heyden, schepenen, kerckmeysteren mit den Pastoren …. tot optymmerunghh des wedemhoffs (pastorie). Bleef iemand achterstallig met de tiendbetaling, dan zal hij aangeklaagd en vervolgd worden. Zou bij het pachtopbieden het bod te laag blijven, zal het de pastoor vrij staen dat perck wederumb up tho trecken und ahn sich selber behalden, sonder enige onraeth (kosten) offte hueghselen daer van tho geven. De gewoonlijke onraetskosten bedragen ein halff thon biers of ein thon biers und vuer ynstellungs deser vuerwaerden und verpachtingh enen daler. De laatste slach wordt voor de pacht gegeven door Derick Rutten vuer verthien daller yder yaer und idem gehueght anderhalften daler und ein thon biers up die thien yaren. Tot borgen stelt Derick Rutten twee kapitaalkrachtige personen: Franck Drissen en Huybert Hoeben. Dit geschiedt voor de Heijense schepenen Gerardt Claessen en Hermen van de Staey, die beiden niet schrijven en lezen kunnen en waarbij Hermen een hooivork als huismerk voor ondertekening als syn merckt hanteert.

Ordn. 4 Opnamenrs. 0916-0918
11 november 1606        Het echtpaar Alter Knippingh en Elisabeth Spannerboeck bekennen met een obligatiebrief aan de echtelieden Jan Josten en Jenneken Martens 200 gulden in de Gennepscher wehrung schuldig te zijn tegen een rente van 6 procent, voor het eerst in 1607 te betalen.
Noot: Vermoedelijk in 1617 afgelost.

Ordn. 4 Opnamenrs. 0919-0920
1622/1623        Klein uittreksel uit een rekening of te wel Extract utter der Armen Gasthuijs. Restanten tot Genp ahn den heeren tho Heyden, Alter Knippingh, zijnde maandelijkse contributies en de inkomsten komende van die vicarie S. Nicolay the Heyden, opgetekend door Peter Loefs.

Ordn. 4 Opnamenr. 0921
Gennep, 1 mei  1634        Akte, gepasseerd voor de schepenen van de stad Gennep Peter van Aldenhaven en Willem Janssen en de scholtis van de stad en het ambt Gennep, vanwege een geldlening van 500 gulden Kleefs en waarbij de heer van Heijen betrokken is. De rentebetaling geschiedt door rentmeester Egbert Stickers. De akte wordt o.m. ondertekend door Conradine Knippinck.

Ordn. 4 Opnamenrs. 0922-0923
14 juli 1663 en 15 april 1659        De schepenen en naburen van de heerlijkheid Heijen hebben Aert ten Haef als scholmester aengenoemen. Enkele inkomsten worden hem voor zijn werkzaamheden toegewezen.
Het onderwijs sondachs van 2 ofte 3 ueren deed hij even wel niet uitvoeren. Ook waren er verschillende andere klachten over zijn functioneren. Er is beklag gedaan bij de vrouwe van Heijen, mede omdat aan de schoolruimte geknibbeld is om een winkelnering met drankverkoop te kunnen drijven. De kinderen hebben geen plaats meer en de dorpsgemeente wil dat hij uit de school vertrekt.

Ordn. 4 Opnamenr. 0924
23 maart 1663     Brief aangaande Vrouwe Agnes Margarethe van Boenen, weduwe van Vittinghoff genannt Schell zu Schellenberg en Heijen over rente.

Ordn. 4 Opnamenrs. 0925-0930
1664  - 1690            Opgaaf van achterstallige schulden, renten van geleend kapitaal, obligaties e.d., verdiend salaris aan dokter Huberti, aan notaris Johan Vethack, aan het convent Venray, meister Markes de Berdt, aan Georg Böennen, aan den vicarius zu Hassum, aan Llus Krefft von Bögen, ahn Steffen Kramers, aan den provisoren des Gasthauses zu Gennep, aan den Armen zu Hassum, den armen zu Goch, ein silberen lampet undt kümpgen. Als een volgende uitgave wordt uit 1687 gemeld de levering van 1,5 malder rogge aan  Arnolten Haeff, gewehsenen küster undt schülmeister zu Heijen.

Ordn. 4 Opnamenrs. 0931-0932
Buldern, 4 mei  1676            Brief, ondertekend door Bertina Elisabeth von Vittinghoff genant Schell von Schellenberg, fraulein der herligkeit Heijen, met consent van haar zuster Johannae Sophia over de heerlijkheid Heijen en de daartoe behorende goederen en een aan Johanna Maria toegewezen geldbedrag van 1200 Reichstaler tegen 5% rente.

Ordn. 4 Opnamenrs. 0933-0937
Buldern, 4 mei  1676        Doorgehaalde en afgeloste obligatiebrief van een kapitaal van 1200 Reichtaler, aangegaan tussen Bertine Elisabeth von Vittinghoff genant Schell en haar zuster Johanna Sophien von Vittinghoff genant Schell.

Ordn. 4 Opnamenrs. 0938-0941
Gennep, 4 februari 1707.    Wij, Johan van Bergsum der Rechten Licententie, koninklijk Pruisisch scholtis der stadt en Ambt Gennep, Richter der Heerlickheit Heijden, tezamen met Bern. Bossman en Andries Robben, schepenen van Heijen, is verschenen Derck Johan van Rhemen als gevolmachtigde van zijn huisvrouw Margaretha van der Moelen, in 1706 uitgeschreven te Nijmegen tot voldoeninge van eenige crediteuren, zoals controlleur Verhorst en heer Lewen, schepen tot Nijmegen, de heer Van den Berg en anderen, die verklaren ontvangen te hebben van de vrijheer Henrich Werner van Diepenbrock en zijn gemalin Engel Elisabeth van Vittinghoff genand Schell de som van 4.000 gulden    Hollands tegen 5% rente. Daarbij geldt weiland den Poll met uiterwaard tot onderpand, alsook een weiland dat vrij en allodiaal erff.

Ordn. 4 Opnamenrs. 0942-0944
1575            Wij, Arnt Spaenerbuck und Galant van Meverden, echtelieden, heer en vrouw to Heijden, bekennen van hun neef Derick van Schewick (en zijn vrouw Dorethea Hinnynck (?) te Driesberg een bedrag van 154 daler à 30 stuiver Brabants ontvangen te hebben, welckoir hundert daler wij unsen genedyge hern Grave Willem van den Berch, vrijheer tot Buxmeer up ten grote und kleynen Mersschen werdt en met de 54 daler hebben wij Fransse van der Borcht wt beveel unsen heren ypgemelt, den kleinen Mersschen werdt afgelost, gefrijdt und gequitirt und also weder van sijn Genade in pantschap ontfangen en daarop in gebruik gesteld van genoemde neef.

Ordn. 4 Opnamenrs. 0945-0948
1660-1661            Armenrekening van ontvangsten en uitgaven, opgesteld door Derrick Ebben, tijdtlicke Armenmeister tot Heijden mit mijn adiunct Bernt van Elsen. De ontvangst omvat o.m. twee gulden Kleefs van Tijs Peters van dat Armenlant en andere ontvangsten van Wolter Jansen, Derrick Ebben, Willem Janse, van Jacomine. De uitgaven geschieden vooral op instructie van de pastoor.  Ook de koster doet bier-uitgaven voor een blindenman en het begeleiden van deze naar Gennep, verder bestaan de uitgaven aan levering van koren en brood.

Ordn. 4 Opnamenr. 0949
Archief omslag verwijzend naar Gesamtarchiv von Romberg, Haus Heijen, Akten nr. 5

Ordn. 4 Opnamenrs. 0950-0957
1440 e.v.        Juridische status, discussie en verslag over de rechtmatige situatie van de Kleefse leengoederen des haves zur Heyde (Heijenscher hof, ook wel genoemd Hammscher Hof onder de heerlijkheid Heijen) und Busserhuysen (onder Ottersum, in het land van Gennep) en de opvolgende leenmannen.
Noot: Beide leengoederen worden in “die Lehnregister des Herzogtums Kleve” door E. Dösseler/F.W. Oediger onder de nummers 322 en 122 vernoemd.

Ordn. 4 Opnamenrs. 0958-0960
Ca. 1440        Brief van de prior/procurator van het convent Gaesdonck inzake eins hofes tho Heyde, Boxguet genant myt sijen zubehör. Enkele ettliche stücke, die in gemelt lehngut gehorigh zijn, blijken door de leenheer (Gaesdonck) verkocht aan Arnt Spanrebock, here thoe Heyde …. viefftien klein mergen, aan Mars Bögel, herr tho Oijen (?), ein kamp landz van tijen kleine mergen en aan Johan Verfört, schout van het land. De leenman of Lehntrager Melis van de Linde vinden wij ook vermeld.

Ordn. 4 Opnamenrs. 0960-0962
1 april 1440        Brief van met naam genoemde laten van Heijen over Herman van Honsselar en zijn vrouw Alheit, die van een boerenhoeve (Bocksgut geheiten) via verkoop afstand doen ten behoeve van het klooster Gaesdonck. Bezegeld door Henrick Spannerboick, heer te Heijen.

Ordn. 4 Opnamenrs. 0962-0963
22 juli 1440        Brief van Herman van Honselaer und vrouwe Aleidt Hermans, waarin zij verklaren dat de prior en het convent in der Gaesdonck de overeengekomen koopsom betaald hebben zoals zij die schuldig waren van de koop van den gude tot Heyden, Bocksgut geheiten.

Ordn. 4 Opnamenrs. 0963-0964
17 october 1440        Brief van Dirick Boick en jungfraw Gertruydt Diricks vorscreven wittige wyff, en Ardt Roeck en joffer Jutt Ardts vorscr. wyff ende suster Dijrick Boicks vurscreven bekennen met deze brief, dat zij afstand gedaan hebben voor de richter en laten van Heijen van den hoff tot Heyde gelegen, ….. geheiten Boicksgut en zo daar van aldes is gelegen…., soe die He(n?)rick Boicks toe te horen plach ten behoiff des priors ende conventz in der Gaesdonck, die das sellinge gutt van Herman van Honselaer nu hebben gekocht. Omdat Getruidt geen eigen zegel heeft, heeft zij Johan van Asselt gevraagd voor haar te zegelen. Ook zegelen Arndt Boick en zijn vrouw Jut. Ook is tot grotere zekerheid nog gevraagd die erbair wijze manne her Johan Storm, priester tot Straelen, met Herman van Honselair, Henrick  Maesoen van Alfer en Ryke van Acken.

Ordn. 4 Opnamenrs. 0964-0965
october 1440        Brief van betaling aan Dyrick Boick van Heyden en Ardt Boick door de prior en convent van de Gaesdonck voor het Boickgoed.

Ordn. 4 Opnamenr. 0965
1441-1550        Details over het Bockgoed te Heijen van het klooster Gaesdonck, waarin gesteld dat aan deze boerenhoeve drie manlenen als een pondigh leen verbonden zijn. Verhergewade 15 rijnse guldens. Het eerste leen is en Bowhoff gelegen tot Heyden, waarmee beleend is heer Arndt van Heyden, pastor tot Bogin (Beugen) Ao. 1441.
In 1480 is daarmee beleend Johan Peell tot Heyen en het jaar daarop vermoedelijk zijn gelijkname zoon.
In 1523 is er mee beleend Derick Peell volgens oorkonde, leenmannen: Derick Schinck, Peter Schinck.
In 1533 is beleend Theis ter Lynde (?), leenmannen Lyffert van Wylick en Henrick Kost.
Anno 1550 is beleend Melis ter Liende, leenmannen Derick Verlocht en Peter Schinck; extrahiert uit het Legerboek van kl. Gaesdonck.

Ordn. 4 Opnamenrs. 0966-0969
1417 - 1713        Extract uit de Boxmeerse leenboeken aangaande:
De herlichheijt van Heijen als een leen van de vrijherlickheijt van Boxmeer, te verhergewaden met een marck, dat sijn drij goldt gulden. Leenman: Henrick Spanrebroeck den jonghen./
Anno 1500:Arent Spannebroeck
Anno 1612: Alter Knippinch
Anno 1645: Johan van Vittinghoff genaempt Schell (gehuwd met Agnes Margreta van Boenen)
Anno 1655: namens weduwe Agnes Margreta: Johannes van Duijsent, scholtes en Borgemester tot Gennep.
Anno 1668: Martinus Hasenbaert
Anno 1691: Constantinus Mentrop, secretaris tot Gennep, als gevolmachtigde van früle Bertina Elisabets v. Vittinghoff genaempt Schell.
Anno 1713: Gerrart Huijster, namens Hendrick Werner van Diepenbroeck.

Ordn. 4 Opnamenrs. 0970-0971
1526 en 1540        Extract uit dem Buxmerschen Leenboick. Op Goensdach nae den Sondach Iudica in den vasten Anno XVc und XXVI is Henrich Spannebroick den iongen voor de Boxmeerse stadhouder Caspar van Stein namens jonker Filips, graaf van Vernenborch en Nuenaer, heer to Saffenborch und tot Boxmeer met die heerlicheit van Heiden beleend. Leenmannen: Jan van Kessell en Frans van der Borch.
Anno 1540 is Art van Spanrebroick daarmee  beleend.

Ordn. 4 Opnamenr. 0972
21 dec. 1553        Akte, gepasseerd voor Johannes Mans, notaris en secretaris tho Genp, waarin wordt bekend dat voor hem Werner van Haitzvelt, her to Wyswyler, verschenen is vanwege de onderhandelingen tussen syn Lyffden undt Arnt Spanrebock, eyn heer to Heyden, belangende die loisse des Lehen guetz genumpt Busserhuysen ende den Hamschen hoff vurmals aen Goidert Torck verpant, hefft gemelte Werner van Haitzveldt den twe Lehen mannen Engelbert van Caitz und Melis van der Lynden vurgebracht. Er wordt een oudere kopieakte (oktober 1548) woordelijk herhaald van Goidert Torck, heer tho Hemert ende Buyckhave, de drie broers Frederick Torck, Wylhelm Torck en Joist Torck en voorvaderen i.v.m. voornoemde erfgoederen.

Ordn. 4 Opnamenr. 0973
1 maart 1560    met retro-oorkonde van 8 dec. 1553        Akte van Elysabeth Turck, frouwe tot Nyenraey und ther Lucht, weduwe van Berndtz van de Boengaerdt. Zij verklaart van Arnt Spaenrebock, heer tot Heijen, zijn schulf afgelost heeft i.v.m. myner kyndtz deell die somme van 175 golden gulden, herkoemende van tguet Buysserhuysser gut ind den Haemsschen Hoeff in der heerlickeit van Heyen gelegen, leen ruerich aent huyss tot Gennep int furstendom van Cleeff gelegen, wie dan die alinge vurscr. guedere eertytz van Reyner van Hoelthuyssen vur die somme ind werde van 700 golden gulden aen Goeddert Turck zelliger, mynen alden vader versath is gewest. De helft hoorde aan zijn oom en andere verwanten.

Ordn. 4 Opnamenrs. 0974-0975
Gennep, 20 december 1553        Werner van Haetzveldt, heer tot Wyswyler, bekent dat de heer van Heijen, Arnt Spaenmreboick in 1553, op de 7e december, vanwege mynre huysfrouwen genant Maergriete, nagelaten dochter zelliger Lubbertz Torck, heer tot Hemert … eyn loess, wie recht , verkundigen doen hefft belangende eynen leen guet, leenroerig aan Wylhem, hertog van Kleef, mynen genedigen heern en leenheer met enen hoeff gelegen in der heerlicheit tot Heyden, genant den Hamsschen Hoeff ind enen hoeff genant Busserhuyssen gelegen in der heerlicheit van Gennep, eertijds van Reyner van Hoelthuyssen voor de som van 700 gouden gulden aan Goedert Toercken, myner huysfrouwen alde vader. De akte wordt bekrachtigd door de ondertekening van Werner van Haetzveldt, Engelbert van Kaetz en Mylis van der Lynden.

Ordn. 4 Opnamenr. 0976
Emmerik, 19 maart 1558.        Voor Engelbert van Till en Henrick Inghen Baedem (?), schepenen van Emmerick, is verschenen jouffer Galandt van Meverd, rechte huijsfrou van Arntz van Spainerbuck, heren to der Heijden, mit Arndt Berck oeren verkairen momber of voogd.    Zij dragen op aan Adolph van Meverden oeren broeder sodane versterff erff und guet, gerede innd ongerede nyt uitbescheiden vanwege affsterven oere vaider ind moeder  en waaraan zij enichsins beervet zijn. Het stadzegel van Emmerick is opgedrukt geweest.

Ordn. 4 Opnamenr. 0977
23 febr. 1550 en 9 januari 1558.        Extracten van twee beleningen uit het leenboek van het huis Boxmeer.
Belening met de heerlijkheid Heijen, in 1550, door Everhart van Hairen, stadhouder van de Leenkamer van Boxmeer, onder Maximiliaen van Egmond, graaf van Buren en Leerdam aan Arnt Spannerbock.
Belening met de heerlijkheid Heijen, in 1558, door Frans van der Borch, leenstadhouder van de lenen van Boxmeer en Haps, namens Willem, graaf van den Bergh, heer tot Bylandt, Hedel,  Boxmeer, Haps, Homoit en Wysch.

Ordn. 4 Opnamenrs. 0978-0983
11 augustus 1564.        Briefwisseling van Werner van Haetzfeldt, herr zu Weiswiler met juridische aan- en tegenspraken over de belening (Busserhuisen), kosten, schaden, aflossing en betalingen waarin genoemd worden Reiner van Holdhuisen, Goddert Turcken, Derich van Holthuisen, de hertog van Kleef , besprekingen op de landdag in Dinslaken tegen Aldenboeckum.

Ordn. 4 Opnamenr. 0984
10 november 1576.        Getuigen Derick van Schewick, Peter van Beringen en Conraidt van Mekeren certificeren hiermede, dat voor hen en voor Johan Loeffs, alle vier leenmannen van Willem, Graaf van den Bergh, fryherr tho Boxmer und Bilandt, in eigen persoon Arth Spaenrebock verschenen is. Hierbij hebben Spaenrebock syn Lieffden sich viermaell thom obervloet in leyden laten in ein Leengoet, dat van syn Leengoet gespleten en aver shy Joffer Liffhart Spaenrebock gewesen weduwe van Erpraedt, als deser tyt gebruickersche desselingen affgespleten leengoetz. De leenvergoeding geschiedt in de vorm van een soort korenpacht.

Ordn. 4 Opnamenr. 0985
17 juli 1576.        De getuigen Derick van Schewick, Peter van Beringen en Conraidt van Mekeren certificeren tezamen met Johan Loeffs, alle vier leenmannen van de Leenkamer van Boxmeer, dat Art van Spaenrebock, ein heir tho Heyden, tot vier verscheyde reissen, heeft vast laten leggen, dat ingevolge een erfdeling syner Nichten Joffer, Liffhart van Spaenrebock, weduwe van Erpraedt, jaarlijks etlicke lendderien, Baw und weyland, die afgedeeld zijn van het leengoed van Heijen, mag gebruiken.

Ordn. 4 Opnamenr. 0986
17 september 1576.        Jan Verlocht en Derick van Limburgh, leenmannen des Conventz und Godtzhuys Gaesdonck ontbieden joffer Geertruidt van Spaenrebock, naegelatene weduwe wilandt des Edlen Ehrentfesten Martin Boegell, herrn tho Ayhen (?) wegens het Convents Leengoet, geheyten Boxgoet, en ongeoorloofde verkoop.

Ordn. 4 Opnamenr. 0987
11 november 1612        Uit de leenboeken van de Leenkamer van Boxmeer overgeschreven beleningen met de heerlijkheid Heijen naar Rijperdts recht (=Reifferscheids recht!), te verheergewaden met een mark, datt sijn dreij goltgulden. De eerste belening dateert hier van 11 november 1612 aan Alter Knippinck met de leenmannen Henrich van Mer en Ardt van Beinum.

Ordn. 4 Opnamenrs. 0988-0990
15 juli 1614        Diederich von Schewick te Dreisberg aan de Niers attestation Copij was mein Swiegervatter Alther Knipping, Her zu Heijen, beij de Lehens empfahung der Herlicheijtt Heijen von dem wolgebornen hern, hern Wilhelm Grave zu dem Berge, freijher zu Boxmehr und Beijland, Hochloeblicher gedechtnus und obgemelten Schewick belastet worden.
De heerlijkheid Boxmeer wordt daarbij als een vrij leen van de hertog van Brabant gehouden en Heijen daar een afgeleid leen van is.

Ordn. 4 Opnamenr. 0991
1618        Diederich Ripperbandt, drost en stadhouder van de Boxmeerse leen maakt een verklaring op grond van notities in de Boxmeerse Leenboeken. De verklaring is gericht Goddert van Wilaick, rentmeester te Gennep, die van Boxmeer te leen ontvangt een halve hove landts gelegen in den Velde tot Heijden, zoals die van alts daar gelegen is. Verder op ten Poll, ongeveer 8 morgen land und den anschoot op ter Mase. Iten tegen datt Veer omtrent vijff veerdel van eenen mergen. Iten op ter Hons horst drij verdell van eenen mergen. Noch aen Mett Peel kamp ind op t Kuijlken 1,5 mergen tegen des Grevenhuijs een mergen, noch in des Papen pas eenen mergen bij der Weteringen met verdere landstukken.

Ordn. 4 Opnamenrs. 0992-0993
3 december 1627        Brief van Galandt Knippingh, weduwe von Boenen zur Uberfeldt und zur Heijen, over haar overleden vader Alter Knippink en moeder Elisabeth Spanerbuches zur Heijen en over van de graaf van den Bergh, leenheer te Boxmeer, vanwege de belening met de heerlijkheid Heijen.

Ordn. 4 Opnamenr. 0994
8 mei 1683          Extract uit het Boxmeerse leenboek E fol. 25 over het leengoed Den Poll onder Heijen wegens het afsterven van groetmoeder Gertrudt Beckers, gewesene Ehevrouwe van wijlen de heer Johan Schmitz in tijt sijns levens Burgemeister tot Gennep en het verzoek van de erfgenamen beleend te worden met voornoemd leengoed, groott wesende omtrint acht kleijne mergern en den aenschott op die Mase in die Heerlijck Heijden gelegen. Heergewaad twe alde schilden. Leenmannen: Arnolt Verheijen der rechten licentiat en Peter Sam, rentmeester.

Ordn. 4 Opnamenr. 0995
10 mei 1684          Extract uit het Boxmeerse leenboek E fol. 44. Leenverheffting voor Eherhardt Adrian Haefacker der rechten doctor, raet en stadthouder van ’t Hoogh Graeffl. Boxmeersche vrij Leenhoeve en de leenmannen door Johan Dietherick Ten Haam, die er een contract overreikt, gedateerd Cleve 5 meij 1684. Hierin wordt joffer Judit van Egeren, erfgename van Theodorus Suermont vernoemd i.v.m. enige poercelen land, waarvan er acht aan het Boxmeerse Leenghof leenroerig zijn en in Wijlackz leen gehoorige sijn, zoals ook te zien is in het leenregeister D, fol. 174. Voornoemde Ten Ha(a)m verzoekt zijn zoon met deze percelen te belenen na betaling van driemaal het heergewaad wegens versterniss, aliënatie off permutatie en deze herbelening.

Ordn. 4 Opnamenrs. 0996-997
1609 – 1627- 1640 – 1691 - 1692          Enkele extracten uit het Boxmeerse leenboek D fol. 173/4 met verwijzigingen betreffende de leenverheffing het zogeheten Wylacks leen eerst naar het out leenboeck B, pag. 102 en C. pag. 246 waarin dit leengoed in 1609 bestaat uit negen perceelen, waarvan naderhand dat eerste perceel van 8 morgen bij Reiner ingen Loedtz (?), daarna bij Jan Smitz en daarna bij Samuel Neomagus en nu bij Johan Martin Haasbaert verheefft is. De rest is bij Theodorus Suiermont sohn van Enneken van Wijlaekz bezeten en nagelaten aan de erfgenaam Judit van Egeren. Ook zijn acht percelen verkocht aan Johan Diederik Ten Ham, die daarmee in 1684 tegen betaelinghe van 3 heergeweijde, ijcker gelijck van outz met twee alde schilden offt dreij goltgulden beleend is.

Ordn. 4 Opnamenrs. 0998-1000
29 december 1697          Bevestiging, ondertekend door Diederik Ripperbandt, drost en leenstadhouder van de vrije Boxmeerse Leenkamer in de tijd van Oswald, graaf van den Bergh, dat Gerardt Huijster, landschrijver der vrij heerlichkeijt van Boxmeer met een brief van Hendrik Werner van Diepenbrouk, vrijheere tot Bulderen, Bergh en Heijden (Heijen), borghman des huijses Dulman, echtgenoot van vrouwe Engel Elisabeth van Vittinghoff genandt Schell van Schellenbergh. Daarin staat dat op 19 september 1691 vrouwe Engel Elisabeth beleend is geworden met de heerlijkheid Heijen met allen sijne Appendentien, soo als dieselve in hogen en legen, in diepen en droogen gelegen is met allen haer recht en gerechtigheijden tegen een heergewaad van een marck goltgulden offte drij goltgulden,  zoals ook in vorige leenboeken staat als C. fol. 58 en D, fol. 17. Leenmannen waren daarbij Hendrick Johan Verheijen en Albert Ansems.

Ordn. 4 Opnamenrs. 1001-1010
17 januari 1695          Ondervraging aan rechtsgeleerden (in Nijmegen) met antwoorden in Latijn (ca. 80%) en Nederlandse (ca. 20%) naar spelregels over de kwestie of een Tochtenaer off Tochtenaersche van een Leenhoff off dominerend Leengoedt an een vasal validelick kan verleenen, octroij off verloff, om over eenigh Leengoedt, van den selven Leenhoff releverende bij testament te mogen disponeren met de daarbij de vraag of de toestemming of het consent daartoe noodzakelijk is van de leenheer off directer Dominus selfs.
Voorts is de vraag aan de orde over de aanspraken bij een testamentaire beschikking bij de naeste in de bloede.
Verder komt de vraag aan de orde wat de nature ende eigenschap van de Boxmeersche Leenen is, off deselve gemeenschap hebben met de Brabantsche oft met de Geldersche, oft met de Zutphensche off met de Cuijksche Leenen en kwesties als het genieten van de vruchten ende opkomsten van de grechtigheden cq. het vruchtgebruik, recht van stemmingh ten platten lande en het feit dat de Leenrechten ofte Costumen vereischen het consent van den Leenheer. Ook komt het ter hoofdvaart gaan of haer apele heeft van het gerecht van Boxmeer bij het hooft gericht van Cuijck aan de orde.

Ordn. 4 Opnamenrs. 1011-1012
5 april 1704          Getekende kaart van de gesworen Lantmeter Thomas Harets, gemaeckt den 5 april 1704 van den Huevelsen Hoof (v/h Busserhuze geheten – opmerking van Rien van den Brand), op verzoek van Johan van Berghsom, rechter tot Gennep op enen bouuwoed gelegen tot Otersom onder Ampt Genep, toebehorende sijn Extie den Hoogh Eedele Heer van Boldere ende Heere tot Heijen. Eerst gemeten het Cempke daer het huijs ende schuer op staet ter grootte van 2 morgen en 21 roeden met de bijbehoorende hegge. Idem een kaart gemaakt van het landt op het Her velt van 39 morgen en 6 roden, geheten den huevel. Nog een kaart gemaakt van een perceel bouwland, genamt den Blaer Camp van 3¼ morgen en 6 roeden. Samen 44¼ morgen en 33 roeden.

Ordn. 4 Opnamenrs. 1013-1016
30 juni 1713          Kopie – leenbrief van de Boxmeerse Leenkamer uit de periode van sijne voorstelijcke Genade Maijnaert Carell Anthoin bij Goedes genade Furst zu HoogenZollen, Grave tot Zigmaringen ….. en Boxmeer en voordien Oswald, graaf van den Bergh, vertegenwoordigd door Joh. Diederich Ripperbandt, drost en stadhouder der Boxmeersen vrijen Leen hove vrouwe Engell Elisabeth van Vittinghoff genant Schell van Schellenberg in 1697 beleend is met de heerlijkheid Heijen. Thans het verzoek dat Gerardt Huijseter als gemachtigde daarmee beleend wordt.

Ordn. 4 Opnamenrs. 1017-1019
30 juni 1713          Schepenbrief van de richter en schepenen van Boxmeer, waarin vastgelegd dat Lambert Crouwers en Griet Versteilen daar een verklaring afleggen over een man uit Vierlingsbeek, geheten Maes op Beeckerstaeij die uit het kerspel Heijen gevlucht is. De bode van Heijen heeft hem achtervolgt en staande gehouden op het grondgebied van de Heerlickheijt van Meer. Daar was de gevangene echter vrij man en kon de bode van Heijen niets uitrichten. Ook hebben zij meegemaakt en gezien dat die marckschip van Ruermondt en Venlo hiervoor niet in den ampt und geright van Genp komen mocht en dat zij daarom aanlegden in Vierlingsbeek om aldaer oer goed te lossen und ledichten, sunder bekrunen (boeten) van Genp oft van Heijden. Tevens volgt een verklaring over de visrechten in de Maas, de vondst van een dode in dit grensgebied, loslopende paarden, grens tussen Boxmeer en Heijen, berechting van een misdadiger en een bezegelde brief uit 1527.

Ordn. 4 Opnamenrs. 1020-1021
17 juni 1737          Waarschouwinge en interpellatie van Maria Catharina, Gravinne Douarière tot den Bergh, Hohen zollern Sigmaringen etc. aan alle vasallen en leendragers van onder meer de vrije heerlijkheid Boxmeer en Haps i.v.m. het overlijden van Frans Wilhelm om alle lenen met de ledige hand opnieuw binnen een jaar te verheffen op onsen soon Johan Baptist.

Ordn. 4 Opnamenrs. 1022-1024
15e eeuw (?)          Die deylinge des lants gelegen int Hoege velt tuschen mynen broder ende my.Veel veldnamen met grootte, ligging en gebruiker.

Ordn. 4 Opnamenrs. 1025-1027
Omstreeks 1550         Bericht van Arnt Spanrebock te Heijen aan Frans van der Borch, stadhouder van de Boxmeerse lenen over betwiste aangelegenheden o.a. te Gennep, verkochte gronden, leengoed, erfenisdeling, e.d.

Ordn. 4 Opnamenr. 1028
Omstreeks 1565         Brief van Arnt Spanrebock waarin wordt gesteld dat hij en zijn voorvaderen, als  rechte eerffolger van de heer van Boxmeer altijd der gantzer alynger hoochheitt und heerlicheitt van Heyden, sonder eniger exceptieën in leen ontvangen hebben. Maar heer Wylhelm, hertzoch zto Cleeff, Gulich und ten Bergh, die helfftt der heerlichheitt voirscr. syn furstl. Genade een tyt van jairenn in syn furstl. gebruyck gehadt hefft buyten manyren van Rechten und twyvel oick nyett, dat syn furstl. Genade enyge gerechticheit aen die halff heerlichh. voirs. konnen offte moigen hebben, etc..

Ordn. 4 Opnamenrs. 1029-1032
Omstreeks 1565        Memoriaal en bericht aangaande de heerlijkheid Heijen en over het gedrag van zwager Arnt Spanrebock, die als heer van Heijen, in ongenade en gevangenis gevallen is bij de hertog Willem van Kleef en de helft van de heerlijkheid Heijen met de hoogheid (het halsrecht) noodgedwongen is geweest af te staan en waarop het uitbreken van de Tachtigjarige Oorlog gevolgd is. Bovendien zijn er problemen met omliggende bewoners uit Gennep, Genneperloo en Hommersum want die willen met geweld daar hooien, plaggen maaien en hout kappen.

Ordn. 4 Opnamenr. 1033
Archiefomslag, ex Staatsarchief Münster, Abteilung Westfalen met verwijzing naar Gesamtarchiv von Romberg, Haus Heyen -  Akten. Nr. Karton 15

Ordn. 4 Opnamenr. 1034
Archiefomslag, ex Staatsarchief Münster, Rombergsch. Archiv (Dep.) Herrlichkeit Heyen, Akten V, nr. 11 A 1

Ordn. 4 Opnamenrs. 1035-1036
1484        Naamlijst van belastinginkomsten, de zogeheten heren schettinghe van Heyden. De opbrengst bedraagt totaal 70 gulden.

Ordn. 4 Opnamenrs. 1037-1040
1501        Naamlijst van belastinginkomsten, Schettynge in den kerspel van Heyden anno dusent Vc und eyn.

Ordn. 4 Opnamenrs. 1041-1042
1519        Naamlijst van belastinginkomsten. Dyt ijs der heeren scettinghe toe Heyen geordyneyrt van den Scepen Int jaer ons Heren M CCCCC ende negenteyn.

Ordn. 4 Opnamenrs. 1043-1044
1519        Een andere naamlijst van belastinginkomsten ende schatongh to Heyen op fridach na st. Servacius Anno 1519, nu wesende Henrick Spannerboick, heer tot Heyden en gemene scepenen.

Ordn. 4 Opnamenrs. 1045-1046 (deels)
1542        Naamlijst van all sulke schettynge so durch gemeyn ryderschap, stedenn und landtschap deses Ffurstendoems Cleve bewyllicht unnd inberoempt tot behoeff dess durchluchtygh hoichgeborenn Ffursten und heer Willem, hertog van Cleve, Gelre, Gulick und Berge etc. toe stuyr unnd wederstandt dess Turks gesat unnd verordert in den Ampt cab Gennp op saterdach na de dag van Maria Geboorte 1542. Dat volgt de belasting geheven in dat kerspel van Heyden.

Ordn. 4 Opnamenrs. 1046 (deels)-1047 (linker helft)
1537        Naamlijst van Schatt Cedel anno (15)37

Ordn. 4 Opnamenrs. 1047 (rechterhelft)-1048
1542        Naamlijst van Schettynge wederom van 1542 in Heijen up den platten lande, goedgekeurd door de ridderschap, steden en landschap van het vorstendom Kleef en betaald aan rentmeester Buthendick.

Ordn. 4 Opnamenrs. 1049 -1050
1549 – 1552 en 1555        Naamlijst van belastingbetalingen door buyten geerffden tho Heijdenn, Anno XVc XLIX, gesat dubbell und Anno Lii un Lv

Ordn. 4 Opnamenrs. 1051 -1054
19 october 1549     Berekening van op te halen korengeld en andere tijns te Heijen aan de hand van de eigenarenlijst met opgaaf van de grootte van de verschillende percelen, hoeveel koeien en runder per boer. (2 naamlijsten).

Ordn. 4 Opnamenrs. 1055 -1054
1560         Kopie met punten uit een verdrag tussen mynen genedygen Ffurst unt Heren, de hertog van Kleef, met Spaenrebuck, anno zestich, den XVII juni. Voortaan gaat de helft van de inkomsten uit Heijen naar de Kleefse hertog, een schout wordt aangesteld door Kleef (die de executies en lijfstraffen op de pijnbank uitvoert) en een zwijgende scholtis door de heer van Heijen. De wedden, geldelijke bruicken of boetes, als ook de tijnsen zullen half gedeeld worden. De regeling geldt ook voor het houtgewas, de jacht en de visserij in de Maas.

Ordn. 4 Opnamenr. 1057
15 april 1550         Schepenbrief van Heijen met onderzoek en verklaring over de hoogte van de uitheynisser beerfden, die als niet-inwoner van Heijen (b.v. te Goch, Gaesdonck, Zelder, e.d.) over hun eigendommen onder Heijen belasting betaalde. Daarbij worden gebruiken uit 1511 aangehaald.

Ordn. 4 Opnamenrs. 1058 -1059
26 december 1602         Oorkonde van Scholtis Johan van Baex en twee schepenen, namelijk Hermen van Cuick en Franck Drissen met opgaaf van alle utghaende schaersteine und platzen, waar ook gestookt wordt in der herlicheit tho Heiden, aan de hand waarvan belasting betaald hoorde te worden. Dan volgt een gedetailleerde naamlijst van de inwoners met het aantal schoorstenen per huis. Daarbij gevoegd is een lijst met negen ledige platzen, daer ermaels huiseren und katen (keuterijen) op gestaan hebben (en mogelijk in deze oorlogstijd van de 80-jarige oorlog onbewoonbaar geworden).

Ordn. 4 Opnamenrs. 1060 -1061
28 januari 1614          Heijense schepenakte van Gerrit Claessens en Herman van de Stay over de Heyense schatting, die voor de helft voor de heer van Heijen Alter Knippinck, heer te Heijen, ingevorderd wordt door schout Johan van Baex, die daarover moeilijk gedaan heeft.

Ordn. 4 Opnamenrs. 1062 -1063
Ca. 1570         Antwoord vanwege de scholtis van beide heren van Heijen (de hertog van Kleef, als half-heer, en de heer van Heijen, als half-heer) over afgelegde verantwoording van Melis van der Lynden (te Gennep). Daarbij is Dirck Peelen betrokken en deze blijkt lange tijd in Heijen gewoond te hebben en zijn belasting of schatting is daar altijd correct betaald. Dirck heeft ook goederen liggend onder Gennep. Ook worden gewoonten opgehaald over de Gennepse belastingbetaling, bekend bij de vader van Melis, Thonis van der Lijnden. Dirck Peelen is verder een periode halfman geweest van een boerderij en toen heeft hij mijt synn ander nabueren betalt. Melis zal uiteindelijk niet verder vervolgd worden voor belastingbetaling.

Ordn. 4 Opnamenr. 1064
Archiefomslag, ex Staatsarchief Münster, Abteilung Westfalen met verwijzing naar Gesamtarchiv von Romberg, Haus Heyen -  Akten. Nr. 3 Karton

Ordn. 4 Opnamenr. 1065
Archiefomslag, ex Staatsarchief Münster, Rombergsch. Archiv (Dep.) Herrlichkeit Heyen, Akten 1V Nr. 3

Ordn. 4 Opnamenrs. 1066 -1068
1604 met verwijzing naar 1533    Copy utter  dem Extrackt des Legerboeks des Closters Gaisdunck aangaande het zogeheten Buxguet met verdere landgoederen en weilanden

Ordn. 4 Opnamenr. 1069
1574             Briefwisseling tussen de prior van het klooster Gaesdonck en de hertog van Kleef aangainde het leengoed Boixsguit van het klooster onder Heijen en Melis van de Lynden (te Gennep), waarbij ook Johan Verfoirt scholtis des landtz van Kessell betrokken is.

Ordn. 4 Opnamenrs. 1070 -1072
Ca. 1578         Brief aan de Kleefse Raad van de prior van Gaesdonck over hun rechten op het leengoed te Heijen, terugvoerend naar 1440.

Ordn. 4 Opnamenrs. 1072 -1073
24 juli 1550             Leenbrief van Antonis Blaeman, prior van de Gaesdonck, aangaande het leengoed Boixsguit , dat aan vazal Melis van der Linde, de zoon van Thonis en Bela, uitgegeven wordt. Leengetuigen Derick Verlocht en Peter Schinck.

Ordn. 4 Opnamenrs. 1074 -1075
9 october 1576         Klachten, aangemeld bij Jan Michiels en Thonis Baecks (?) van de Heijense schepenbank vanwege het klooster de Gaesdonck en Arndt Spanerböck, Gertrudt Spanerbock en wijlen Martin Bo(e)gell en een weiland onder Heijen.

Ordn. 4 Opnamenrs. 1076 -1077
30 juli 1578              Brief aan jonker van Eickell zu dem Ham waarin bevestigd wordt dat de prior van Gaesdonck naar het raadhuis van Goch op 1 augustus zal komen i.v.m. een Heijense aangelegenheid.

Ordn. 4 Opnamenr. 1078
Archiefomslag, ex Staatsarchief Münster, Rombergsch. Archiv (Dep.) Herrlichkeit Heyen, Akten 1V Nr. 4

Ordn. 4 Opnamenrs. 1079 -1080
8 maart 1526              Schependomsbrief van de gemene schepenen van Heijen met een verklaring dat Henrick Spaenreboick, een heer tot Heijen, in eenen vasten erffkoep ewlick ende erfflick verkofft heeft een jaarrente van tien Philippus gulden, komende uit die Smalien onder Heijen gelegen, en elk jaar te leveren op sijnt Peters dach ad Cathedram. Toekomstig eigenaar wordt nu Peter Bosman, de priester van de vicarie van onsser lieuer Vrouwen altaer tot Hassum. De Smal grenst met een zijde aan de Maas neven eenen gemeynen weech, dander sijde neven Lijffart van Wijlaijch, dat eenen eend schijetende op Gerijt Spaenrebock, dander eend op te Beeckpass. Ook rust er nog een kleine rentepost uijter den Wijttensteen.Naast het schependomszegel, zegelt ook Reynner van Loebeck, richter.

Ordn. 4 Opnamenrs. 1081-1082 (bovenste helft)
Sint Gregoriusdag 1529          Gennepse schependomsbrief aangaande de provisoren van het Sint Sebastianus gilde van Hassum, die zich beklagen over een erfbrief van jaarlijks 5 Hornse gulden, die afhandig gemaakt is en terug zou moeten komen. De rente rust als last op een onderpand te weten een weiland Den Wittensteen.

Ordn. 4 Opnamenrs. 1082 (onderste helft) -1083
Ordn. 4 Opnamenrs. 1081-1082 (bovenste helft)
Ordn. 4 Opnamenrs. 1082 (onderste helft) - 1083
25 februari 1555        Schepenbrief van Rijcket Ungeloeff, Goert Poellman en de gemene schepenen van Gennep getuigen dat Henneken Mullers te Hassum voor hen verschenen is. Deze verklaart in voorbije jaren Provisor der Kerkcken und der Ermen te Hassum te zijn geweest en dat destijds Wilhem Rutten en Henneken zijn huisvrouw vijf Hornse gulden vermaakt hebben tot behoeff der armen thoe Hassum en ook jaren daadwerkelijk betaald hebben maar door nalatigheid van navolgende provisoren problematisch is geworden.

Ordn. 4 Opnamenr. 1084
Archiefomslag, ex Staatsarchief Münster, Rombergsch. Archiv (Dep.) Herrlichkeit Heyen, Akten V Nr. 1

Ordn. 4 Opnamenrs. 1085-1091        
17 Juni 1560        Kopie-verdrag op papier tussen Willem, hertog van Kleef  (als landvorst) en Arnt Spanrebock (en zijn broeder Johan) wegens de heerlijkheid Heijen in het ambt Gennep, nadat er veel misverstand en twist geweest was met de ambtluijden tho Genp. De hertog grijpt flink in en maakt nieuwe afspraken, die de vrijheden van de heer van Heijen gaan beperken; hij wordt de tijdelijke half-heer van Heijen met de helft van de vroegere inkomsten, tijnsen en breuken (boeten) en o.m. beperking van zijn rechtspraak, benoemingen, gemene gronden, houtgewas, grondbezit-, turf-, jacht- en visrechten. Ook wordt de appellation voor het Heijense gericht van Gennep naar Kalkar verplaatst.

Noot: Het origineel verdrag berust in het LANDESARCHIV te Düsseldorf, Bestand Kleve-Mark Oorkonden en in afschrift in Reg. Cliv. XXX, 368. Gezien het belang ervan is onderstaand de volledige tekst van het origineel weergegeven:

Toe weten: Dweil duckwijls missverstand und twijdracht sich erheven hebn tuschen den ampluden to Genp en namen myns g(enedige)h(ere de hertog) und den von Spainrebock to Heyden van wegen der nutzbarlicher gerechtigkeit der herlicheit Heiden (Heijen), so is umb alle onrichtigheit to vermijden, oick by den luyden und underdanen desto beter eindracht, folg und gehorsam to underhalden, die holtgewassen der Hezen, vischerien, knynenwranden und sunst to mehrern nutz to brengen tuschen hoichgemelten mijnen g.h.  und Arnden Spainrebock to Heiden guitlich und entlich bespraicken, afgekalt und verdragen woe folgt:
1.    Anfenglich dat nu voirtmehr die consulation und appellation von dem gericht to Heiden nergent anders dan up Calcker to sucken und to halden, wilchs mit weynigster onkosten des gerichtz und partien na ordnung myns g.h. geschein sall.
2.    Dat oick myn g.h. hertoug gelyck syner f(ürstliche) g(enade) vurheren von onverdencklichen iairen gedain aldair der ongetwijvelder landfurst by irer f.g. hoeger oevericheit und lijfstraifen, und wes den anhengt durch vorgriffen (ader preventien) imant gefencklich annemen deden, dat soeliche ingetoegene up den derden dach syner f.g. als dem landfursten mit scholt und onscholt, oick wes by oen in den anfanck befunden, an der Hezen tuschen Gennep und Heiden averliefert und van sijner f.g. der geboir gestraift werden sollen.
3.    Wanneir und to welcher tijt van hoichberumpten mynen g.h. in syner f.g. furstendumb Cleve eynige stuyren ader schattongen gesatt of syner f.g. van gemeiner landschaft ingewilligt werden und die den fursten to gude kommen, dat in dem fal die eyne helft van de rherlicheit Heiden nae alden gebruick syner f.g. und die ander helft den van Spainrebock folgen und togelacht werden sollen; dair aver reichsstuyren furfallen, dat die den lantfursten voirt te verrichten allein verblijven, woe dan syn f.g. die settungen nae irer gelegenheit doin und die pennongen upboeren laten sall.
4.    Dat oick die van Spaenrebock bij sich selfs sunder furweten und bewilligung mijns g.h. geine heiden noch gemeinten uitslaen noch anderen to betijmmeren of to bouwen uitgeven sollen in maten van synes Spainrebocks vuralderen dergelycken bewilligung geworven. Aver soeliche drie kotten, als van oen Spainrebocken diese iaren uytgegeven syn, nemlich Petern Kuyck, Peteren die rademecker und Melis die wever sollen dismails gelaten werden, doch die katere dairvan [dat wass der kercken to Heide und (soll die kercke daruit gein wass hebn) die hoenre und tynss beiden fursten und hern gelijck iairlichs verrichten.
5.    Woe dan oich sulch lant als up der Maesen gelegen, die  Papielier genant, und van den nabueren to haldung der froemyssen gegeven als insgelijcken der vicariengueder und renten van sente Clais altairs so lang durch myns g.h. schultiss in sequester gelacht und gehalden bis dairtoe weder bequeme personen angestalt und die diensten dairvan, als sich geboirt, gedain ader sunst anders dairin versien werden sall.
6.    Dat van den Spainrebocken voirtmehr gein torf in die Genneper Vennen gestecken noch anderen vergunt ader uitgegeven, id werde dan dairgedain und bewijslich bijbracht, dat sie dairtoe berechtigt syn.
7.    Dat oick die schepen to Heiden van wegen myns g.h., woe van alders herbracht, syner f.g. schultiss an- und afsetten, dat gericht to iederer tijt verkundigen, alsdan oick syner f.g. schultiss van s.f.g. als derglijchen der Spainrebocken wegen die schepen beeiden, dat gericht hegen und beeleyden und weder apdyngen; und des tijtlicken heren to Heiden Spainrebocks swijgender schultiss iderntijt neffens unsers g.h. sprechenden schultiss bijzytten und dich durch syner f.g. schultiss die execution und pendung geschien soll.
8.    Die wedden und geltbroecken, oick cijsen, nielantsche und andere tienden sollen oick half und half gedeilt werden.
9.    Alsdan gliechsfals die underdanen to Heiden die ein weeke dem fursten, die andere wecke den Spanreboicken, doch nyt mehr dan einmail in iderer wecken dienen und dairoever nyt beswert werden sollen.
10.    Die canijne der wranden in Heyen gelegen sullen durch myns g.h. ader des amptmans garn und fretten gefangen und iderer tijt half by den amptman blijven und die ander helfte den Spainrebocken werden togestalt; alsdan up oere der Spainrebocken ersuecken und begeren der amptman oick frettieren sal laten.
11.    Die vyscherie in der Maesen, to Heiden gehoirich blijft oick half und half, alsdan insgelycken dat Mehr durch den eynen fur und den anderen nae mit segen up gelijcken onkosten gefischet und to iederer tijt die gefangene fysche to halven deilen under oen beiden verdeilt werden sollen.
12.    Und als tolest mysverstand und irrungen van den holtgewass der Alden und Nyen Hezen to mehrmalen entstanden, soes all dat samentlicke holtgewass, soo wal die Alde Heze als die Gemein Heze gnant beiden furstenm und heren to gelijk toestendich sijn und blijven, oick darup guede maete und ordnung gemaickt werden, wairby solich hoich- und underholtgewass nyt ferner verwuest noch verdorven, sonder wederumb in upkoemen und gedien bracht ind to irer beider nutz und besten gebruickt und erhalten werden moege, alle geferde und argelist hierinne uytgeslaten. Des in orkond synt dieser beredungs und verdragscedulen twee van gelycken inhalt geschreven und hoichberurtz myns g.h. secreitsiegel van syner f.g. wegen darup gedruckt und van wegen Arnt Spainrebocks, des einen heren to Heinden, durch oen selfs und synen brueder Johan Spanrebock underteickent, der ein to Cleve verbleven und der ander den Spainrebocken avergelevert worden. Geteickent to Cleve, up maindach den XVII Junij 1560.

Ordn. 4 Opnamenrs. 1092-1095
5 juni 1545, 9 mei 1550  -  19 okt. 1565            Kopieën vanwege Haus Heyn.  Supplicatio (nederige en ootmoedig smeekbede) der gemeinen Nachberen der Herligheit Heiden aen Ihren woledlen heren Alter Knippingh, heren zu Heijden. Dit geschiedt mede n.a.v. van voorvallen ten tijde van wijlen Arndten Spanrebroeck, heer te Heijen en de gevolgde veroordeling.

Ordn. 4 Opnamenrs. 1096-1097
1565        Brief, ondertekend door Alter Knippinck zu Heyen, aan de vorstelijke Kleefse Raad, mede wegens het overlijden van de Gennepse drost of ambtman van het Genneperhuis i.v.m. visserij in de Maas en het Heijense Mherr, de jacht en het frettieren in de Coninenwarand en het halve houtgewas in die Heess. Er is daarover geen kraeckeell meer met de Gennepenaren.

Ordn. 4 Opnamenr. 1098
Archiefomslag, ex Staatsarchief Münster, Rombergsch. Archiv (Dep.) Herrlichkeit Heyen, Akten V Nr. 6

Ordn. 4 Opnamenrs. 1099-1100
26 maart 1621        Brief van dienaar Ebb Stickers aan de gebiedende heer van Heijen over het bakken van 100.000 gebrande en bleke stenen voor een geldsom en een ton bier met een regeling over de leem, het zand en de brandstof (kalen / heij) op de tichgell platz.

Ordn. 4 Opnamenr. 1101
29 maart 1621 / 24 april 1621        Omslagnotitie van etzige tausent steinen zu backen aan de Ziegelmeister van Heijen , vermoedelijk komend van Albertiner Neuwer en gericht aan Ebbe Stickers over geleverde stenen ter waarde van 50 gulden Clevischer wehrung. De notitie is uiteindelijk bedoeld voor Alter KInippinck, heer tot Heijen en tevens ambtman te Emmerick en Zevenaar en in die Liemers.

Ordn. 4 Opnamenrs. 1102-1103
8 mei 1647            Brief aangaande den steenoven d’welcken Aert Schenck aen Lammert Sgreven Nieuerf setten sall. Het gaat om de bouw van een tiegel ofte steenofen in de heerlijkheid Heijen, tussen Jan Bussen en Lamert Sgreven aen die Leemkuil, geschikt om 100.000 stenen te bakken in kleinere partijen, met ook stenen voor de kerk van Heijen. Als brandstof wordt beloofd geen hout uit de heerlijkheid Heijen te gebruiken. De brief is gericht aan Gisbert von Vittinghoff genannt Schell.

Ordn. 4 Opnamenrs. 1104-1105
18 aug. 1670            Brief te Gennep geschreven door Roelman van Sambeeck aan de Kleefse jurist docteur Haesenbaert inzake de gebouwde steenoven onder Heijen en de bouw van een nieuw huis, waarbij ook de heer Nijvenheim, heer zum Ham, problematisch betrokken is, waarbij woorden vallen als haet en nijt.

Ordn. 4 Opnamenrs. 1106-1109
6 maart 1671            De Heijense schatheffer Derick Robben en schepen Jan van Elsen en de Heijense kerkmeester Berndt van Elsen, allen woonachtig te Heijen en Cornelis op den Kleft te Afferden wenden zich tot de Kleefse jurist en commissaris Haessbaert i.v.m. de bouw van een geringe steenoven ter grootte van 70.000 stenen. Dit geschiedt met medeweten van richter Johan Deusing en de Gennepse burgemeester Jacob Reiniers. De brief gaat over de uhralter gewohnheit, dat daaruit kostenloos 1.000 stenen aan het Huis Heijen en 1.000 stenen aan de kerk van Heijen gegeven horen te worden. Omdat veel gebrande stenen bij de oven echter zeer veel en langdurig in de regen hebben gedaan, zijn deze stenen gantz verdorben. In de loop van de tijd zijn wel neun oder zehen grosser ofens in die herrlichkeit Heijen gebouwd geweest en zijn de stenen aan Huis en Kerk van Heijen geleverd en daarover zijn geen moeilijkheden geweest.

Ordn. 4 Opnamenrs. 1110-1118
Vanaf 8 mei 1700 tot    17 november 1700        Gespecificeerd en gedetailleerd kostenoverzicht van 230.000 geproduceerde stenen en betalingen te Heijen aan de schout.

Ordn. 4 Opnamenrs. 1119-1122
4 januari 1706        Beraamd accoordt tussen scholtis Joh. van Bergsum uit naam van vrijheer Van Diepenbrock, heer te Buldern en Heijen, en van zich zelf en Hans Michel Grunewaldt met Meister Servais Boem en Jan Smit, beijde tiggelbackers voor het maken van een oven in Heijen met een capaciteit van twee hondert dusent stehen. Een van de voorwaarden is dat Servais Boom op sijnen eijgenen kosten de stenen zal vormen en zal setten te drogen in de hagens. De leverbare stenen zullen ten minsten twee derdendeelen gebrande en een derdendeel bleecke zijn. Voor ieder duizend steen zal hij vijf schillingen Brabans gelt ende voor ieder 25.000 eene tonne bier beuren. Op tijd zal aan de oven geleverd worden de nodige hoeveelheid kolen, stroij, gerden, sand ende wissen. De heer van Heijen zal er ook voor de toegang zorgen naar de oven en deze via een baan affflacken laeten. Ook de opstartkosten komen voor rekening van de Heijense heer. Verder zal gezorgd worden voor een geleende taeffele, eenen sant back, 2 emmers, een kruijkarr, drij bennen (?) en 2 halve seepküpkes alsook het nodige hout in de vorm van schlijten, om den wint van den oven te kehren.
Er is een berekening toegevoegd.

Ordn. 4 Opnamenr. 1123
Archiefomslag, ex Staatsarchief Münster, Rombergsch. Archiv (Dep.) Herrlichkeit Heyen, Akten V Nr. 5

Ordn. 4 Opnamenrs. 1124-1125
1559 (met retro akten van 1529)        Verordening over het gebruik van het turfven (onder Gennep). Er volgt een verklaring voor Henrick van de Bungart en Melis van der Lynden, schepenen tot Gennep door Johan Spanrebock en als gevolmachtigde van jouffer  Geertruydt Spaenrebock, syner suster, die de schepenen een kopie toonden van eyner kontschap, die ook geregistreerd is inhoudende, dat destijds voor de schepenen Thonis van der Lynden en Wilhem Janssen verschenen zijn: Claijs Peters en Jan aen der Hoirst, die met hun eed getuigden, dat alsulcken Torff Venne als die Greeff (de heer van Heijen wordt hij graaf genoemd) gebruyckt nijt geweten off gehoirdt en hebn, dan den Greeff to Heyen dat tho gehoirt. Datum anno 1529.

Ordn. 4 Opnamenrs. 1126-1128
19 mei 1560         De Gennepse schepenen Rickert Ongeloiff en Sibert Lesier getuigen uyt foirderyngh Albertz van Slipenbeck, gevolmachtigd procurator van Arntz Spanrebocks, eyn heer tho Heyen, dat in het Gennepse gericht Henrick van den Bungert, Johan die Haen, Goirt aen gen Hoirst genoempt Frerix, Beel van der Lynden, weduwe Mary elige huysfrauwe Goirt Schoenmekers und Grietgen Wolffs weduwe. Zij allen hebben onder eede verklaringen  afgegeven op die fraige wes eyn ider van dess Spanrebox Venne kundich were. De eerste, die getuigt is Henrick van den Bungert, die zegt dat hij van de weduwe tho Heyen Arndt Spanrebocks moder zeliger oir huysyngh bynnen Gennep stainde etzliche jairen gehuyrt und bewoint hebbe en in diezelfde tijd de toestemming kreeg van de weduwe synen torff the stekenn op den venne ombtrynt tegen die Hoirst gelegen. Johann die Haen zegt tussen de 60 en 70 jaar oud te zijn en in 1522 eyn plack up den den Gennepschen Venne van unsen gnedigen fursten und heer (van Kleef) aan zich verkregen heeft en toen genoemd wird dess Greven Venne van Heijen.
De volgende verklaring komt van Goirt Frerix genoempt aen gen Hoirst, die daar geboren is en zegt dat die van Spanrebock tho Heijen altyt oiren torff daar gestoken hebben. De weduwe Beell, gehuwd geweest met Thonis van der Lynden, mocht reeds ten tijden van haar man tyen off twelff voir Torffs jaarlijks op den Venne steken, maar maakte daar geen gebruik van omdat hij zelf eyn erff Venne bezat.
Dan volgen verklaringen van Mary Schoenmekers en Grietgen Wolffs, beide weduwen, oud zijnde tussen de 70 en 80 jaar en hun is bekend, dat familieleden van de familie van Asselt met Spanrebock verwant zijn geraakt, namenlijk Henrick en Gerit Spanrebock en waardoor het bewuste stuk Ven is gaan heten Spanreboix Venne off dess Greven van Heyen Venne.

Ordn. 4 Opnamenr. 1129
25 januari 1560         Voor de schepenen Herman Pelen en Henrick Schamp en de gemene schepenen van Heijen verschijnen, op verzoek van Arnt Spanrebock, eyn heer tho Heijen, in de schepenbank Roloff Vermaisen, Segeer Beltgens en Gerit Lauwertz. Zij zijn ook schepen in Heijen. Zij leggen individueel een verklaring af over de turf voor Heijen uit het Genneper Venne. Roloff zegt langer dan 50 jaar myt den perden de turf gevaren te hebben uit dess Greven Ven van Heijen bij het Genneper ven in de turfschuur der Spanrebocks te Heijen. Een uitzondering hierop kwam door het verbod van Otto van Wachtendonck, drost in Gennep in het jaar 1557. Die heeft in der kerckenn doen verkondigen, dat nymant op Spanrebocks voirgenoemde Venne varen solde op verboir (verbeuren, in beslagname) und verloss oirs wagens und perden.
De verklaring van Geryt Lauwertz, die 44 of 45 jaar geleden in Heijen is komen wonen en altijd gehoord heeft dat dat selver venne van den Spanrebock vurscreven und syner alders gebruyckt wairt, uitgenomen de tijd van Otto van Wachtendonck. De kontschap van Seger Beltgens , die 37,5 jaar in Heijen woont, zegt dat hij elk jaar des Spanrebocks Troff op genneper venne ther plaitzen geheten Spanrebocks off des Greven Venne heeft helpen halen en vervoeren en nimmer van eynnich verbot off bestoirynghe gehoord te hebben. Johan Hermans zegt tenslotte dat hij over de vijftig jaar in Heijen woont en ook zeven jaar gediend heeft bij Henrick Spanrebock zaliger, Arndth vaider en noch van hem noch van diens vrouw ooit gehoord heeft van enig verbod op het ven.

Ordn. 4 Opnamenr. 1130
Juli 1537, op dynxdaich nha synte Margareta daich.         Voor de gemene schepenen van Gennep en de geseten Richter verschijnen Derich Eibben und Johan Bousman, als wesende ongeverlich tuyssen soeventich und taichtentich jaren. Op verzoek van de priester Henrick Spanrebock en vanwege en tot behoeve van de eirbarer joiffer Arndt nagelaten weduwe van Henrick Spanrebock, eyn heer tho Heyen getuigen de opgeroepen personen, dat een lange tyt heerwartz to Heyen gewoent und verkeyrt und hebn den vurscreven Henrick Spanrebock, woe oick synen vader geheiten Henrick Spanrebock und mi die vurscreven weduwe nagelaten und oer kynderen, die gediend te hebben und oren Torff up Genper Venne hebn helpen byfueren en daarbij nooit beboet zijn, daar het oir eygen ven wesen solde.
Ook zijn, blijkens deze akte, in 1529 Johan Dericks und selige Clays Peters voor een bekentenis opgeroepen voor de schepen Wilhem Johanssen zn en Thonis van der Lynden.

Ordn. 4 Opnamenrs. 1131-1132
Circa 1570.            Kopie supplicatie of verzoekschrift aan de hertog te Kleef belangende des fennes, afkomstig van en ondertekend door Arndt Spanrebock, myt heer te Heijen. Arndt beklaagt zich bij in Kleef dat oever voyll langhwilige jaren, krachtens ook een bezegelde brief van de stad Gennep, fredlich en onbelemmerd eyn plack vennes op Genper Venne gelegen inm gebuik heeft gehad om er te turven. Hij zegt daarbij zelf geenen brandt by mye selbs haiff te hebben en alleen tegen grote kosten elders moet proberen turf te krijgen. Hij hoopt door dit verzoek weer in het gebruik van zijn oude rechten te worden hersteld.

Ordn. 4 Opnamenr. 1133
Archiefomslag, ex Staatsarchief Münster, Rombergsch. Archiv (Dep.), Herrlichkeit Heyen, Akten V Nr. 4

Ordn. 4 Opnamenrs. 1134-1135
5 juni 1726.            Brief aan de Koninklijke Pruisische Kriegs- und Domainen Kammer van de Jurisdictions Richter van de heerlijkheid Heijen ten tijde van Freyherr von Diepenbrock zu Buldern und zu Heijen over de ligging van een eventuele nieuwe molen onder Heijen.

Ordn. 4 Opnamenrs. 1136-1137
16 febr. 1745.            Brief aan de ingezetenen van het Ambt Gennep und Uffelt en Richtern zu Gennep, Uffelt, Ottersum, Nergena, Heyen, Kessel und Hommersum, komend van de Pruisische Koning Friedrich in de persoon van N. van Raesfeld, i.v.m. ruzies en de molendwangplicht op de molens te Gennep, de tol en de gerepareerde Gennepsche Mühle.

Ordn. 4 Opnamenr. 1138
Archiefomslag, ex Staatsarchief Münster, Rombergsch. Archiv (Dep.), Herrlichkeit Heyen, Akten V Nr. 3

Ordn. 4 Opnamenr. 1139
17 maart 1542.            Brief van Goert van Haen en Roloff Vermaisen en de gemene schepen van Gennep, op verzoek van Aert Spanrebock, eyn heer tot Heyen. In de Gennepse schepenbank zijn verschenen: Wolter Vermaisen en Jacob Vermaisen om er een verklaring af te leggen van der vijsserrye dess Mers (meer bij het Huis Heijen) by synen huys gelegen. Zo verklaart Wolter dat hem nog goed indechtich und kundich is en duckmaill hefft hoeren seiggen wie dat Elbert van Alpen ther tyt drost tot Genp, durch twyst und onwyll herkommende, in zijn drosttenue met een speciale brief over de visserij, die de heer van Heijen niet in ontvangst wilde nemen, want daarmee werd hem de visserij voor de helft afgenomen.
De verklaring van Jacop zegt dat hij zijn vader – die lenghe tyt dess Greiffen (de graaf van Heijen) vyscher gewest is – ook dikwijls dit heeft horen zeggen en hem zelfs geholpen heeft met dit vissen.

Ordn. 4 Opnamenr. 1140
13 april 1542.        De schepenen van Beugen worden i.v.m. de Heijense rechten gevorderd een verklaring hierover af te leggen. Derhalve is in hun schepenbank Derck Hebbelen, oud ongeveer 75 jaar en nog bij goeden verstant een getuigenis door hem afgelegd voor de richter myt opgerichte vingenren ende aen den heiligen gehalden, zoals dat beteempt nae onser bancken int lantrecht. Derck zijn vader heeft wel meer dan honderd keer vroeger gezegd in de tijd dat hij lange jaeren visser had geweest tot Genep op ten huijs (Genneperhuis) en Derck zelf daar geboren is, dat Henrick Spaenrebock Arnts alde vader, die visserij die Meer g(e)nant tot Heyden by den huijs alleen gevist heeft ind vyngen sij enen breessem, die een hant breet weer off ander vleyn vis, die liet hij weeder in den water werpen, dat sy meerder solde weerden. Daernae heeft Elbert van Alpen aan den Greef van Heijen, Henrick Spaenrebock voirscreven een cledynge gesant, dair Henrick Speanrebock voirscr. op geantwoirt heeft: Ick en begeer synder cledingen nyet. Ick heb selver doeck om mij te cleeden, ind om der oirsaicken hed Elbert voirscr. als een gewalt swij man, Henrick Spanrebock voirsc.r die visserij halff affgenoemen, und als Elbert voirscr. dair nae heeft doen vissen, gynck Henrick Spaenrebock voirscr. ewech en mocht des nijet syen.

Ordn. 4 Opnamenr. 1141
1542, dynstaichs na Paeschen        Voor de Heijense schepenen, met namen Gairt van Haen en Arnt van Haeselt komt, op verzoek van de heer van Heijen, Wilhemken Boytkens in de schepenbank. Hij zegt dat hij zijn oom Derck Visser, ook genoemd die lange poerter ind visser te Genp op ten huys (=Genneperhuis), vaak heeft horen zeggen, dat die helfft der visseryen van der Meer, den Greef genoemen weer, by tyt Elbert van Alphen, drost tot Genp … ende dat om eenre cledijnge wyl end dat hijse den Greef wael gevist hedt, ther beeden, dat die visch nijet gedeylt en worden.

Ordn. 4 Opnamenrs. 1142-1147
1606        Onderzoek d.m.v. ondervraging van vijf getuigen over de visserij in het Meer bij het huis of kasteel van Heijen in de tijd van en op verzoek van Alter Knippinck, heer te Heijen, door de schepenen (o.a. Derrick van Wijlick) en voor de scholtis of schout Johan van Baix van de stad Gennep. In eigen persoon verschijnen daartoe de getuigen: Jacob Nij(e)rsman, Henrich Lauwers, Jacob Haevens (?), Herman van Kueck en Gaerdt van Hoekelom. Door de eed op het heilich Evangelium zullen zij de Interrogatoria of gestelde vragen eerlijk beantwoorden.
Deze luiden of hij, Jacob Nijersman, ongeveer dertig jaar geleden op het Gennerperhuis is komen wonen en de Gennepse drosten heeft geholpen bij het vissen in het Heijense Meer bij het kasteel en of er uitzonderingen zijn gemaakt bij hoogwater, de Maas in het Meer stroomde en toen de drost en de heer van Heijen samen er gevist hebben en de vangst samen gedeeld. Kon de heer van Heijen bij gewone waterstand ongestraft in het Heijense Meer alleen vissen? Of de vader van zijn huisvrouw, Johan die Fischer zaliger, de visserij in het Heijense Meer gepacht heeft gehad? Hoe was dat geregeld in de tijd van de Gennepse drost Van Hoentzeler.
** Jacob antwoordt, dat  hij circa derig jaar geleden in het Genneperhuis is komen wonen en dat twee in het jaar, in het voor- en in het najaar in het Heijense Meer gevist is, maar dat dat de laatste tien jaar niet meer het geval is. Ook heeft hij onder drost v. Boetzelar gediend.
Voorst moeten Henrich Lauwers, Jacob Haevens en Herman van Kuuck en Gaerdt van Heukelom hun leeftijd opgeven en persoonlijk opgeven hoe de visserijrechten in den Heyense Meer tussen de Kleefse vorst (via de drost van Gennep) en de heer van het Huis Heijen in de praktijk uitpakten en hoe de gang van zaken was bij hoogwater.
** Henrich Lauwers zegt over de zeventig jaren te zijn en ten tijden van het aflopende hoogwater samen met de drost van Gennep en de Heijense heer geholpen te hebben bij het vissen aldaar en de opbrengst van die visch gedeilt. Daarna viste de visser van de heer van Heijen er gewoonlijk alleen.
** Jacob Hermans, circa vijftig jaar oud, verklaart ook dat bij hoogwater de drost en de Heijsen heer samen in het Heijense Meer gevist hebben en de vangst deelden.
** Herman van Kueck zegt ongeveer 42 of 43 jaar oud te zijn en bevestigt de uitspraken van zijn voorganger.
** Tenslotte komt Gaerdt van Hoekeloem, ongeveer 50 jaar oud, die het samen vissen van de drost en de heer bevestigd maar daar aan toevoegd, dat dat de laatste tien jaar niet meer is voorgekomen.

Ordn. 4 Opnamenrs. 1148-1149
4 november 1645    Verpfachtung von das Mehr. Pachtbrief  tussen de hofmeester van het kasteel te Boxmeer hern Johan Stieggers (?) en vrouwe Agnes Margaretha von Vittinghof genant Schel, geboren van Bonen, mefrow van Heyden, vanwege de verpachting van de visserij in het Heyense Meer    mede in verband met de bijzonder grote vangsten (met treknetten?) bij aflopend hoogwater en de verdeling van de opbrengst tot de normale pegelstand bereikt is met de hofmeester en de pachtbetaling van 12 Rijksdaalder.
        
Ordn. 4 Opnamenr. 1150
Archiefomslag, ex Staatsarchief Münster, Rombergsch. Archiv (Dep.), Haus Heyen, Akten 1.
    
Ordn. 4 Opnamenrs. 1151-1154
5 oktober 1610        Alter Knippingh, heer te Heyden, Obrist-Lieutenant und Hauptman over een groep soldaten, ein Fahlein, van 125 soldaten. Op verzoek van de Clevische Stende, de Kleefse regering, zijn zur Landts Defension gedurende ruim twee maanden tijd 125 soldaten geworven ohne Erstattung der angekaufften wehr und waffen, kraut, lonten unnd loth, wie auch lauff und taggelt. Daarvan moet de bewezen door soldaten veroorzaakte schaden in mindering gebracht worden. De vergoeding is 1192 daalder per maand en beloopt over de ruim twee maanden 2950 daalder en 15 stuiver. De afrekening wordt gemaakt met de Kleefse commissarissen.
De specificatie, opgesteld door Mercator, geeft de uitbetaalde contibuties aan en de ontvangsten van de steden Goch, Gennep en de betaalde geweren door de stad Nijmegen. Verder betalingen door onder meer jonker van Schewick bij de drost Eickelen, door de drost van Wittenhorst, de heer Boitzelers te Calcar, e.a.. in 1611 voor geleverd pulver, betalingen te Duisburg, Düsseldorf, Orsoy, aan des Jegermesiters dochter e.d.

Ordn. 4 Opnamenrs. 1155-1156
26 april 1621        Kopiebrief aan de Kleefs Churfürstl. Brandenburgische geheimbtte undt zur Ambtts Cammer over opgelegde aflossom van een pandbrief en renten met bezwaar en beklag van de Heijense heer.

Ordn. 4 Opnamenr. 1157
Kleef, 26 april 1621        Antwoord van Adolph Steinigen van de Brandenburgse regering in Kleef aan Alter Knippinck van Heijen en tevens ambtman in de Liemers over de Steinswerdischen Pfandt verschreibungh om tot een vergelijk te komen.

Ordn. 4 Opnamenr. 1158
Kleef, 26 april 1621.        Brief over de Steinswerdischen Pfandt verschreibungh en oproep tot verschijnen i.v.m. lospenningen, pandbrief  en kwitanties. Tevens de klacht dat het onderpand van de weerd in de Rijnstroom praktisch verdwenen is en ander onderpand te stellen is.

Ordn. 4 Opnamenrs. 1159-1162
9 januari 1622        Schrijven aan de Brandenburgse regering in Kleef van de onderdanige heer van Heijen, Alter Knippingh inzake inkwartiering van soldaten vanwege des immer werrenden niederlandischen Kriegs aangerichte schaden, duizende Reichs daller, toevlucht in kasteel Heijen en andere gebouwen in Heijen en omgeving, grote afbreuk aan eigen bezit, bedreigde en arme onderdanen van Heijen, trouwe dienst ook aan de voorgaande hertogen van Kleef, e.d.

Ordn. 4 Opnamenrs. 1163-1165
3 mei en 27 juli 1622        Brief van Alter Knippingh zu Heijen aan de keurvorst in Kleef in verband met o.m. tractement, inkomen, e.d..

Ordn. 4 Opnamenr. 1166
22 november 1621 / 27 juli 1622        Kopie van een omslag betreffende een onderdanig verzoekschrift van Alter Knippinck van Heijen bij de waardin im Engeli en Kleef en bij de waardin in den blawen Druve te Wezel vanwege notities van verteringskosten
    
Ordn. 4 Opnamenr. 1167
9 januari 1622            Kopie van een omslag van een verzoekschrift van Alter Knippingh zu Heyen om compensatie van gemaakte kosten voor trouwe vaderlandsdienst,  van dem Vatterland erzeigte trewe Dienste, en daaruit gevolgde grote schaden.

Ordn. 4 Opnamenrs. 1168-1170
1702 en 16 febr. 1703.        Ingevuld voorbedrukt formulier van geleden schaden in de tijd van de heer van Diepenbrock van Heijen door de legering van en het doortrekken van Franse troepen in het ambt Gennep, met name in de heerlijkheid Heijen, Kessel en Mook met afgebroken of verwoeste huizen, gestolen vee, meubels en baar geld, koren, brandschatting en uitgaven van betaalde sauve-guardes, houtgewas, verloren hooi en gras.
De schaden van de predikant van Gennep heeft hij in die van de stad opgegeven en de pastoor van Heijen in die van de heerlijkheid Heijen. De totale schade beloopt ongeveer 40.000 Reichsthaler.

Ordn. 4 Opnamenr. 1171
Archiefomslag, ex Staatsarchief Münster, Rombergsch. Archiv (Dep.), Haus Heyen, Karton 12.
        
Ordn. 4 Opnamenr. 1172
10 mei 1667            Uitgedeelte boeten, na verhoor vastgelegd te Heijen, wegens allerlei overtredingen, zoals oproerige uitlatingen, gewelddadigheden, scheldwoorden, vechtpartij of schlagereij mit den alten Custer, slaan en messentrekken.

Ordn. 4 Opnamenrs. 1173-1175
1669, 1670            Boeten te Heijen wegens het mestrekken op 31 mrt. 1669 van Merten Kusters op Handrijck Harkens; einde april 1669 heeft Marten Kousters de vrouw Lijesken van Seijmmens op haar borst geslagen; op de 16e mei 1696  heeft Martten Kusters een kind van Goussens ijnde Vran een brandwonde toegebracht; op 6 augustus 1696 zijn Tijs Ebben met Jan met den schop gaan vechten; einde aug. 1670 heeft Marten Kusters gevochten met Coejen Handdrijcke en is met een mes in de duim gestoken; op 2 september 1670 heeft Marten Kusters weer met een mes gestoken op de knecht van de heer van Heijen, zijnde Houbbert Weijllems; in juli 1670 vechten Andrijs Robben en onsen Weijllem en er wordt een mes getrokken; Derck Robben heeft knecht Frans van de heer van Heijen uitgescholden voor een per(d)sdijef en koedief; op 3 okt. 1670 liep Marten Kusters weer een boete op, nu voor de huid vol schelden van een vrouw; e.d.. Marten Kusters wordt o.m. een zeer hoge boete van vijf goud gulden opgelegd.

Ordn. 4 Opnamenr. 1176
18 augustus 1671    Voor de Heijense schepenen Cens (?) Bossen en Jan van Lottum is verschenen Joannes Cappelair, chirurgijn op het fort Gennep. Hij verklaart dat in de heerlijkheid Heijen een gewonde, een gequetst liggende persoon Hendrick van Weese aangetroffen is en op dit moment is den selven gequetsten buyten peryckel van sterven. De chirurgijn heeft de gewonde nu vijftien dagen bijgestaan.

Ordn. 4 Opnamenr. 1177
8 augustus 1671    Voor twee schepenen Derck Ebben en Jan Hendrickx van de vrijheerlickheyt Heijen geeft Hendrick van Weess een verklaring af dat hij van Gennep kwam en toen is Marten Custers bij Hendrick van Weess gekomen, vergezeld van kar en paard. Hem werd gevraagd of hij mee wilde varen en Hendrick antwoordde dat hij zich liever varen liet als gaen. Hij ging mee tot bij de Heess en onderweg is gesproken over die glaser welcke staen in joffrou Wijlickx huijs, als dat hij die betaelt soude hebben. Daerop heeft Marten Custers, Hendrick van Weess toegesprochen en geseijt dat light (liegt) ghij als een schelm. Daarop is Hendrick van de kar gesprongen, met een houweel achterna gezeten door Marten en daarop is Hendrick op het hoofd geslagen door de hoed heen en ter aerde geslagen. Vervolgens heeft Marten zijn zoon Jan het bevel gegeven er zo snel mogelijk vandoor te gaan door te roepen gaet jaegen, gaet jaegen.

Ordn. 4 Opnamenrs. 1178-1179
14 september 1677     Financieel overzichtje in een Heijens protocoll van boeten en betalingen b.v. aan de vicaris Bosch wegens de vicarie S. Nicolaas te Heijen met korte gegevens over de reis van Docter Haesbaert, de aanstelling van twee nieuwe schepenen, de monniken van St. Agatha genoemd den mungen zu S. Agten, i.v.m. het plaatsen van bijenkorven, het jagen met de heer graff von Buxmer.

Ordn. 4 Opnamenrs. 1180-1185
1730-1735     Opgelegde boeten in de tijd van Van Diepenbrock, heer te Heijen, wegens o.m. het foutief drijven van schapen, het maaien van klaver op een boetedag, het slaan van een dienstmaagd, het steken en weghalen van bloemen, plaggen halen op een zondag, heimelijk plaggen steken.

Ordn. 4 Opnamenrs. 1186-1188
18 maart 1719                 Mandatum, lastgeving en opdracht van Heijense ingezetenen wegens grooten mangel en gebreck aen Bouland …. en daer tegens grooten overvloet van Heijde land. Deze heide kan met alderminste schade voor bouwland ingezet worden als hoognoodigen en nuttelijcken wercks aldus dit schrijven van de ingezetenen Jacob Ter Vooren, de schepenen Berndt Bosmans, Derck Bouman, Peter Bouman, Derck Claessen, Kerst Busmans, Henrick Bossen, Jan Daemen aan zijne majesteit, de Pruisische koning, gericht. Dan volgen de eigen handmerken van deze ondertekenaars, omdat het meerendeel het schrijven niet machtig is en geen handtekening kunnen plaatsen.

Ordn. 4 Opnamenrs. 1189-1193
1691 en 10 maart 1692.        Gedetailleerde overzicht door de Heijense gerichtsbode en schepenen voor te betalen boeten, de opbrengst over te dragen aan de heer van Heijen, vanaf 4 maart 1691 wegens het aantreffen van vier met naam genoemde herders met schapen op den Hees, een scheld- en vechtpartij (door de Scholtis beboet), kapot getrokken kleding, het hooien op een zondag, het neerslaan en aanhitsen van honden, het drijven van schapen op land waar de tienden nog niet afgehaald zijn, het niet werken aan de oeverbeveiliging van de Maas, het doen van huiszoeking bij Marten Custers, verstopt gestolen hout, het tot bloedens slaan op een voorhoofd, ook slaan tijdens het drijven van vee, e.d..

Ordn. 4 Opnamenrs. 1194-1197
Circa 1665.            Inkomplete dus fragment ondervraging voor de Heijense schepenen Tijes Ebben en Jan van Lottum, waar ook voor de onsenen Scholteis Joan Deusingh een aantal lieden gedaagd zijn, zoals Jenneken Janssen, Teuws Janssen, Hendrick Bonenbergh.    
De vragen gaan over: de ouderdom der getuigen, welke meubelen en huisraad uit een huis gehaald zijn, waar verstopt en wat voor soort meubelen het waren? Of ook huisgenoten en kinderen geholpen hebben bij het wegdragen der meubelen? Of Derick Robben, “na gedaener nederlage“ van N. Raesfeldt, niet meer in zijn huis gekomen is? Of Derick Robben met andere gemeenschap heeft aan de meubelen, als ook in de Duffelt? Hoeveel hoornbeesten van koeien en ossen heeft hij in Heijen en in de Duffelt? Waar deze beesten in de nacht van de overval naar toe gedreven zijn? Hoeveel schapen hebben zij beiden voor dese nederlage in gemeenschap in Heijen en in de Duffelt en in welke schapskoij? Waar houden de beesten zich momenteel op? Of voor het voorval zij nog onderling discussies over beestenverkoop gehad hebben? Wanneer hebben zij den weerd van zijn Excellentie onder Beugen gepacht? Off niet waer, datt als Derick Robben de nederlage gedaen hadde, eijnige meubelen van Derick Robben huis gesinde aen offte voor deponents hujs zijn gebroeken? Wat soort meubelen zijn het geweest en waar verblijven ze?
Jenneken Jans zegt ongeveer 24 of 25 jaar te zijn. Ze hadden twee bedden der eener in des Custers huijs gebracht en het ander voor die doore nedergelaicht, oock een kleermandt mit eijnigh goet, maer niet wetent wat voor guider, die die op den tuijn van den Bongart nedergesat, maer waer dieselve gebleven, wiste die niet.Verder waren spullen met zijn allen naar Afferden gebracht, maar waar de meubels waren oindergebracht, bleef onbekend. Er wordt bekend dat het gaat om 63 koijbeesten ende stieren, die in Heijense weilanden alsop de Meersche weerth gaen. In de Duffelt hadden zij onder huer beijden tezamen 80 schapen en in Heijen 20 tot 25 stuks. Er waren bovendien 75 schapen in Wanssum gekocht en nog niet volledig betaald waren.

Ordn. 5 Opnamenr. 0000
Digitale bron C 1 - 3
Archiefomslag, ex Staatsarchief Münster, Rombergsch. Archiv (Dep.), Haus Heyen, Karton – Akten 23.

Ordn. 5 Opnamenr. 0001
Archiefomslag, ex Staatsarchief Münster, Rombergsch. Archiv (Dep.), Herrlichkeit Heyen,  Akten V, nr. 11 B
            
Ordn. 5 Opnamenrs. 0002-0005
12 april 1655         Inventarium aller ahn Hause Heijen befintlicher Mobilien staande op de zolder in     A) een grote kisten met lampet, tinnen kandelaars, koperen luchters, pannen en potten, enz.
        B) in een klein kistje met linnengoed, bedlakens, handdoeken, gordijnen, enz.
        C) koper en tinnengoed op de zolder en de balken
        D) grote koffers met allerlei inhoud aan pannen, tangen, lepels, deksels, sabel, verder een gevlochten stoel, wijnglazen, kannen enz. , enz.

Ordn. 5 Opnamenrs. 0006-0008
Mei 1703          Opgave en rekening van hetgeen opt huijs Heijen aan glasreparaties door Glasmaker Jan Zeller te Gennep in opdracht van zijn vader is verricht van nieuwe glase in de keuken en kamer, verwerkt lood, herstelwerk boven de Sael Camer, in en boven `t Kinder kamerken, in de staeff  (stoof) en in de kelder, op de Poort Camer. De rekening gaat naar Hans Michell Gronewalt, de beheerder van de Heijense en Bulderse heer Van Diepenbrock. De rekening van 31 gulden wordt 3 november betaald en voor ontvangst getekend door Mechtildis Zeller, par ordre mon père.

Ordn. 5 Opnamenr. 0009
Archiefomslag, ex Staatsarchief Münster, Rombergsch. Archiv (Dep.), Herrlichkeit Heyen,  Akten V, nr. 12 A
    
Ordn. 5 Opnamenr. 0010
3 mei 1522         Brief, mede ondertekend door de Heijense pastoor Alard Michiels, en geschreven door jofferen Elisabeth Spaenrebock, weduwe van Eijckel, frouwe tot Heijen met de gemene schepenen en naburen tot Heijen inzake de gunning van het kosterschap van Heijen aan Ruth van Veltum  (elders genoemd Ruth Custer)  en dit met instemming van bovengenoemde pastoor, dat hij levenslang, eerbaar en dienstbaarlich sal bedienen als koster en er tevens schoolmeester zijn en oock die kinderen in goeder disciplinen und Gades vrucht underhalden en daarop toezien. De inwoners zullen hem daarvoor belonen en o.m.  broden geven.

Ordn. 5 Opnamenrs. 0011-0012
22 november 1577         Ondertekende brief door Jan Mijchiels, Henryck Spanrebock, coster in der tyt tot Heyen inhoudende en ist o weten woe dat die Ehrentfeste duegendtricke Joffe Ganlant van Mevardt, frow tho Heyen und naegelatene weduwe Arnt Spaenrebockz zaliger gedechteniss mit vurweten und believen oerer tweer dochteren pachtz gewiess to gebruicken ingedaen hefft Henrick Spaenrebockz Custer thi Heyen und Johan Michiels vyr jarlanck, sonder eenige opsegginghe vast stedigh wehrrende, oere drie weykemppen, geheyten die Wittestein. De herverpachting voor vier jaar gaat in 1578 in voor zes daler per jaar.

Ordn. 5 Opnamenrs. 0014-0015
22 maart 1635         Onder de Heijense getuige en pastoor Marcellus Busselius Astensis (uit Asten) verklaren Peter Vermasen, Arndt Verhasselt, lambert Schreren, Roeleph Ridders, Henrick Haess, Mathijs Damen, Johann van Langhen als schepenen te Heijen en de kerkmeesters Wilhelm Lamberts en Hanrick Haess over de prestaties van de Heijense koster Adolph Rutgeri Veltum, die de school en de kosterij van de parochiekerk te Heijen bedient. Hij mag in die getimmerde schoel op den Kerckhoff, die wij van der Kercken renthen ende seeckere mithulp hebben laten bouwen en als vergoeding en tot zijn onderhoud krijgt hij jaarlijks daar voor vijff malder roggen, ein schepell.

Ordn. 5 Opnamenrs. 0016-0019
Kerstmis 1658 tot Pasen 1663        Extract uijt meester Aerdt ten Haeff zijn aenreickeningh voort den tyt als hij Cöster tot Heijen is geweest. Het betreft kosterschap vergoeding in de vorm van geleverde broden door inwoners zoals Willem lamers genaemt Vermaesen,Willem Ebben, Alardt Peters, Gerit Alarts, Derick Ebben, Derick Robben, Andrijs Robben, Frans Fouck, Hans Tegeler, Aerdt ingen Nielen, Cens Bossen, Jan Wolters, Jan Dinnesen, Jan van Elsen, Liesbet Thönesen weduwe Roderen, Willem Horstman, Marten Thönesen genannt Cösters, Peter Kerstjens, Thomas Janssen, Jan de Hardt, Vincents Boffen, Herman Thönessen genannt Ruiter, Jacop Ross, Willem Scheiff, Peter Kerstjens, Willem Henricks, Jan Ebben, Jacob Cösters gewesene köster, Berndt van Elsen, Hendrick Dericks Lodder, Willem Ridders, Berndt Bosmans, Jacob Witfelts, Derick Bouwmans, Jan van Langen oft Bossen, Lamert Schreven, Henrick Hanssen, Thijs Peters, Jan op den Suijckerberg, Peter Hacken, Herman Janssen, Claes de Vilder, Lambert Janssen van Asten, Hendrick Arts, Jan van Helden, Jan Gietmans, Jan den Wildenboer, Jan Leeuw, Thijs Janssen, Bastiaen in de Heij, Thijs Heckselsnijder, Geurt Micchels, Jan op den Kamp in de Heij, Jan Gerardts over het broeck, Jan Gerarts, Jan Bantz den dooven pauper en tenslotte joffrouw Wijlack.  

Ordn. 5 Opnamenr. 0020
Blnco opname.    

Ordn. 5 Opnamenrs. 0021-0022
15 april 1659                Ten tijde van Cornelis Vermeulen, pastor tot Heijen, en de schepenen ende nabueren der heerlickheijdt Heijen hebben deze Arnold the Haeff tot haeren schoelmeester aenghenomen haeren jetzigen Küster …….. om deselve schole te regeeren ende de kijnders te leeren. Bovendien zal hij alle Sondaghen ontrent twee oft drie uhren de kunders onderwijsen.  De onderwijzer zal daar voor de renthen ende inkomsten trecken, die hiervoor staan. In geval de Vrouwe van Heijen de twaelff Rijsdalers niet gheeftt aan Arnoldus, zal de betaling geschieden door de schepenen en nabuiren op de feestdag van S. Martin (11 november). Dit jaar 1659 zal de meester niet de twaalf Rijksdalers genieten, maar de pachtpenningen van den vierden (tiend)Block naest den Papelier. Den aenvanck der school is geschiedt den twaalftten Januarij 1659.

Ordn. 5 Opnamenrs. 0023-0033
14 febr. 1664        Onderdanig tegenbericht bij bijlagen, gemerkt A,B,C en D    contra Arndten ten Haeff, Custer ende Schooldiener tot Heijen, aangeleverd bij Martinus Haesbaert te Kleef.
De eerste brief is gericht aan de Vrouwe van Heijen aangaande klachten en onverstand van Arnold ten Haeff, na consulatie van de procurator van de Gaesdonck. Er is sprake van stoten, steecken, mishandeling van leerlingen, waar Godt in den hemel weet in ‘t minste geen oorsaeck tot en hebben gegeven  ……. het vinden in de herberge ….. bedrogen ende belogen soude hebben ….. verder de aanklacht wegens hett leeren der reformeerde boecken terwijl er in de Gantsche Gemeente geen refomeerden en sijn die kinderen ter school sturen en men oock geen onderscheijt der religie speuren kan. Ook zou de schoolmeester kinderen reformeerde boecken geweijgert hebben om daaruit te leren, welke de moeder haar kinderen had meegegeven. De onderwijzer zegt zulx niet te hebben gedaen sonder voorweten van haren man, welcken Catholish is. De schoolmeester wordt ook beschuldigd dat hij bij de kinders soude geroockt off gesmoockt hebben. Dat kann echter niet waar zijn, omdat de onderwijzer van Toebax geenenn Lieffhebber is. Ook dat hij biert en brandewijn zou tappen is onwaar. De onderwijzer verzoekt de Vrouwe van Heijen om eerherstel.

Ordn. 5 Opnamenrs. 0034-0037
1664        Verslag of Memorial en verzoek van Arnold ten Haeff hoe schrickelick en ellendich Jan van Lottum, schepen tot Heijen, met sijnen soon Zijbert mij op 9 oktober 1664 in den duijster nacht op `s Heerestraeten hebben naegeloopen, nedergeworpen, geslagen en gesteecken … te bedde moste blyven …. in 17 off 18 dagen sonder hulpe, niet koste eeten noch kleeden ende ontrent 3 maenden moste gaen, item den gantschen winter met de gewonde handt niet bloot connen wesen.  Hij had daardoor niets kunnen doen    en ook geen meesterloon gekregen.

Ordn. 5 Opnamenrs. 0038-0039
13 januari 1664        Verklaring van de chirurgijn Cornelis van der Poel dat de koster van Heijen, Aerdt ten Haeff, bij hem gekomen is met een steekwond in zijn hand tussen de zenuw en de botten, seer periculeus, zodat daar een lamme hand uit kan voortkomen. Voor de medische behandeling had Aerdt hem ses gulden hollands betaald.

Ordn. 5 Opnamenrs. 0040-0041
9 mei 1670            Kopiebericht als dat den Heere van Blienbeck als praetenderende te hebben de collatie (benoemingsrecht) van den Custerije tot Heijen en dat Jacob Custers van der Horst al gedurende de tijd van 6 jaar dit beroep in Heijen uitoefent tot tevredenheid. De schepenen en naburen bevestigen dat met hun handtekening of handmerk.

Ordn. 5 Opnamenrs. 0042-0043
3 mei 1582            De gemene schepenen en naburen van Hweijen en vrouwe Elisabeth Spanrebock, weduwe van Eickel, bekennen unsere kustereij tho Heijen levenslang gegund te hebben aan Ruth van Veltum en dat met instemming van hun pastoor Alard Michels. Ook heeft Ruth de plaatselijke school te bedienen waar enige kindern, knechtjens ende mechtjens naar toe gaan om te leren en in goeder disciplinen und Gades vrucht worden groot gebracht tegen beloning van de gebruikelijke broden en andere toevallen.
Het origineel van deze brief berust bij Henrick Bonenberg, rector tot Kleef.

Ordn. 5 Opnamenrs. 0043-0044
15 juni 1685            Met het opgedrukte Gennepse Stadt Siegel bevestigen burgermeister, scheffen und raht der Stadt Gennep dat juridische discussie gaande is tussen Berthina Elisabeth van Vittinghoff genannt Schell Gerichtsfrawlein der herligkeit Heijen contra Arnoldus ten Haeff, custos beij der parochial kirche alhie zu Gennep, de echtheid van zekere brieven.

Ordn. 5 Opnamenr. 0045
Rond 1700         Brief van Johan Lensens, custer in Heijen,    aan de richter (te Kleef?) waarin gesteld dat hij aangesteld is door de vrijheer van Bulderen en Heijen en voor getrouwe dienst ook een getrouw loon hoort. Hij stelt dat de gewezen koster en schoolmeester Arnolt ten Haeff jaarlijks genoot op Pasen en Kerstmis tien pond brood, zoals alle kosters genieten te Otersum, Hommersum, Kessel, Mook.

Ordn. 5 Opnamenrs. 0046-0049
Gennep, 19 september 1705         Rente-overzichtlijst van Renten soo tot die Custerie tot Heijden gehoren kaern pacht (korenpacht). Daarin geeft Willem Scheif(t) uit zijn huis en hoft een malder gerst. Als pacht-onderpand gold hiervoor een land in den Hoppenkamp, maar deze pacht is later in een slechter onderpand omgezet van ongeveer een morgen licht land achter den Sprinkheuvel aen die heijde.Iten heeft den Custer uit ider huisstede 20 pont broots te weten 10 pont op Kersfeest en 10 op Paesfeet. Tot onderpand hiervoor geldt:
Een slegt weitien genaemt des Custers hoef neffens den leijgraeft en neffens die heijde, een eind ligt naest Heijen op Poelmans hoeff. Aldus worden verschillende weide- en bouwlanden genoemd die tot onderpand dienden op den Laxen wech, het Sparenbroek, in den Masenhoeck, ´t Pastorien erft
Voorts volgt de opsomming van de renten der schoole tot Heijden, welck op den Kerckhof wt der kerken middelen gebouwt ende getimmert is van de tijtlijke kerkmeester. Die renten syn gelegen  in een nieuw erf, een nieuwe boerderij, tussen Heijden en Hommersum gelegen en brengt jaarlijks 3 vat rogge op. Hiervan heeft de heer van Heijen (tiend)blocken van 1,5 amlder rogge, de rentmeester Eb Stickers één block ter waarde van 3 vat rogge, Hendrick Custers kynder 1 malder en 1 vat rogge, den wildschut 3 vat rogge en Lamert Schreven idem. Voor wordt gezorgd voor de armen van Heijen.
Opgemaakt door onderschreven Arnoldus ten Haeff, gewesene Custer in Heijen van meester Johan Lijnsens, tegenwoordich Custer aldaer, die verzocht ist e berichten hoe het precies geregeld was met het Paesbroot ende het Kersbroot.Soo heb ick hem sulkx niet konnen weijgeren, waerom ick mits desen Attestive, da tick ten tyte van mijne school en custerij bedienung voor de jaren 1658, 1659, 1660, 1661, 1662, 1663, 1664 en 1665 aldaer het Paesch ende het Kersbroot heb ontvangen.

Ordn. 5 Opnamenrs. 0050-1053
1658-1663        Extract uit de aantekeningen van koster en schoolmeester A. ten Haeff.
Deze lijst is een variant op voorgaande inkomsten, genoemd onder 0016-0019.

Ordn. 5 Opnamenrs. 0054-1055
1 mei 1706        De custer en schoolbediender Johan Lensen van Heijen bekent jaarlijks van:
1) Jan Maes, custer tot Kessel, zijn brood ontvangen te hebben.
2) mijn broot ontvangen te hebben van Hendrik van Neer, custer tot Hommersum, uit jder huis alwaar rook op gaet.
3) De koster van Afferden, Jan Jurgens, bevestigt de  ontvangst van 15 pont broot ende enen sester roggen van jeder huis.

Ordn. 5 Opnamenrs. 0056-0058
3 augustus 1734        Groot Consistorium, gehouden in Gennep. Naast de prediger Theodorus Erpers zijn aanwezig de koninklijke tolbesiender W. Ommeling, Schepen van Erpers, Monsr. Herman Nolbeek/Holbeek, ouderling, monsr. Nadler, Herman Iagers diakon van den gewesene consistorialen, die alle geconcoceert syn, syn verschenen de Heer ontfanget Cöster, de W. Reinier Reiniers, de accise inspector Helmke, de Hr. Iacob Reiniers, Hr Putten
Post in vacotionem nois Divoni
Heeft de peridger voor gestelt, dat volgens de resolutie in vorigen consistoria genomen, het oog merk van dese vergadering was, om eenen nieuwen Latijnsen Rector en organist te beroepen, de hr. Burger mr. (burgemeester) Leurs in consistorio absent blijvende, soo is hij door de schoolmeester versogt om als een consistorial in consistorio te komen dewijl het consistorium yet noodsakelicks aan hem voor te dragen hadde, die daarop verschenen sijnde, soo is het antwoord twelck een consistorium op sijnen proppositien aan/door de prediger voorgedragen,
den 1e deses in consistorio gegeven heeft, uyt het Kerkeprothocol aan hem voorgelesen, de dat het consistorium, hoewel met fundament praetendeert, dat het beroep in de Kerke geschieden moet, nogtans, als dan toestaat, dat het beroep van den Rector voor dit maal op het Raadhuijs geschiede, wanneer de Magistraat ook consenteert, dat t in toekomende in de Kerke geschienden sal, en also alternative, ten 2e dewijl uijt het Kerkeprothocol blijkt, dat bij het beroep van de vorige Rectoren en organisten Bollenberg en Van de Wehrt ook het groot Consistorium, hare vota gegeven heeft, silks ook in andere plaatsen gebruikelik is, hetr consistorium derhalve oordeelt, dat het daarbij blijven moet,
waarop de Hr. Burgermr (burgemeester) namens de Magistraat repliceerde, dat hij de Magistraat daar over vernemen mochte, en is daarop met schepen Erpers naa het Raadhuijs, naa de Magistraat gegaan, van waar scheper van Erpers met dit antwoord terug gesonden is, als dat de Magistraat praetendeerde, dat het beroep van de Rector op het Raadhuijs geschieden moeste, wijl de Magistraat de rang toekomt, en wel door een klein consistorium.
Waarop uijt liefde tot eenigheid en vrede, de burgermeester nomine Magistratus nog maals door de schoolmeester in consistori versogt is, die sigh heeft laten excuseeren, dat wegen affairen niet konde afkomen, de wijl nu dit beroep geen verder uijtstel lijdt, soo heeft een groot Consistorium goetgevonden, daar mede voort te varen, tot dien eijnde is de BURGERMEESTER Leurs door de schoolmeester versogt, om in de naam van de vrijheer Van Diepenbrock dit beroep bij te wonen, volgens de volmagt aan hem daartoe gegeven, als blijkt ex adiuncs nr. 1
Die heeft laten antwoorden, dat hij sijnen Heer in geen actie of proces wilde brengen, dewijl nu de Burgermeester nog int eene, nog int andere sigh niet schikken will, en de Magistraat ongegronde dingen praetendeert, soo sijn in consistorio voorgestelt W. van Basten l.l. Theol studiosus, informator op het vrij adelick huijs Calbeck, en hr. Umminkhausen, rector tot Schermbeck, waarop vervolgens Hr. van Basten met eenparige stemmen tot Latijnse praeceptor en organist deser gemeinte verkoren is, op conditien, die nader in het beroep schijn sullen beschreven worden, en in consistorio voorgelesen sijn,
is deze handeling met den gebede geeyndigt.
(Ondertekend) Theod Erpers, prediger.

Ordn. 5 Opnamenrs. 0059-1061
Gennep, 15 november 1741        Overlijdensbericht (aan de vrijheer Van Diepenbrock te Heijen) dat de rector en organist van de stad Gennep is overleden, al langere tijd lijdende aan een quade borst … en verscheijde reijsen veel bloed van boven gestort heeft. In die ziekelijke tijd, tussen Paaschen en Pinckstern trouwde die goede man tot onse verwondering nog een vrouw (een ionge dogter van Goch, daar hij in het kosthuijs geweest is), daar hij reeds doen seer swaklik was. Nu hij overleden is, is het beste voor de gemeente en ieugd .. wederom een ander bequaam subiect aan te stellen. Er hebben zich al personen aangemeld bij prediker Theod. Erpers.

Ordn. 5 Opnamenrs. 0062-1063
Heijen, 11 december 1746        Bevestiging van de schepenen, geerfden en inwoonders der vrije Heerlyckheijt Heijen, dat zij vernomen hebben van hun vrijheer Van Diepenbroeck, vrijheere tot Bolderen en Heijen dat hij de aanstelling goed gevonden heeft van Arnoldus Ebben tot koster en schoolmeester. Arnoldus is nog zeer jeugdig (17 jaar) en de wettige zoon van Derck Ebben, inwoonder alhier en van ouders tot ouders hier uijt Heijen gesprooten. De ingekomen bezwaren vanwege zijn jonckheijt worden gehoord en afgewezen.

Ordn. 5 Opnamenrs. 0064-1066
Heijen, 4 juli 1747        Onder de Heijense pastoor Barth. Heckermans gaat een brief naar de heer van Heijen om die en onse niewe gemaeckte kennis en vrintschap des te beeter te stabilieren en ook over wat de onderwijzer Ebben in de mouwe en in de schilt gevuert heeft en zou de heer van Heijen wel oijt gedacht hebben, dat soo een particulieren Grootspreker die stouticheijt soude derven gebruijcken…… ende sich te opponeeren ende mit gewelt sijn soon soeckt in custerie en schoolmeesterie in te dringen, daer sijn soon noch tot het eene of tot het ander capabel is ….. en aen sijn Koning Majesteit in Prussen geangaseerter soldat is … den vaeder sijnen soon, noch den soon sich eijgen selfs tot andere dinsten konde presenteren …. En als hij de collatie gesonnen heeft de soone ouder aengegeven hebben als 15 a 16 jaaren aen wie de jugent principael, noch de kerck mit haare meubelen niet kann toe vertrout worden …. En daerom is hij niet capabel custer of schoolmeester te weesen.  Het zou goed zijn als ook richter Leurs hiervan op de hoogte gebracht wordt.

Ordn. 5 Opnamenrs. 0067-1068
1695            Extract uit een register van de kosterij van Heijen, geschreven door de heer Emericus Krift, destijds pastoor in Heijen. De notities die dan volgen komen in grote lijnen overeen onder voorgaande opnamenrs. 0046-0049. De volgende veldnamen worden genoemd boven de Meer, Spaenrebroeck, Calcker, Maessen hoek, pastorien lant, t Cromlant, het Geerken. Belangrijk is dat deze landerijen syn van alder tot alder thijns- en schatting vrij!

Ordn. 5 Opnamenrs. 0069-0070
Circa1695            Overzicht van renten, die de schoole tot Heyden toekomen, in totaal 5 malder en 2 vat rogge, komend uit diverse tiendblokken, vooral gelegen tussen Heijen en Hommersum.

Ordn. 5 Opnamenr. 0071
Archiefomslag, ex Staatsarchief Münster, Rombergsch. Archiv (Dep.), Haus Heyen,  Akten, Karton 20

Ordn. 5 Opnamenr. 0072
Archiefomslag, ex Staatsarchief Münster, Rombergsch. Archiv (Dep.), Herrlichkeit Heyen,  Akten V, Nr. 11 A 3

Ordn. 5 Opnamenrs. 0073-0076
1656 en later            Ermen Einkompsten zu Heijen -- Overzicht van inkomsten voor de armen van Heijen uit bouwland, geregistreerd door Ebb Sickers uit land van Arndt ingen Nijlen zoals vaten rogge, en uit land auff die Lehmslkuylen. Geldinkomsten uit gestort kapitaal van 200 Kleefse gulden, zoals blijkt de notities van rentmeester Jacob Reiniers, tegen 5% rente.
Andere aantekeningen zijn van de ermen meisters over de jaren 1666, 67, 68 en 1669 met de naam Wilhelm Henrichs en meister Henrich Hensen.

Ordn. 5 Opnamenrs. 0077-0078
1665 -  1667            Overzicht reparatiekosten kasteel Heijen van de vakman Jacob Reiniers, zoals ijzerwerk (ankers, solder nagels, buijtenste deur aant gevangen hüis, ancker nagels, grote nagels aent pannehuis, slot vermaakt, gewerkt aan de slagboom, een vetter of touw aan de gerepareerde putemmer gemaakt, 50 groote nagels aen de voorster gevangen deur, een nachtslot aan de poort, haken aan de putketting, een hengsel en ankers voor het pannenhuis, solder nagels aen de schapskoij, noch den emmer uijt den put gehaelt, handvaten gemaakt in de keuken,  vensters en deur van de keuken gerepareerd,  werk verricht int brauhus en in de koeijstal, dat slot van de kelder vermackt en dat van de saal kamer, een tesslot gemackt en het slot van de klincket … met een slutel.

Ordn. 5 Opnamenrs. 0079-0087
1663, 1664 e.v.             Overzicht van schulden, drukkend op kasteel Heijen vanwege geleend geld van voorheen Wernar Ruffars en nu Theijs Krifts te Beugen (100 daler Clevisch); van Convent Jerusalem te Venray (1.000 gulden Kleefs); licentiaat Johan Bosman (200 Kleefse gulden): vicaris van het altaar B. Maria Virginis in Hassum van o.m. 10 Philippus gulden vanaf 1526 (totaal 133 gulden);  de provisoren van het gasthuis te Gennep (75 gulden);  de armenkas van Hassum; van die arme Mannen zu Ghoch (100 Philippus gulden); een bedrag uit een bruidschat; een klein bedrag van de parochiekerk van Heijen;  de pastoorvan Heijen;  het klooster Marienbaum; vicarie St. Nicolai te Heijen, e.v.

Ordn. 5 Opnamenrs. 0088-0092
1664, 1665, e.v.             Overzicht van verschillende soorten ontvangsten wegen Nichte Bertine Elisabeth (von Vittinghoff, genannt) Schell, als ook van allerlei gewone en buitengewone uitgaven.

Ordn. 5 Opnamenrs. 0093-0096
1664, 1665            Rekening te Gennep opgemaakt van reparaties voor Hermen Jegerlingh, gemaakt ten behoeve van het adellijk huis Heijen, zoals een slot gemaackt aan de kamerdeur de trap op te gaen; een emmer uijt de put gehaalt een nij oor aangemaackt en een hengel;  een paar gehengh …aan de schuer;  een nij isere rol in de put, ses haltvasten gemaakt voor het huijs aan den bock tot defentzij van winterdach voor den isganck, loot om in te gieten tot houvast, een breeck iseren gemaakt;  grote nagels aan dat gevanckenis, allerlei nagels en ankers; gemaakt een castralij (traliewerk); een band gemaakt int kijckgat; werk aan de hondenstal; grendels en krammen, etc.

Ordn. 5 Opnamenrs. 0097-0100
1665            Contract of akkoord van een openbare verpachting (met brandende kaarsen en bij opbod) van seeckere bloockes Bouwlants den armen toeghehoorigh in een Heijense herberg door de kerk- en armenmeesters te Heijen in guldens van 70 stuiver Kleefs per gulden, de pacht op Martini (11/11) jaarlijks te betalen. De pachtsom kan worden uitgepijnd bij niet voldoen.

Ordn. 5 Opnamenr. 0101
Archiefomslag, ex Staatsarchief Münster, Rombergsch. Archiv (Dep.), Haus Heyen,  Akten Nr. Karton 19

Ordn. 5 Opnamenr. 0102
Archiefomslag, ex Staatsarchief Münster, Rombergsch. Archiv (Dep.), Herrlichkeit Heyen,  Akten V, 11 A 3, Band 2,2

Ordn. 5 Opnamenrs. 0103-0106
1649 / 1650            Rekening van Hermen Jegerlingh vanwege reparatie- en herstelwerk aan het Huis en Inventaris van het kasteel Heijen, zoals het maken van een mistgaffel, winckelhaecken, voor de heer van Heijen een ketting gemaakt voor zijn pistolen, een slot aen de schaeps keuij; ankers, deurhaken en handvaten aen die staldeur; anckers aen dat secreet (W.C);  vier paer gehengh mit sijn toebeheur aen den gaerden tot die deur en …. een klinck met een oplichter aen dat secreet; diverse soorten en maten handgemaakte nagels o.a. voor de paardenstal; een biel gemaeckt …. en een groot slott aen den slachboom … aen die deur in den kelder …. een paer brant roeijen gemackt.

Ordn. 5 Opnamenrs. 0107-0116
8 april 1650, 1651 e.v.            Landerij-pachtopbrengsten van het Huis Heijen uit der grosser Schmalert (21,5 morgen groot); der kleiner Schmalert (6,5 morgen), deels in geld maar ook in ponden meijbutter en fahnen bier; der Houck (8 morgen); das Treckgras (7 morgen); Lanckersche Wehre (5,5 morgen); Grosse Hogeheij (18 morgen); Düsterkämpgens (4,5 morgen); zweij Kämpen auff der Locht (7 morgen); Der Horn/Kornacker (4 morgen); Elsencamp (6,5 morgen); Hoge Pollacker ( 4 morgen); Lege Pollacker (5,75 morgen); Newercamp (4,5 morgen); Pölleken ( 3 morgen); Papenlier (15,5 morgen); Schmale Kämpgen (2 morgen); Kuhcamp (4 morgen); Die Steil (3 morgen); Gysenbues (3 morgen);

Ordn. 5 Opnamenr. 0117
Archiefomslag, ex Staatsarchief Münster, Rombergsch. Archiv (Dep.), Haus Heyen,  Akten Nr. Karton 28
        
Ordn. 5 Opnamenr. 0118
Archiefomslag, ex Staatsarchief Münster, Rombergsch. Archiv (Dep.), Herrlichkeit Heyen,  Akten VI, nr. 11

Ordn. 5 Opnamenrs. 0119-0124
5 mei 1556        Kopiebrief inzake erfenisdeling tussen Aleff van Meverden tho Hassent en Arnt Spanrebuck, heer te Heijen, als momber (voogd) van joffer Galanth van Meverden en Goert van Meverden en Goert van Meverden, als momber van joffer Arntz van Meverden anderdeils, eliche broeder und suesteren. Op de 4e mei 1556, na goed scheidsrechterlijk overleg tussen familie en vrienden, is een verdeling tot stand gekomen, die nageleefd moet worden onder een boetebeding van duesent golden alde schylde. De arbiters zijn de Erentvesten und vrommen Aleff van Meverden tho Smithuisen, koeckenmeister (keukenmeester) en Henrick van Diepenbrock ther Empell, Ruetger van Randwyck en Derick van den Kollick.
Gemelde Aleff van Meverden tho Hassent zal hebben en behouden de erven und guederen, gerede und ungerede, bewechlich und unbewechlich …. dair oer vaeder und moeder ynne verstorven unde ennichsins achtergelaeten.  Alef zal zijn zusters voor hun aandeel (kyntzdeil) uitbetalen bynnen der Stad Embrich (Emmerick) yn dat Crues Broederen klooster, zijnde die gelleffte als twelleffhundert enckelle guelden myt bescheiden golden gulden …. De ander helffte als oick twelleffhundert golden gulden myt gueden anderen golden und sylveren payment. Zo zal ook Arnt Spanrebuck, heer tho Heiden, als van wege synre huesfrouwe een aandeel krijgen.

Ordn. 5 Opnamenrs. 0125-0127
9 maart 1558        Er is irrungh ind misverstandt ontstaan tussen Arndt Spaenrebock, hern tho Heijen, enerzijds en zijn zwager Adolff van Meverdt anderteils, komende van een hoofdsom ter grootte van negenhondert golde gulden ingevolge een tussen hen beiden bestaand maichgescheidtz (erfdeling). Genoemde Van Meverdt had de besproken penningen ferdich liggende gehad en Spanrebock daarover tijdig geïnformeerd maar is den vurscr(even) hern tho Heijen ther tijt niet gelegen geweist andere penningen, dan enckell golde guldens tontfangen,ofschoon het wel de gerechte weerde an andern gueden paijment dairvoir gelacht was. Het vrijgemaakte geld in penningen heeft Van Meverdt weder moeten upseggen, waardoor de bepaalde betaaltijd overschreden is. Daarover volgt een beklag bij edelen aan beider zijden o.a. aan Willem, graaf van den Bergh, heer van Boxmeer, etc.. Hierop hebben bemiddelaars als Henrick van der Hoevelwick, Thomas van Bellinchaeven, haiffmeister, Sander Tellich en Arndt Visscher, richter t Westerfoirdt een vergelijk kunnen treffen. Vervolgens betaalt Adolf onmiddellijk vyr hondert golde gulden via Sweer van den Stein, de resterende 500 goud gulden mag Van Meverdt jaarlijks honderd gulden inhouden via goederen aan de Rijn gelegen.

Ordn. 5 Opnamenr. 0128
Archiefomslag, ex Staatsarchief Münster, Rombergsch. Archiv (Dep.), Herrlichkeit Heyen,  Akten VI, nr. 10

Ordn. 5 Opnamenrs. 0129-0131
Ongedateerde afstammingsoverzicht.         De 2 x acht, dus16 adellijke voorvaderen van moederszijde van Henriette Maria van Ittersum aus dem Hause Langenbruch en van vaderszijde van Herman von Ledeburg, Hr zur Kónigsbrüch, Arensthorst und Tappenburg, opgesteld door Muhlenkampfg.

Ordn. 5 Opnamenr. 0132
Archiefomslag, ex Staatsarchief Münster, Rombergsch. Archiv (Dep.), Herrlichkeit Heyen,  Akten VI, Nr. 9

Ordn. 5 Opnamenrs. 0133-0135
24 augustus 1593        Schuldverklaring van Alter Knippinck, heer te Heijen, wegens 1900 gulden Brabants, geleend van zijn broer Conrad Knippinck, Commenthürs zu Heillpron, en erfgenamen. Dit geld is bedoeld zu reparerungh und wieder erbawungh meines Hauss und Schloss Heijen. De leenheer van Heijen, te weten de graven van den Bergh te Boxmeer zijn hiervan op de hoogte.

Ordn. 5 Opnamenrs. 0136-0137
10 december 1660        Brief (kwitantie?) ondertekend door Joost van Till, waarin Alter Knippinck en zijn vrouw Elisabeth Spanrebock verklaren, aan het overleden echtpaar Lambert van Till en joffer Frans Spannerbock bij huwelijkse voorwaarden van 1583 afstand te hebben gedaan van de vaderlijcke ende moederlijcke erftenisse…… ende onse vorscreven grootmoeder joffer Frans Spannerbock competerende kindsgedeelte aen de heerlijckheijt Heijen en de goederen aldaer, vier duijsent daelers vorsproeken ende volgents uijt crachte van het accoord met wijlen onse vader saliger jonckher Willem van Till op 4 mei 1611. Ook de tegenwoordige vrouwe van Heijen, (Bertina Elisabeth) von Vittinghoff genant Schell , geborene van Bonen, onze veelgeliefde moije is hiervan op de hoogte. Daarop heeft Agnes Margarethem van Bonen, douwagiere van Vittinghoff genaemt Schell, vrouwe tot Heijen & Schellenberg, haer erffgename ende naekomelinge de uitbetaling gequitteerd.

Ordn. 5 Opnamenrs. 0138-0141
4 mei 1611        Doorgehaalde brief waarin verwezen wordt naar een regeling van 1 januari 1578, waarin jofferElisabeth Spanrebock eerst met Hendrick van Eijckel en vanaf 1582 met Alter Knipping gehuwd blijkt. De geldelijke uitkeringen, ijren kindsdeil to Heijen en de hoofdsom van de hilixpennungen worden weergegeven tussen de partijen van de heer en vrouwe van Heijen enerzijds en hern Til an d’ander sijde. Vier verwanten und frunden van beide partijen bemiddelen, ten eerste Alter Knipping en zijn echtgenote Elisabeth Spanrebock wegens ijren nèf Til (Tijll) voor gedachte 4.000 daler en den groten und kleinen Smalert mit die Dusterkempkens und Pulmanskamp. Verder nog een weiland achter Beringens Ossenkamp met nog die helft van 20 malder rogge of gerst erfelijke jaarrente tot Beck und Loen (Vierlingsbeek en Overloon) waarvan de andere helft jonker Wilhem van Til toehoort. Voorts wordt een zeker onderpand geclaimd op der Bügensche werdt an der Masen. Ander grondstukken worden in de regeling opgenomen, zoals die Locht, dat küningstück groet vijf mergen, beide boulant, den Wijerspoul und ein stuck lantz genant den Lanckeren.
Tot getuigen van deze regeling zijn aanwezig: die edele ehrentfeste Wilhem van Steinhuys tot Opplo, Helmich van Schewick to Driesbergh. Liffort van Beringen und Arnolt van Randwijk.

Ordn. 5 Opnamenrs. 0142-0146

4 mei 1611 (met notitie van 1 mei 1612, 1613 en 1614)        Kopiebrief, geschreven door Adolphus Braem, secretaris Gritensis (Grieth?), waarin vervat de tekst van de akte van bovengenoemde opnamen (0138-141) over Elisabeth Spanrebrock, eerst gehuwd met Hendrick van Eickell en vervolgens met Alter Knippinck en haar innigen suister Frans Spanrebrock, gehuwd met Lamberdten van Tijll.

Ordn. 5 Opnamenr. 0147-0148
9 december 1611        Extract uit de Kleefse Rekenkamer namens de keurvorstelijke Brandenburgse, Pfältz Newburgs Clevische Räthe ondertekend door Wessell van Löhe, heer te Wissen en Frans vonn Eijckell wegens notities over pachtaangelegenheden van Alter Knippink te Heijen en Henrichen van Meverden.

Ordn. 5 Opnamenrs. 0149-0151
2 – 7 juni 1613        Verdrag van de heer van Heijen, Alter Knippinck, ambtman te Liemers wegens zijn aandeel in pachtinkomsten, houtgewas die Heesse genandt darbeij die NeiHeijenschen Zehendt und den Fishwasser undenn und bovenn Heijen in der Mäesen, all ihm dem Amptte Gennep und Herlichkeitt Heijenn gelegenn, jacht- en visrechten te Heijen en de rol van de zeittlichenn Rentmeijsternn zu Gennepff.

Ordn. 5 Opnamenr. 0152-0153
1613 - 1614        Rekening inzake kosten voor Alter Knipping, heer te Heijen, van Joh. (?) Soentgens m.b.t. Genneperloe.

Ordn. 5 Opnamenrs. 0154-0157
Mai 1616.            Concept van een obligatie van Alter Knippinck, heer zue Heijen, drost zu Emmerich, der Limers und Sevenar, Kriegs Commissarius en zijn gemalin Elisabeth Spannerbock, waarin zij bekennen dat het Huis Heijen door brand grotendeels verwoest is en voor herstel grote bedragen nodig zijn o.a. 1900 munten brabandischer wehrung.
Betrokken hierbij zijn broer Heinrich Knippinck zur Hackfuerth wegens 3500 daller Cöllnischer Wehrung en broer Conradt.
Tot onderpand dient Haab und Gueter en bidden God, dat alles goed mogen gaan.

Ordn. 5 Opnamenrs. 0158-0159
22 augustus 1618            Memorial weges des vatters Hern zu Heijen sache, signatum 22a Augusti Ao. 1618. Genoemd wordt hierin Knippinck zu Hackfort; Dietrich Knippinck; Kleefse landrechten; Kindsdeel;

Ordn. 5 Opnamenrs. 0160-0163
1548, 1575 en later.        (Klad?)brief van Alter Knippinck, heer te Heijen en drost te Zevenaar en     …..  inzake een schuldvordering op Josinen Suthens (Josina  Soitgens) en haar kinderen. Blijkbaar gaat het om processtukken met frequent gebruik van Latijnse juridische termen. Verder worden daarbij genoemd: Theodorus Sandz; Sibilla, geboren van Westerholt, weduwe Knippings zur Haickfurt.   

Ordn. 5 Opnamenr. 0164
Archiefomslag, ex Staatsarchief Münster, Rombergsch. Archiv (Dep.), Herrlichkeit Heyen,  Akten VI, Nr. 4

Ordn. 5 Opnamenrs. 0165-0171
5 augustus1648        Huwelijksvoorwaarden tussen Peteren Dietrichen von Eickell, Herrn zu den Ham, zoon van wijlen Dietherichen von Eickeel zu dem Ham, keurvorstelijke Brandenburgse raad en waltgraven zu Nirgenair, drosten zu Goch en vrouwe Margreten von Aldenbockum, met juffrouw Hertzlieb von Boenen dochter van wijlen Georgen von Boenen zu Overfelde, Herre zu Heijen und Galandt, geboren Knippinck. Voorwaarden zijn o.m. dat zij christelijk huwen; dat zij een huwelijksgoed een indonationem propter nuptias inbrengt; inbreng van het adelich haus zum Hamm met alle aangehorigheden en adellijke rechten; de ouderlijke erfenis; inbreng van een zogenaamde morgengabe waarvan zij levenslang gebruik mag maken; een regeling wordt gemaakt voor de kleding, de kleinodien, de bruidschat en 4.000 daler; de erfenis van toekomstige kinderen.

Ordn. 5 Opnamenr. 0172
Archiefomslag, ex Staatsarchief Münster, Rombergsch. Archiv (Dep.), Haus Heyen,  Akten – Karton 27

Ordn. 5 Opnamenr. 0173
Archiefomslag, ex Staatsarchief Münster, Rombergsch. Archiv (Dep.), Haus Heyen,  Akten – VI, 3 Band 2

Ordn. 5 Opnamenr. 0174
Archiefomslag, ex Staatsarchief Münster, Rombergsch. Archiv (Dep.), Haus Heyen,  Akten – Karton 24

Ordn. 5 Opnamenr. 0175
Archiefomslag, ex Staatsarchief Münster, Rombergsch. Archiv (Dep.), Herrlichkeit Heyen,  Akten  V Nr. 14

Ordn. 5 Opnamenrs. 0176-0178
5 maart 1622        Brief in Zevenaar geschreven door Alter Knippinck te Heijen, ambtman in de Liemers, aan de keurvorst i.v.m. het bezichtigen, inspecteren, beschutten van de passen, landweren, slagbomen onder levensgevaarlijke omstandigheden, gemaakte kosten in herbergen als im Engell te Kleef en in der blauwen Druven te Wezel. die aus meinem Beutel betaald moesten worden.

Ordn. 5 Opnamenr. 0179
18 mei 1622        Korte notities behorende bij voorgaande verzoek van Alter Knippinck te Heijen wegens betaling door Adam graaf zu Swartzenberg.

Ordn. 5 Opnamenrs. 0180-0183
Omstreeks 1622        Verzoekschrift van Alter Knippinck aan de Kleefse en Märkische raad waarin gesteld wordt dat hij goed toezicht heeft op de in Kleef gelegerde soldaten, welke echter klagen inn zwölff, etzlich in achtt und andere in sechs Monaten kein Geltt bekommen hebben. Het gehalt en deze soldij zou uit de licenten betaald worden. Derhalve vraagt hij om onmiddellijke maatregelen.

Ordn. 5 Opnamenrs. 0184-0187
16 april 1744        Brief vanuit Charlottenburg van Friedrich, koning van Pruisen, markgraaf te Brandenburg, aan de Kleefse Kriegs- und Domainenkammer en de richter te Kranenburg i.v.m. militaire regimenten mede wegens instructies naar Wezel aan de generaal en gouverneur von Dofsoir (?).

Ordn. 5 Opnamenrs. 0188-0190
Omstreeks 1620.        Opgesteld schrijven van Helmich von Schewick in naam van Alter Knippinck betreffende de bezichtiging der grenzen van het vorstendom mit Alexander Pasqualin, sluijter zu Udem samen met de Geographum von Calckar Johan von der Weij. Voor de verrichte werkzaamheden verwacht hij zijn tractement.

Ordn. 5 Opnamenr. 0191
Archiefomslag, ex Staatsarchief Münster, Haus Buldern-Dep. , Rombergsch. Archiv (Dep.), Herrlichkeit Heyen,  Akten  V Nr. 13

Ordn. 5 Opnamenrs. 0192-0195
14 juli 1648        Opgestelde ordonnantie of reglement betreffende de schutterij S. Dionijsius, patroon der kerk van Heijen.
Zie hierover nader in de publicatie: Th.W.J. Driessen & M.P.J. van den Brand „Een reglement voor het St. Dionysius-gilde te Heijen“ in ‚De Maasgouw‘1971, kolom 123-128.

Ordn. 5 Opnamenrs. 0196-0200
2 december 1717        Protokol aangaande de gildebrüderschaft van Heijen wegens het zonder permissie van de heer van Heijen, te Buldern zetelend, tegen de gewoonlijke gebruiken in een capitain und liutenant voor de gilde compagnie hebben gekozen en zo in het dorp optrekken. Dit blijkt uit gegevens van Lambertus Groenewald, Jellis Kuiper en Derck Ebbn. Dit is tegen het recht en de jurisdictie van de heer van Heijen, die consens moet geven voor deze aanstellingen. Daarbij komt ook de gebruikelijke ton bier, die aan de gildecompagnie geschonken moeten worden in discussie ofschoon de gildebroeders van Heijen van mening zijn, dat de heer van Heijen daarover niets te vertellen heeft en degene, die het meeste bier schonk capitain sein solle. Er is sprake van een boete van 10 goudgulden. De heer van Heijen moet de handelwijze van het gilde maar vergeven en mahl pardonniren en in de toekomst rekening houden met de rechten van de Heijense heer en blijven bei ihre alte privilegien.

Ordn. 5 Opnamenr. 0201
Archiefomslag, ex Staatsarchief Münster, Haus Buldern-Dep. , Rombergsch. Archiv (Dep.), Herrlichkeit Heyen,  Akten  V Nr. 12 B

Ordn. 5 Opnamenrs. 0202-0205
Juni 1546        Registrum pastoratus in Heijen – Copia der pastorijen Renten tot Heijen aengeteickent van Heer Alardt Michiels van der Horst, den welcken in ‚t jaer 1546 op Nativitatis S. Joannis Baptisten avondt (23 juni 1546) als Pastoor tot Heijen sijnen intreed heeft gedaen, geprasentiert van den Heer tot Afferden Derick van der Lip genandt Hoen etc..
•    1e de pastoor heeft alle thienden van koorengewass uijtgenomen den nyethienden neven der Maase gelegen en ettelijcke vrij stucken bouwlandt
•    2e de pastoor heeft die ganse smaelthiend, uijtgenomen des Greffen van Heijen hoffstede frij und die koolhoff binnen dorps van ruebsaet
•    3e de pastoor heeft 13 stucken bouwlandt, soo grootsij daer sijn, daervan 2 stucken liggen op ’t Hoogevelt, 10 stucken in ’t Lege velt, een stuck aen ’t Afferse velt, noch een Camp met een rijswertjen op die Maese gelegen bij Peter Bollen Camp tegen Jacob die Vischer over die Maes over
•    4e de pastoor heeft noch 2 weijkampkens tegen die Steill over beneven Derrisken Verfoirts kemp aen beijde sijden
•    5e de pastoor heeft 3 schepel gersten jaarlijks op St. Martini van Wolter Spaenrebroeck uijt een weijkempken die Hooghoy beneven Peter van Beringens Beijkamp aen beijde sijden beneven metter sijden gelegen
•    Ten 6e heeft de pastoor 2 capuinen jaerlijx op dagh Martini voirscr. eenen van Jan Verfoirt und eenen van Derrisken Verfoirt.
•    Noch 2 capuinen jaerlijx op dag Martini voirschr. aan Jut Ebben uijtter een klein kempken bouwlandts aen haer landt schietende over en Maessenvourweg op diese sijde der Sälycken uijter welcke Sälcke maer een thiendt gehaelt wordt.
Ten lesten heeft den pastoor jaerlijx een vat garsten van Gaert aen gen Mehr uijtter een stuxken weijlandts van den Pastorijen landt aen sijnen weijkamp voor dat Maessenhoecken gat, gelegen over den wegh oock op Martini verschienende. Hiertegen gilt die pastorije wederom uytter den joolhoff bij den Wedemhoff gelegen in de Torxken pacht 2 capuinen op Martini, Ende hier toe moet den pastoor eenen Beer halden voor die vercken und oock een thiendt maeltijt geven jaerlijx den nabueren als ersten speeck, eenen vetten hamel und een ton biers, daermiott hebben sij haer gerechtigheijt.
** Maer Heer Alardt voirschr. Heeft die nabuiren //-gelijkc hij selver aengeteickent en achtergelaten heeft-// die smaelthiendt ganss quijtgeslagen Ao. 1572 mits condition dat hij geenen beer halden soll und geen thiendtmaeltijt geven, maer stelt daer bij sijnen nawrvolger magh doen wat hij will.
** Het alsoo genoemde Papengat voor het meestendeel met het daer tegen overliggende Driesken a ongefeer eenen mergen heeft voor desen gehoert bij de pastorij; maer voor ongefeer 80 jaeren isser door een ijsstukung een groot gat gescheurt / gelijck noch te sien is / waer door den wegh tusschen het Driesken en ’t ander landt weghgenomen was; welcke inbreuck den doen maelighen tijtlijcken pastoor H. Wolterus Tutius in sijn macht niet had te reparieren, is alsooo affgehangen, verkoofft en uijtgedaen voor 7 schepel garsten erftpacht op Martini mitz condition dat kooper het ingebroocken gat most op sijn eijgen kosten laeten reparieren.
Het stuck landts bij ’t Affersse velt / waervan te vooren gementioniert is / is getrocken bij den Heer van Heijen’s erffenenis, waerom de heer van Heijen jaerlijx aen den tijtlijcken pastoor op Martini moet leveren een malder garst erfftpacht.
Off nu de 2 capuinen, die jaerlijx van den tijtlijcken pastoor in den Turxsen pacht / die nu bij ’t Huis Heijen is / moesten gegeven worden hiermet ingesloten sijn off datse met de andere capuijnen omgeleit sijn, is onseeker. Dit is evenwell seecker dat den tijtlijcker pastoor in Heijen a tempore immemoriali geen capuinen heeft ontfangen, noch gelevert.

Ordn. 5 Opnamenr. 0206
6 sept. 1645        Brief, gesteld in het Latijn en ondertekend door Gijsbert Johan van Vittinghoff genannt Schell als dominus terrirorii in Heijden inzake het vacant worden van de geestelijke, die het altaar van de vicarie van Sint-Nicolaas te Heijen bediend en waarbij Henricus Onna voorgedragen wordt.

Ordn. 5 Opnamenrs. 0207-0209
26 sept. 1645        Brief, ondertekend door Henric Onna, wegens zijn benoeming tot vicaris van voornoemd altaar en het verzorgen en celebreren van 2 misdiensten per week. Ook is het dorp, als gevolg van het aflopen van de oorlog (80-jarige), weer zodanig bevolkt en bewoond dat er weer een schoolmeester nodig is.

Ordn. 5 Opnamenrs. 0210-0212
5 sept. 1645        Uit de brief, geheten Patent wegen der frühpredig zu Heijen, van Gisbert Johan von Vittinghoff gennant Schell, heer te Heijen, blijken de ordentliche Sontags frühepredig en andere godsdienstoefeningen in de parochiekerk van Heijen door de langdurige en zware oorlogsomstandigheden al lange tijd geen doorgang meer gevonden te hebben. Nu de tijd wat draaglijker geworden is wil hij deze godsdienstige belevingen weer inhoud geven en daarmee vlijtig en niet nalatend de eerwaardige en hochgelehrten herren Henricus Emricum Kriffs, de tegenwoordige pastoor van Heijen, daarmee belasten tegen een jaarlijkse beloning van 42 Kleefse guldens.

Ordn. 5 Opnamenrs. 0213-0216
24 juni 1647/1648        Capitulatio mit Herre Johann van Gelre wegen der Pastorat zu Heijen. Sinds 24 juni 1647 blijkt de pastoor van Heijen overleden en als vervanger wordt door de collator, de heer van Blienbeck, als nieuwe pastoor voorgesteld: Jan van Gelre. Hij zal voortdurend binnen de parochie wonen en als zielzorger werken in lieb und leid, fried oft kriegszeit. Door de oorlog is de pastorie echter zeer bouwvallig geworden en van de parochianen en buren wordt verwacht, dat zij de reparatie met niet alleen bouwmaterialen, maar ook via de tienden en stro de pastoor ondersteunen.

Ordn. 5 Opnamenrs. 0217-0220
1658/1662        Uittreksel of extract uit Mr. Aert ten Haeff sijn aenteickeningh voor den tijt als hij Custer tot Heijen is geweest.
Henrick Ordinarius was voor dien tijt affgebrant
Willem Lamers genaemt Vermasen 10 £ Br(abants) van Jersmis 1658, nog 11 £ broot, 6 £ b. betaelt tot  Paesschen 1660. Itemn Kersmis 1660. Item Paesschen 1661 noch 9¼ £. Item Paesschen 1662 ende Kersmis. Item Paesschen 1663 ende Kersmis ende 1664. Andere betalende inwoners zijn: Alart Peters, Derck Ebben, Derck Robben, Frans Fock, Arnt in gen Nielen, Cens Bossen, Jan Wolters, Willem Ebben junior, Jan Dimesen, Jan van Elsen, Liesbeth Tonisen weduwe Roderen, Marten Tonesen genant Custersm Peter Kerstjens, Tomas Jansen, Jan de Hardt, Vincents Bossen, Hermen Tonesen genant Ruiterm Willem Scheif, Peter Kerstjens, Willem Henricks, Jan Ebben, Gerit Jansen, Jacob Custers gewesen Custer, Bernt van Elsen, Hans Michel Groenewalt, Henrick Dericks Lodder, Willem Ridders, Bernt Bosmans, Hermen Ridders, Derisken Brocht, Jacob Witfelts,  Derick Boumans, Jan van Langen oft Bossen, Lamert Schreven, Henrick Hanssen, Thys Peters, Jan op den Suckerberg, Peter Haeken, Hermen Jansen, Claes de Vilder, Lambert Jansen van Asten, Jan van Helden, Jan Gietmans, Jan den Wildenboer, Jan Leeuw, Tijs Hecselsnijder, Geurt Michels, Jan Gerarts over het broeck, Jan Bantz den doven pauper,  Laurens Swanenburgh en Joffrouw Wijlack van het Huis van Suermondt.

Ordn. 5 Opnamenrs. 0221-0226
1666/1667        Kostenoverzicht in geld uitgedrukt van de Heijense kerkmeester Alardt Peters, voor de tijd dat hij aen de kerkcke tot Heijen met Perdt ende karr verdient, die arbeiders in kost ende dranck verpleegt ende voor en nae verschootten hebbe. Zo vervoerde hij voor de kerk anderhalff mudde kalcks, 2.000 leijen en heeft hij de kalk beslagen, voor gekochte olie en nagels, hout en schroeven voor de timmerlieden, hout gehaald aen den Hamm, den reep ende ketenen wederom naer Gennep gevaren, uitgaven voor bijenwas om kaarsen van te maken, voor kalk aan de overzijde van de Maas gehaald, aan meister Herman Jegerlingh den Slotenmaecker met knecht betaald voor werkzaamheden aan het uurwerk en de kost gegeven, voor brandhout betaald en in Gennep den kerckenkast (tabernakel) gehaald, metselaars in het Land van Cuijk gehaald, zand aangevoerd en geholpen bij het hangen van de kerkdeuren en bij de toren, bier gehaald en geschonken, Jan van Thoor den Leijendecker en zijn drie knechten op het dak geholpen, uitgaven aan zeep en stijffsel, een bode van Xanten betaald en de lieden die de voetbank vant hooge altaer tot Boxmeir haalden.

Ordn. 5 Opnamenrs. 0227-0233
1666/1667 (en gecontroleerd in 1674)    Recheningh van ontvangsten en uitgaven ten tijde van Alardten Peters cum adjuncto Henrich Hanssen als Kirchenmeisteren der Jahren 1666 undt 67. De ontvangsten van de parochiale Kirche zu Heijen betreffen geldrenten in de Brabantse munteenheid naar Kleefse waarde omgerekend; Olie (raap); Ruebzaad; Wijn; Hoenders; Rogge; gerst, erfpachten met een totale waarde van 209 gulden, 7 stuivers en 5 duiten in Kleefse waarde.
De uitgaven houden betalingen in aan Trinneken Kusters, de weduwe van Herman Derichssn.; aan Emmerick Krifft, pastore zu Gennep via Pastore Joannen Twestenendt; aan Henrich Robbers; aan Peter Evertz; Agatha Vermölen; Peterken Robben; aan Hanss Jacobs, Johan Wolters; aan Mr. Herman Jöngerlingh vor arbeidt und reparation ahn die ührewerck; Gerrit Driessen glasmeister; aan Mr. Lambert Verschuiren voor ein schabell und kast in der Kirche zu machen; aan Mr. Gört Janssen rattmächer; Mr. Gerrit Bützen zimmerman voor auftgen Hamm gekocht balken voor de Heijense kerk; aan Berndt von Elssen voor verrichte handenarbeid; aan de heer pastoor Joanni Twestenendt zu einkauffungh der Kirchennötigen ornamenten; aan kerkmeester Alardt Peters voor zijn werk met kar en paard met mondkost en drank aan de arbeitenden leuthen; e.d.

Ordn. 5 Opnamenrs. 0234-0237
1666/1668        (Pacht)condities, hier ook wel pacht cedulle genoemd, waaronder de Heijense kerkmeesters Jan van Elsen en Jan Ebben te perck stellen ende voor alle man verpachten (met brandende kaarsen) voor de tijd van drie jaar de wei- of hooilanden: den kerckenweykamp genaemt den Kalckhof ende het Kercken Drijsken liggende neven den Papenpas met nog daarbij het Kercken Bouwlant e.d. De voorwaarden worden mede ondertekend door  Jacobus Custer, custos. De pacht moet steeds op St. Maarten betaald worden.

Ordn. 5 Opnamenr. 0238
1698        Rente-Inkomsten van de custerie in Heyen, waardoor de koster/schoolmeester van Heijen in zijn levensonderhoud kan voorzien . De inkomsten worden hem in malders in natura (gerst) uitbetaald door de gezinnen van Willem Scheijf,  Metien (Metjen) Scheijf vanwege de Hoppenkamp, uijtter ieder huijs stede 20 pont broodt jaerlix, pacht uit den kalckhoof, item compt den coster den oost te weten van die met 2 peerden bouwen 6 gerven ende die met een perdt bouwen 3 gerven. Verder krijgt hij inkomsten uit diverse met naam genoemde landerijen en weilanden.

Ordn. 5 Opnamenr. 0239
28 sept. 1720        Kwitantie van de Heijense pastoor Jo(hann)es Verhorst, vicarius in Heijen, dat de Vreijheer van Diepenbrock, Heer tot Bolderen en Heijen, hem de jaarlijkse vergoeding betaald heeft voor het bedienen van de vicarie van St. Nicolai in Heijen en het officii matutinalis (zondagse vroegmis met predicatie?), dat jaerlijke depuität van deese beide vicarien bedienung, op S. Jan Baptist 1720 vervallen geweesen, zijnde 86 Rixdaler Kleefs geld.
   
Ordn. 5 Opnamenrs. 0240-0243
25 april 1725         Brief vanuit Gennep geschreven door Theod. Van Erpers (pastoor te Gennep) aan de heer van Heijen vanwege zijn reizen naar de burgemeester van Nijmegen over gekochte en geleverde stenen en de overgegeven rekening aan de Latijnse praeceptor in Nimwegen Mr. Westen Bergh. De gekochte stenen waren bedoeld voor secretaris Mentrop. De vraag is of deze kosten mogen worden ingehouden op de schatting/belastingaanslag van het dorp Heijen.
Er wordt tegelijk navraag gedaan over de slechte gezondheid van W. Richter en wanneer sijn lighaam als een aards huijs door de tijdlicken doot sal gebroken worden en sijne Ziele daar uit scheiden sal….. hij sal opgenomen worden in dat eeuwige en heerlicke huijs daarboven in den hemelen.

Ordn. 5 Opnamenrs. 0244-0246
31 december 1735    Brief, mede getekend door de Gennepse pastoor Theod. Erpers, aan een vrijheer (van Heijen?) over de onenigheden tussen burgemeester, het klein consistorium, verkiezingen, Kerkenraad, e.d. en een nieuw hoopvol begin in het nieuwe jaar in onderlinge liefde, vrede en eenigheid.

Ordn. 5 Opnamenr. 0247    
Archiefomslag, ex Staatsarchief Münster, Gesamtarchiv von Romberg - Akten, Nr. 7947

Ordn. 5 Opnamenr. 0248
7 …. 1338     Perkament Latijnse oorkonde met beschadigd zegel van de Keulse aartsbisschop Walram i.v.m. het stichten van een altaar in de kerk van Heijen. Nader uit te werken.

-----
Verwante oorkonde bij de oorkonden in het huisarchief Heyen te Munster
Oorkonde nr. 1    25 juli 1338

In den iair ons heren duysent dryehundert acht und dartich up sent Jacobs dach des hyllygen apostels is gekomen dye erbare vrouwe Heyll van der Houffgeweir voyr ons laten Arnt Cort Ians ende Henrick van Hummersum und voirt dye gemeyn laten tot Heyen dwelke Heyl voyrsc(reven) tot oere alders und selffs ziele salycheyt toe een deel gestycht hefft eyn altayr und begyftych und dayr hayr bestellyng gewyt yn de eer synter Clays und hefft begert van der laten voyrscr. und Henryck Spanrebock, als een heer tot Heyen zoe doch Heyllen voyrscr. moder eyn natuyrlycke dochter van Spanrebock was und eensdeels dat erfftal dayr her van commen si, dat hy yr gunnen wyl, dat sy daer myt mach versien here Jan van Gennyp, pryester, wylke collatie wy laten tuygen hayr geconfirmeert und geconsenteert is van Hanryck vorscr.
Vort hefft Heyl voyrscr. dye collatie ofte gyffte van deser fundatie gegoft und beloefft dat Henryck voyrscr. myt dye gemeyn
laten sonder croenen offte opspraickt van emant na doytlyck affganck here Jan vurscr. ten ewige daegen toe geven sal eynige dye dayr bequeem to is, angeseen Hanryck voyrscr. dye voyrgen(oemde) altayer eyns deyls begyfftych und mede vernocht hefft om de styftynge van dyen, wayrumb Heyl voyrscr. Henryck vurscr. gebeden hayt,, dat hye dese apene fundatie vur oen und syn erven mede besegelen wolde, twelck yck Hanryck voyrscr. als recht collateur, om beden wyll gerne gedaen heb vur zoe wy laten voyrscr. op dyt pas geen segel voer und hebben, zoe hebben wy gebeden here Jan onss pastoyr dat he syn segel vor ons an dese fundatie bryeff hangen wyl, dat yck here Jan pastoyr vurgeschreven. om bedem wyl der gemeyn latenen gerne gedaen hebbe unde myn segell haer an gehangenn.  

Ordn. 5 Opnamenrs. 0249-0255
Ca. 1535    Breedvoerige Latijnse akten (nog nader uit te werken) van het kapittel in Xanten wegens onenigheden over de nieuw voorgestelde pastoor Florens van de Laer, verbonden aan de St. Nicolaas vicarie in de Heijense kerk van St. Dionysius en opponent Johannes Spaenreboeck, na het overlijden van de Heijense pastoor en het patronaatsrecht te Heijen door de heren van Afferden.

Ordn. 5 Opnamenr. 0256    
Archiefomslag, Landesarchiv NRW, Staatsarchiv Münster, Gesamtarchiv von Romberg - Akten, Nr. 9423

Ordn. 5 Opnamenrs. 0257-0258
Ongedateerd, ca. 1765.        Kostenopstelling/besteck van grote reparatiekosten voor het Vrij huis Heien i.v.m. omgevallen muren, slechte muren van washuis, turf huis, peerden stal en verkens stalle waarvoor 22.000 stenen, 16 mud kalk, balken en oplegers en ribben, latten, venster- en kruisramen, nagels, 4.400 + 2.500 pannen, deurn en leien nodig zijn. Ook moeten de verschillende zolders dringend onderhoud hebben. Twee meester vaklieden hebben ze begroting opgesteld: Willem Heesen, meester leij decker en Godefridus Janse , meester timmerman.

Ordn. 5 Opnamenrs. 0259-0262
Ongedateerd, ca. 1765.        Kostenopstelling/besteck van genoemde vaklieden aangaande reparaties van het kasteel Heijen, met name het alt Casteel. Per vertrek wordt het groot-onderhoud bekeken in de Sael (kruisraam, vensters, glasramen, ijzerwerk, planken, glas, nagels); in de Blau Caemer; in de Staeff (stoof); in de Caemer boeven de Cuiken;  In de Caemer boeven de sael o.a. een Closter raem; in de Caemer boeven de blau Caemer; de Caemer boeven de Staeff; den inganck van de kelder; in den thorn nae de buite plaets; den korn solder; het leij daek op het alt Caesteel. Buiten deze materiaalkosten met nog kalk en verf komen het arbeits loon voor den leiendecker, den timmerman en den metselaer.

Ordn. 5 Opnamenrs. 0263-0265
Ongedateerd, ca. 1765.        Kostenopstelling van nootwendige Repaeraetsij / bestek voor het vrij Huis Heien angande het neij getimmer zoals een nieuwe deuir van den ingangh, stillen (stijlen) van den deuir raem, een schoorsteen die door den storm wint is af geslaegen, e.d. Begroting door Willem Heesen, meester leij decker en Godefridus Janse, meester timmerman.
-    Idem aengande de korn schuir alwaar nodig een nieuwe schuir deuir, nagels, pannen, het verven van deuren e.d.
-    Idem. Soortgelijke kosten voor reparaties aengande den peerden stal, kuits huis, koij stallen en schaps koij van kasteel Heijen.

Ordn. 5 Opnamenr. 0266
Archiefomslag, Landesarchiv NRW, Staatsarchiv Münster, Gesamtarchiv von Romberg, Inv. Nr. 4328

Ordn. 5 Opnamenr. 0267
Tekening in kleur van de (niet gerealiseerde) om- en nieuwbouw van een nieuwe kasteel Heijen, castellum Novum Haeijen.

Ordn. 5 Opnamenr. 0268
Archiefomslag, Landesarchiv NRW, Staatsarchiv Münster, Gesamtarchiv von Romberg, Haus Heijen – Akten, Karton 30.

Ordn. 5 Opnamenrs. 0269-0276
1 december 1660        Akte van Johan Deusing, schout, scholtis of Schultheis der Herrlighkeit Heiden, Johan van Langen, Jacob Bawmans  und wir sämtliche Scheffen dess gerichts alda getuigen dat voor hen verschenen zijn: Henrich Wilhelm van d’hoeve, herr zu Hoeve und Poelwick, keurvorstelijke Brandenburgse, Clevish und Märkischen Justitz- und Hoftgerichts Rath und Praesident, Drost in de Hetter des Lantz van Duffell zu Reeds und Iselburgh als gevolmachtigde van de hoogedele frauwen Agnes Margarethen gebohrener von Boenen, weduwe von Vittinghoff genant Schel, frouwe der herligkeit Heiden und zu Schellenberg en ook van de hoogwaardige kloosterheer Wilhelm Frantz von Vittinghoff gen. Schell, domheer te Münster en Paderborn, moeder en oom en derhalve voogd over Gisbert Johan von Vittinghoff genant Schell, heer te Heijen en Schellenberh, nagelaten minderjarige kind. De aanstelling als tutor honorarig. Ander genoemde personen, mede i.v.m. erfenis,  betreffen jonker Wilhelm von Til, Alter Knippinck. Elisabeth Spanrebock, jonker Lambert van Til en juffer Frans Spanrebock, een huwelijk in 1583, 5.000 daler Kleefs, e.v.

Ordn. 5 Opnamenrs. 0277
Archiefomslag, Landesarchiv NRW, Staatsarchiv Münster, Gesamtarchiv von Romberg, Haus Heijen – Akten, Nr. Karton 29.

Ordn. 5 Opnamenrs. 0278
Archiefomslag, Landesarchiv NRW, Haus Buldern, Rombergsch. Archiv (Dep.), Herrlichkeit Heijen – Akten VI, Nr. 21.

Ordn. 5 Opnamenrs. 0279-0285
1501 op de heilige Kruisdag.        Erfdeling door scheidslieden te weten Wijlhelm van Asselt, Adrian opten Berge, Henrick en Conrad Hack gebroeders , dat wij als maghe und vrijnde end gekaren gescheidtsluijde van beiden seden daartoe uitgenodigd een frijntelicke erfdeling verkregen hebben voor Henrick, Gerart, Aleijden en Katerine Spaenrebocks, broder end suister van de nalatenschap aan erve end negaleten guede, et sijn herliche guide, leenguide, erfftijns, eijgen offte erfpacht guede, lyffgewijns guede, weytde, pesse, buijsche, huijsinge, huisraeth, haeffstat, kleinoit, ingedoempt, levendige have end vast van allen ander guijde erve, rede und unrede, ruerende end onruerende, schout ende wederschout, daer Henrick Spanrebock eijn her tot Heijden ende joffer Lijsbeth sijne echter huisfraw beide zelige gedachten inne bestorven. Zo zal voornoemde Hnrick hebben en behouden die gantze herlickeit van Heyden met hoeren tobehoer, darinne niet uitgescheiden gelicke sijne zelige vader end moeder die hadden. Verder zal Henrick de bossen bij der Heze hebben, want hie in der deiling ingebracht heeft Mechtelen syner suister kynsdeell. Dit zal Henrick aan zijn broer Gerart uitreicken end van stonden ahn oevergeven dat derdendeel van der erfftals in der herlicheit van Heyden en een aantal malder roggen en vijf tijns hoender. Ook zal hij hebben en behalden de helft van de schuur, die op het Heijense kerkhof staat. Verder zal Gerart een bijdrage (1/3 deel) doen van het te betalen heergewade door Henrick bij leenverheffing. Hun zuster Aleijden, die in het klooster Daelheym leeft, zal levenslang haar aandeel verkrijgen van 7,5 gulden jaarlijks. Zuster Katrijn zal eveneens haar kinsdeell hebben en de pacht in die vaichdie. Trouwt zij buijten consent off raidt der tweer gebröder, zal Katrijn hiervan vervallen zijn.

Ordn. 5 Opnamenrs. 0286-0288
18 juni 1560.        Fragment van een briefstuk (3 pagina’s) over misverstanden en twijdracht tussen de ambtlieden te Gennep en den van (Arnden) Spainrebock tho Heijen over de nutzbarlicher gerechtigheit der herlicheit Heiden met regeling door de hertog van Kleef en een aantal bepalingen umb alle onrichtigheit tho vermijden, oick bij dewn luijden und onderdanen, des to beter eindracht, fol und gehoirsam to underhalde, die holtgewassen der hezen,visscherijen, knijnen, wranden und sunst tho mehreren nutz to brengen, verder zal de rechtspraak met name die confisltation und appellation van dem Gericht tho Heiden nergens ander dan up Calcker tu suecken und to halden tegen de geringste kosten, de hoge rechtspraak of hoeger Oevericheit und lijffstraiffen und wes deir anhengt, verblijven dair aver die Spainrebocken, als tijtliche halfheren en moet de gevangene na drie dagen overdragen aan de landvorst te Kleef, ook als deze gegrepen zijn an der Hezen tusschen Gennep und Heiden, om daar verder te worden gestraft. Belastingzaken zoals stuijren ader schattongen…. Sall die eijner helfft van der herlichkeit Heiden, na alden gebruick aan Kleef en de andere helft aan Spanrebock gaan.
Vaststelling van de aanslaghoogte zal de landvorst in Kleef doen. Stukken heide mogen niet ter cultivering uitgegeven door door Spanrebock sunder furweten und bewilligungh mijns gnedige heren in Kleef. De drie illegaal gebouwde keuterijen of kotten, namelijk van Petern van Kuijck, Peteren die Rademecker en Meliss die Wever zullen nu door de vingers worden gezien.
Het land up der Maesen, die Papielier genant, en destijds aan de kerk gegeven om daarmee de froemyssen (vroegmis) te bekosten, als tevens der Viacriengueder und renthen van Sente Claiss altair blijven, zolang daar een geestelijke aan verbonden is.
Spanrebock zal voortaan gein torff in de Genneper Vennen steken noch anderen dat toestaan.
Dat oick die Schepen tho Heiden van wegen mijns gnedige heren, woe van alders herbracht, sijner fürstliche Genädie Schultiss an und affseiten. De andere schout, die door Spanrebock aangesteld wordt, zal steeds een swijgender Schultiss zijn, die naast unsers gnedigen heren spreickunden Schultiss bij sijtten und doch durch sijn f. G, Schultiss die Execution und Pendongh geschien soll.
Die Wedden und geltbroicken (boetes) als ook cijnsen, nijelantsche und andere Thienden, söllen oick half und half gedeilt werdenn. Voor verplichte hand- en spandiensten voor de landvorst als voor den Spainrebocken kunnen zij eijnmaill in iederer weicken gevorderd worden.
Die Canijne der Wranden in Heijen gelegen, sullen durch mijns g.h. ader des Amptmans garn und fretten gefangen und iderer tijt halff bij dem Amptman blijven und der ander helff den Spainrebocken werden togestalt. Op verzoek van de Spanrebocken kann de ambtman ook toestaan dat er gefrettiert wordt door fretten in de holen te drijven. De visvangst blijft ook half/half gedeeld worden.
Om nieuw onenigheid over het houtgewas in der alden und nijen Hezen te vermijden. (dan houdt de tekst plotseling op!)

Ordn. 5 Opnamenrs. 0289-0290
21 mei 1677        Half notitieblaadje, ondertekend getrewe dienerine C.E. Swandbell, over blumenwaser en Buldern. Samenhang is heel onduidelijk.    

Ordn. 5 Opnamenr. 0291
21 mei 1677        Omslag-opschrift van het verdrag van 1560, waarover in bovenstaande omschijving met „Opnamenrs. 0286-0288“ sprake is en waarvan in 1585 een afschrift gemaakt is.

Ordn. 5 Opnamenrs. 0292-0298
18 juni 1560        Brief van ick, Arndt Spanrebock to Heijden, betüige und bekenne apentlick hirmit, nachdem ich tegens mijn genadige landvorst, heer Wijlhelmen, hertog van Cleve, Gulick en Berge en grave to den Marck und Ravensbergh, herre to Ravenstein, enz. in opstand ben gekomen en als gevolg daarvan een tijd gevangen heb gezeten en aver up underdenich fürbitten is vrijgelaten, met goedkeurig van de Kleefse ridderschap en steden. Als gevolg van zijn optreden hebben Arnt en zijn erfgenamen daardoor een aantal privileges verloren en nieuwe verplichtingen (puncten und articulen) opgelegd gekregen en freiwillich geloifft om zich voortaan als einen gehoirsamen underdanen te gedragen. Deze belofte doet Arnt met zijn lijffliken Eidt … to Gott undt sijnen hilligen Evangelien en niemand zal hij meer verwonden of met de dood bedreigen. Tot zekerheid en borg stellen zich: Wijlhelm van Schewich, Rütger van Stepraide en Peter van Berringen tegen een boete ter hoogte van 2.000 goudgulden.

Ordn. 5 Opnamenrs. 0299-0304
17 juni 1560        Punten wegens misverstandt und twidragt tussen den Ambtleuhe tho Genp, aangesteld door de hertog van Kleef, en den van Spanrebock tho Heyden wegens de nutzbarliche gerechtigkeit der herlicheit Heyden is er onrust ontstaan bij de luyden und underdanen over die holtgewassen, vischerien, knijnen wranden und sunst.
Genoemd worden het voortaan in hoger beroep gaan van Heijen in Kalker in plaats van te Gennep, nieuwe regelingen aangaande het vastnemen van gevangenen en uit te voeren lyfstraffen met betrekking tot Spanrebock als halfheer te Heijen, het opleggen van belasting met de helft van de opbrengst voor de Heijense heer, beperking van rechten bij het verlenen van woningbouw op in cultuur uit te geven heide, ter verpachting uitgeven van landerijen en weilanden met medeinkomsten voor de kerk,  het al dan niet gerechtigd zijn turf te steken in de Genneper Venne, het aanstellen van een scholtis of schout en schepenen, de hoogte van de wedden en geldboetes, de jacht met fretten, de visrechten in de Maas met de halve verdeling van de opbrengst voor de Heijense heer,  het kappen van hout op de Alde und Nieu Hezen. Genoemde afspraken zijn ondertekend door Arnt Spaenrebuck en Johan Spanrebock.

Ordn. 5 Opnamenr. 0305
6 april 1577        Kopie van een bekentenis ondertekend door het echtpaar Henrick van Eickel, heer zu Heijen, en Elisabeth Spanrebock (na de dood van de Heijense heer Arnt Spanrebock) inzake 200 Rijder gulden ad vier und zwentzich stuffer Brabants,welke bedrag in twee jaartermijnen betaald zal gaan worden. De akte is mede getekend door de Heijense koster, geheten Veltum.

Ordn. 5 Opnamenr. 0306
25 januari 1585     Johan Spannerbock heeft via testament en met goedvinden van zijn echtgenote Elijsabeth van Delft 100 daler vermaakt     voor de zielerust en wel Ziele Godt Almachtich in de kerk van Appeltern ende sin lijcham der geweijde arden. Johan is seins broders natuerlicke soen Hanrick tho Heijen. Dit bedrag zullen seine vrunden nha doijt seiner huisfrouwen utreicken. Voor akkoord tekent Jacobus Fleinnen/Heinnen, pastor in Appelteren en Balthasar Neijkercken genannt Nijvenheijm, Johan van den Borucht.

Ordn. 5 Opnamenrs. 0307-0309
6 april 1577     Kopie van een obligatiebrief ten name van het echtpaar Henrich van Eijchels en Elisabeth Spannerbuchs/Spaenrebock over 200 Ridders gülden, elke ryder ter waarde van 24 stuiver Brabants, rustende op het goed Sprinckhovell, na het overlijden van Arnt Spaenerbocks, heer van Heijen, ingevolge huwelijksvoorwaarden en te betalen in een of twee termijnen.

Ordn. 5 Opnamenrs. 0310-0319
13 januari 1578     Kopie huwelijkscondities Henrich van Eijkel en Elisabeth Spanrebock, oudste dochter van de overleden Arnt Spanrebock, heer te Heijen, en Galandt van Mewerde. Elisabeth zal 6.000 goudgulden inbrengen. De broederlijke deling en mageschiedt heeft plaats tussen Dietrichen, Joesten, Henrichen en Gerharten von Eijkell i.v.m. hun goederen te Krange en zu dem Hamme (aan de Niers). Elisabeth krijgt dass Hauss und Herlichkeit Heijen met alle toebehoor. Diverse details worden nader in het contract uitgewerkt.

Ordn. 5 Opnamenrs. 0320-0321
19 januari 1580         Bericht in de vorm van een Landtages brieff aan Johan van Spaenrebock te Altforst van Johan, graaf te Nassow, Catzenelnbogen etc., stadhouder van Gelre over de geplande reis vanAntwerpen naar de Gelderse Landtschap vergadering vanwege des Vaiderlantz wolfart (welvaart) met de aenwesenden Bannerheren, Rytterschappen und Stede, Frunden en te besluiten met een goede und heilsamen resolutien.

Ordn. 5 Opnamenrs. 0322-0323
3 april 1580         Bericht over de Landdag te Arnhem.

Ordn. 5 Opnamenrs. 0324-0328
6 sept. 1580         Voor de schepenen van Venlo, Gerardt van Loenn en Herman die Laet Corneliszoon verscheen  om vier uur `s-middags in het klooster In der weydennn binnen der Stadt Venlo Gertrudt Spanrebock, weduwe vann Oeyen/Oyhen, en de kloosterpater Niclas Bruyn. Gertrudt was swaick van Licham, doch alnoch van gueden vernunfft und verstande. Zij verklaart in de voorbije maand augustus voor de waarde heer Alhardt Michiels, pastoor te Heijen, ende koster Henrick Spanrebocke een testament te hebben gemaakt. Bij het maken van het testament in de morgen van de 5e augustus waren ook enkele getuigen geweest: Johan Michiels en Dierich Bruynen en de Gennepse secretaris Peters van Beeck. Jaarlijks zal Lambert aen gen Hovell tho Ottersum uit haar bezit krijgen vier malder roggen, welke last met 100 daler af te komen is. Haar zuster zal jaarlijks renten en pachten krijgen zoals derdenhalve Philipz gulden krijgen, die Gertrudt jaarlijks toekomen uit bezit to Boeghen (Beugen). Dat geldt ook voor 9 Philipz gulden uit Vierlingsbeek; vijffdehalff (let wel is 4½ !!) malder gersten aan Thyss Ebben te Heijen. Aan de nagelaten broer van Gertrudt, Johan Spanrebock,  zullen de nagelaten goederen van haar komen, so gerede offt erff guederen. De twee dienstbodes of tween maigden, Aelken ind Jenniken, zullen ieder een malder rogge krijgen en iederen thien daler, twe par slaplakens en enig doek, waarbij Aelken extra nog een degalichsche rock krijgt mit dat cleynste bedde. Zuster Agnesen, matersche in der Weyde, zal die vette koeij mit noch drie nader koyen en nog twee schapen krijgen met vier malder roggen, sieven stucken specks. De broer en suster van Gertrudt: Johan en Agnes Spanrebock zullen er verder voor zorgen dat de matersche 20 geheven daler gegeven worden.

Ordn. 5 Opnamenrs. 0329-0330
4 april 1580             Brief van de burgemeester, raad en schepenen van de stad Nijmegen, op bevel geschreven van Johan, graaf van Nassau, stadhouder aan Johan, heer van Heijen, tot bijwonen van een landdag met de bannerheren, ridderschap van het kwartier van Nijmegen.

Ordn. 5 Opnamenrs. 0331-0332
Ongedateerd.            Genealogische opstelling (onbetrouwbaar?) van het oude graafschap Gennep, waaruit voortgekomen de geslachten van de heren van Batenburg, Spannerbock, Meeckeren, aanvangend met Wilhelmus Comes de Geneppa gehuwd met Agnes van (de) Marck = Agnetam Marcanam, waaruit
A)    Wilhelmus, Comes de Gennepa duxit Aleidam, filiam Johannis comitis de Moers ex Maria de Limburg en
B)    Gerhartdus de Genneppa, dominus de Spannerbock ex Heijen, duxit Annam baronissam de Anholt.
   
Ordn. 5 Opnamenrs. 0333-0335
1340 – 1677    Notities over de opvolgende Heren van Heijen, in 1671 (en vervolgd in 1677) overgeschreven uit een alte verleit zedell, met als eerste beginnend met Henrick Schardenberch, opgevolgd door zoon Issbrandt Schardenberch, die huwde met Mechtell von Doijenburgh, waaruit drie dochters. Daaruit is gekomen Henrick Spanernbock, enzovoorts tot de overgang naar de familie Von Vittinghoff genant Schell.

Ordn. 5 Opnamenrs. 0336-0337
28 december 1580        Belangende den waltgreiff Staill. Brief, ondertekend door het echtpaar Hendrik van Eijckell zu Heydenn undt Elisabeth Spannerbock, over hun lieber Oehm und Swaiger Steffen Staell van Holtstein, waltgreft tho Neergenae i.v.m.  een obligatie van 250 daler à 30 stuiver Brabants.

Ordn. 5 Opnamenr. 0338-0344
28 december 1583        Huwelijksbrief tussen Lambrecht van Thijll (Till / Tilles) in Grieterbusch en juffer Franck van Spanrebuck (ondertekend met Spaenreboeck) , dochter van de gestorven Arnold Spanrebock, heer te Heijen, en vrouw Galant van Meverden. Lambrecht zal inbrengen dass geseess in Grieterbusch met alle toebehoor, wie dass van alders gelegen en gekregen van zijn overleden ouders Wijlhelm van Thijll en juffer Anna van Randwick, leengoed van de hertog van Kleef. Verder bracht hij in het huwelijk alle andere Erb, erfpacht en lijfgewinsgoederen als bij aufgerichten Magescheijt zugedeijlt (erfdeling) was. Zijn bruid Franck krijgt thausent tahler als morgengabe. Vanuit het ouderlijk huis te Heijen brengt Franck in: 4.000 daler, toegestaan door haar stiefvader Altert Knippinck en welk geld gangbaar is binnen Goch en Gennep en bij overlijden erfelijk in de familie Van Thijl zal blijven. Kinderen uit dit huwelijk zullen godsvruchtig worden opvoeden en ook worden regelen getroffen bij kindersterfte en eerder overlijden van de moeder of de vader. Huwelijksgetuigen namens de bruidegom: Floris van Randwijck, Elbert van Hertefelt thum Kolcl en namens de bruid: Johan van Spanrebuck zu Altforst, Elter Knippinck zu Heijen en uit naam van haar moeder Dederich van Schewick zu Driesberg en Lijffert van Berijngen.

Ordn. 5 Opnamenr. 0345-0348
20 augustus 1585        Na het verdrag tussen de hertog van Kleef en wijlen Arndten Spaenrebock, ein hern tho Heiden in 1560 zijn toch weer moeilijkheden onstaan over de hoogte van de belastingheffing en de pachtsommen onder de Heijense onderdanen en de houding ingevolge geboden en verboden tegenover de Gerichtspersonen. Er wordt in Kleef op de kanselarij over de problematiek een samenvatting gemaakt.

Ordn. 5 Opnamenr. 0349-0350
1 augustus 1589        Document handelend over Alter Knippinck en zijn echtgenote Elysabeth Spannerboick genant Knippinck betreffende een lening van Heinrich Catz ter grootte van 500 gulden Brabants, waarbij ook zus Francisca van Spannerboick betrokken is.

Ordn. 6 Opnamenrs. 0351-0352
7 februari 1611        Schrijven over Nicht en Zwager over rente zu Beeck (Vierlingsbeek  / hundert gulden te Groeningen en hundert gulden ahm Hause zu Heijen) wegens overleden oom Johan van Spanerbock (van Wienhorst mit der Randenhoeff) en zijn erfenisdeel. Blijkbaar zijn er problemen gerezen, want men schrijft over der schelm der Custer.

Ordn. 6 Opnamenrs. 0353-0355
28 augustus  (of februari) 1611        Brief aan Elisabeth van Spanerbock, gehuwd geweest met Alter Knippink, te Heijen, over een wettig huwelijk met voorwaarden tussen Albert, naturliken soen van Johan Spaenreboick en de erbare Siken Jans van Eick over een bedrag van eyn hondert Karolus gulden, die the Virlinxbeeck ten ontfangen liggen und noch hondert Philippus gulden, den gulden ad XXV stuver voortkomend uit rente van de heer van Boxmeer vanwege den hoff the Boegen (Beugen). De Philippus gulden aan Arnt Spaenreboick, heer the Heijen, zijn ingevolge een magescheits (erfdeling) tussen voornoemde Arnt en Jan Spaenreboick, gebroeders. Daarbij horen tevens  twee erfmalder roggen uit pacht, die Jan Spaenreboick binnen Vierlingsbeek ontvangt uit een onderpand, dat Jan der Creemer in gebruik heeft. Ook zullen zij twee mergen land en een grote wei gebruiken met rente, die Siken Jans heeft onder Maasbommel en pachten in de heerlijkheid Batenburg

Ordn. 6 Opnamenr. 0356
Archiefomslag, Landesarchiv NRW, Haus Buldern, Rombergsch. Archiv (Dep.), Haus Heijen – Akten 11

Ordn. 6 Opnamenrs. 0357-0358
7 april 1545        Voor Gairdt Drijssen en Alert Byrman, schepenen (te Heijen) en de gesetenen Richters van beider herrn wegen (Kleef & Heijen) zijn verschenen Goessen Ebben en Naijll sin eheliche huijsfrow. Zij bevestigen de verkoop aan hun broeder Johan Ebben und Peterken syn huijsfrow en erven van een weiland by die Mehr gelegen, genandt den Merpass, dat aan een zijde grensde aan het Sijnter Claijss altairs lant. Verder horen bij de verkoop een weiland en een stuk bouwland, dat met een kant aan het pastorijen landt te Heijen en jueffer Haicken lant grenst. Tenslotte nog een stuk bouwland, dat met een zijde aansluit op het Marten Wijnantz landt en met een einde reikt aan het landstuk van Arndt Spannerbrocks, eins herre tot Heyen. De kooppenningen zijn tot tevredenheid betaald.

Ordn. 6 Opnamenrs. 0358-0359
5 december 1549        Aflossingsbrief. Voor Roleff Vermaesen en Johan Rutten en de andere schepenen van Heijen en de twee richters staan Frans Mans en zijn vrouw Sophia met haar momber (voogd) en zij bekennen dat Jan Ebben en Peterken, zijn echtgenote, een aflossing mogen doen aver die dardenhalven Rider gulden en de jaarlijkse erfelijk te betalen rente op Sinterklaas dag met sestien inckell Joachim daler of in zilveren munten.

Ordn. 6 Opnamenrs. 0359-0360
1 juni 1548            Brief, waarboven geschreven staat Jan Ebben. Voor Roleff Ver
7 april 1545        Voor Roleff Vermaesen en Arndt van Hasselt van de Heijense schepenbank en de twee richters is Mechtelt Rixkens met dochters Rixken en Jan (Jenneken) verschenen en zij verklaren aan Jan Ebben en echtgenote Peterken twee stukken land te hebben overgedaan en opgedragen, dat aan de Spannerbocks landstukken grenst.

Ordn. 6 Opnamenrs. 0360-0362
10 maart 1553        Voor de Heijense schepenen Roleff Vermaessen en Seger Beltgens en voor unse gesetenen Richters van beider Herre wegen zijn in den gericht verschenen de weduwe Peterken Lueffs en oeren momber (voogd), die verklaart ewelick und erfflich aan haar dochter Elssken Lueffss, voor verdiend loon en verleende getrouwen dienst, haar huis met hof over te dragen, waarin Peterken woont. Daarbij horen ook de gereiden guederen en een weikamp aen den Merpass, dat aan het Vicarien landt ligt en met een einde beneven dat Hollandt en aen der Maessen, als ook een schuld, als oer moeder voir orren doitt schuldich bleef. Verder zal Elsken alles ther gelichter deylungh met haar broer Derricken.

Ordn. 6 Opnamenrs. 0362-0363
19 september 1561        Voor de Heijense schepenen Herman Rulen en Johan Michels en de overige schepenen en de gezeten Richter zijn verschenen Eijbbe Seger Beltgens sohen und Berdtgen sein eheliche huijssfraw met haar momber, voort Derrick Beltgens der Brueder. Zij schrijven 5 Hornse guldens of de waarde ervan als jaarlijkse renten toe aan Jorrien Henrick Driessen zoon, als vader en voogd over zijn voorkinderen Ulendt en Hyllekens, gezusters en hun voorkinderen. De betaling ervan zal elk jaar op St. Maarten, 11 november, dienen te geschieden, voortkomend uit den ganssen alingen Erff und guedt, ruerend und unruerend, zoals Ebb met zijn huisvrouw in het gericht Heijen liggende hebben en welke goederen van hun overleden vader Seger Beltgens angeërfft ijss. Deze jaarlijkse schuldenlast kan afgelost worden met ein hondert inckell Horns gulden, iedere gulden ter waarde van 12 stuiver Brabants.

Ordn. 6 Opnamenrs. 0363-0364
25 april 1583        Voornoemde vijf Hornse gulden jaarlijkse rente, sprechende up Eb Segers off Bultgens Banta (?) sein huijsfrow und Derich Bultgens zijn afgelost en van een betalingskwitantie voorzien. De aflossing geschiedt door Gaerdt, Gerritt, Jan, Trijn en Peter, nagelaten kinderen van zaliger Jan Campus en Jenneken met 50 Rijder, de rijder à24 stuver.

Ordn. 6 Opnamenrs. 0364-0365
Ca. 1580        De gemeenschappelijke schepenen van Heijen getuigen dat voor hun gezeten richter het echtpaar Derrick Lijnssen en zijn echtgenote in het gericht gekomen zijn i.v.m. een zogeheten Erffbuetinge, waarmee zij blijkbaar een hoeve mogen overgeven waaraan Spannerbock verbonden is, die hen met recht daarvan verdringen mag en aan wie zij gehoorzaamheid verschuldigd zijn.

Ordn. 6 Opnamenrs. 0365-0366
1 juni 1548        Voor de richter en enkele met naam genoemde Heijense schepenen te weten Roleff Vermaessen en Arndt van Haselt verschenen de weduwe Mechtelt Rijckens met haar dochter en Jan Tzesuesteren (?). Zij dragen aan Jan Ebben en Peterken zijn voirfrouwe en orren erven twe stucken lantz over. Een stuk grenst beneden aan Spannerbrocks Erve, nabij Jan Lijnsen papelier. Het ander stuk ligt bij den Oirtzberch en het erf van Peter van Beringen.

Ordn. 6 Opnamenrs. 0366-0369
Circa 1560    Etliche verteickenungh der Rechten so binnen Gennep und Heijden gehalden werden. De notities geven de regels weer hoe gehandeld moet worden indien een pachter offte schuldener zijn verplichtingen over het gepacht erf, land, goederen e.d. aan pachtschuld  niet nakomt. Via allerlei dwangmaatregelen zoals verhalen op aangegane onderpanden, uitzetting en uiteindelijk lijfstraffen (peijndinge) wordt een proces in werking gesteld, zoals dat in de stadsrechten van Gennep vastligt. Daarbij worden diverse termijnen (zoals drie sonnenschijnen, 14 daegen, e.d.) gehanteerd, die uit de rechterlijke voortgang volgen voor scholtis, schepenen, gerichtsbode, e.d. Alles moet in gezegelde schepenoorkonden worden vastgelegd. Het onderpand wordt aangesproken en door iemand anders vervangen en ook wordt een soort deurslot of den rinck van der dhueren gehaald. Zowel de scholtis, de schepenen als de schrijver zullen voor hun bemoeienis en werk na rato beloond worden in de levering van zekere hoeveelheden wijn.

Ordn. 6 Opnamenrs. 0369-0375
December 1557 – februari 1558        Der heren Rheden (Kleefse raad) protestation gegeven dem heren zu Heyden eines gefangen halven.
Nadat Arnt Spanrebroick in de vergangen maent novembris 1557 fouten gemaakt heeft bij de arrestatie van een zekere Beltgen in dit gericht tho Heijden, ontstaat veel commotie en wordt vorst Willem, hertog te Kleef, Gulick en Bergh, graaf to der Marck unnd Ravensbergh, heer tho Ravenstein schriftelijk daarover geïnformeerd. Beltgen heeft kennelijk ettlicher schaep gestolen. De gevangene was zwaar gestraft en verbannen door de heer van Heijen en die was daarbij met unvernünfft tewerk gegaan en had zijn bevoegdheid overschreden. Zo had hij zijn landsheer, de hertog van Kleef, en de heer van Gennep gepasseerd en in het geheel niet betrokken. Hij had de gevangene van rechtswege moeten overdragen aan Kleef zoals sijne vorsaten (van Spanrebock) dat voorheen meher tijden gedhain hadden. Arndt Spanreboick maakt geen uitzondering en ook hij heeft zich als Kleefs underdain te bedragen. De hertog van Kleef ziet zijn gerecht als ein pijnlick halsgericht in einer Criminaill oder Capitaill zaak, waarover hij keizerlijke en koninklijke brieven heeft van het Heilig Roomse Rijk, als ook beleningen.

Ordn. 6 Opnamenrs. 0375-0380
2 oktober 1536      Van diensten der undersaeten im fürstendumb Cleve.
Allereerst bevestigt Johan, hertog van Kleef etc., dat unse gemeine undersaeten und huijsluuden unsers Chur Fürstendombs Cleve ongewontlichen und meher, ongewone en meerdere diensten, voor hun heer verplicht zijn, zoals voorgaande hertogen van Kleef van oudsher als landvorsten, de hertog Adolf en Jan van hun onderdanen genieten. Het is daarom goed deze condities en navolgender gemeine ordongen te vernijen und uprichten laeten.
Item mach die Richter tot mijns gnedigee herre ende seiner erven widder seggen bidden und die huijsluide moegent dhoen off sie willen, dat itlicher ploich den Richter eins in dem jare einen halven dach bouwen off vurre dhoe binnen den kerspell, daer die huijsman whoennett und die koiter dessgelichen einen halven dach tho arbeiden.
Item moegen des Gerichtsbaden unde oick die ghoene so wagenboden ampter hebben tot den Gerichtsbod ampt bidden des bouwens solche gerinen van karn up ten velde als our vorvharen van altist tho hebben plegen mer verschr. Daerup gehoegt ijs, sall afgestalt wesen, want mein her nitt en will die boendtampten hoegen uitgedanen werden sollen, den die vom altz tho gelden plegen und ditt sall staen tot mijns heren widderseggen, und wher nit gewoontlich en yss gerven thoe geven, daer mach die Boedt elcken ploech bidden als vorschr. steit, von den Richteren, eins in den jaer einem halven dach tho bouwen oof vuere tho dhoen, binnen den kerspell daer die huijssman whoent, und ie kaeter desgeliechen einen halven dach to arbeiden.
Item mach die Waegenboid die umbtrint Cleve wagenboid ijss, desselvigen gelicks van ilcken ploech bidden des jaers eine selven dach the bouwen aff vuer tho doin gelick verschreven steit in seinen bedrieve und die wagenbadem tho Calkher und to Udem moegen desgeliken dhoen.
Item hierenboven sollen noch die Richter noch boiden von den undersaeten niet nischen,bidden, noch nhemen dienst, korn, gelt, noch geltz wherde, und dit sall ilcker Richter und Baedt then heijligen swheren, beheltlichen den selvigen von updrachten, peindongen, gebodingen, besettingen und anderen Gerichtz saken als von alts gerichts recht is.
Vernher wirden wij verstaen, dat die huijsleude unseren Amptleuden (domini) sij oerers Ampts undersaeten, des tho williger und flijtiger tot geboerlichen bescheidt verhelpen in einen gantzen jaer, zweimaill eins bij grass und eins bij stroe tho dhienen plegen, is unse meinongh unnd bevelh, dat unse Amptleude daer en boven wijders geine diensten von sollen in einigerleij wijse, dat oick unse Amptleude tot ungelegenen tijden, die huijsleude derhalven van gelegenheit tho verschoenen hebben sollen, doch vorbehalden unss und unsere borgen und frühere nottürftiges und geboirliches dienstes.
Item sollen die si tot unseren huijsdeinst tot Cleve, und in unseren woingen, baeden ampten, als nementlich umbtrent Cleve, Calker,Udem und Sonsbeck gehoerich (umb den tho beter tho achterfolgen, und der geboer von waer tho nhemen) mit den tween diensten des jaers unseren Amptleuden tho doin verthoent und verfordert blyven.
Item sollen unse Amptleude, Richters, Boiden, Wagenboiden und ander boiden by sich selffs nijmantz verweijen, noch uit sonderen, noch oich gein gelt nhemen, und die buede up andere leggen sonder die gelick umbgaen laeten, wie sich gebuert.
Dergliechen sollen unse Amptleude, Richter und Baeden, oick in den gemeijnen unsen wijld in Wolffs jachten acht hebben, dat nijmantz frij gehalden, dann naeber bij naeber geboidet und daerbij gefordert werde.
Und hierboven willen wij dat unse underdaenen und huijsleude mit einigen vorderen diensten von unseren Amptleuden, Richteren, Baeden und onderbaeden, bij verluijss unser Ampter oeres belielfs und up onser hoichster straiff und ongnaid, verner nitt beschweirdt werden sollen und os eijniger von unsen underthaenen und huijsleuden dairto oick verner gehoir geven, und dat doin wurde, die sollen vurscr. alss doin, so duck und vaick datselvige geschege in einer peenen von vijff alde schilde verfallen wesen.
Wilchs wij U allen und iederen sampt und besonder (daermit sich onwetenheit halven, nijemantz tho entschuldigen heb) gnediger meynongh nitt verhalden willen, allett  solangh uns dat geliefft und wij daerinne andere versielungh doin wurden. Urkundt unsere hierup gedruckten Secret Siegels. Gegeven to Hamboch, den tweden dach des Maentz Ocotber Anno (15)XXXVI.

Ordn. 6 Opnamenrs. 0380-0382
16 juni 1570      Willem Boens
Wij Herman Peellen und Jan Michels, schepen tho Heijen, en de gemene schepenen daar maken in deze open brief bekend, dat Peter Driessen met zijn echtgenote, voor de gezeten Richter van beider Herre wegen gekomen zijn. Zij hebben frijemoedich und upsettelick voor hun zelf en allen oeren Erven mit handt, halm und mondt drie stukken land overgegeven aan Wilhem Boens, zijn huisvrouw Leen en hun erven.

Ordn. 6 Opnamenrs. 0382-0385
16 januari 1572      Michell Reinners
Wij Herman Peellen und Jan Michels, schepen tho Heijen, en de gemene schepenen daar maken bekend, dat voor Derrick van Hillensbergh en Wolter Spaenerbock als Scholtissen van beijder Herre wegen, in eigen persoon de Erentfester und frommer Arndt Spannerbock ein Her tot Heijen, und Jueffer Galandt van Meverdt zijn echtgenote verschenen is i.v.m. een verkoop van vier malder goeden klaerer droegen sueten Rogh met daarbij twe Cappuijn aan Michell Reinners en zijn vrouw Ienneken.  Zij ontvingen voortaan deze jaarlijkse pachtbetaling, die Spannerbock uit de zogeheten Torckschen pacht geldende was. Er wordt een onderpand tot zekerheid gesteld.

Ordn. 6 Opnamenrs. 0386-0388
16 december 1584      Thiess van Haesselt belangende die halffscheidt einer behuijsungh binnen Genp gelegen.
Wij Hohan Lesier en Rhenmett van den Kamp schepenen en de gemeine schepenen tho Gennep getuigen dat voor unsen Scholtis Otten Ruijter in eigen persoon verschenen is: Henricj Garerdts met Liesbeth zijn vrouw. Zij verklaren die achter helfschap einer alijnger behuijsungh, gelegen in den Pottenhoeck … mitt oick ein lein huijssken und ein Endt hoeffs verkocht te hebben aan Thies van Hasell en zijn vrouw Jutt

Ordn. 6 Opnamenrs. 0388-0390
13 augustus 1526    Beleidungh tusschen die herlicheitt Heijden und Boxmer, so Anno 1526 den 13en dach Augusti bescheen.
Wij gemein Schepen tot Heijen teugen dat in den jaeren uns Heren duijsenth, vijffhondert und sess unnd twijntich, den dartienden dach in den Oest, wij semptlich mitt unsen gemeinen naebueren von Heijen,dartoe uitgebadt seinde von beide uns heren wegen ein beleijdungh tho dhoen tusschen die herlicheit van Heijen, ende die herlicheitt van Mehr nemptlich aen ein stuck lantz dat Jonckher derrick Schenck ende Jonckher Jan Schenck, sein Broeder beide Herre van Aefferden gewest to gebruicken plegen, liggende tegen die Steijll over, aen den einde dat nair Heijen schijtt. Ende wij sein daer semptlich up uns Eidt gemaent dat ein iegenlick daer die waerheitt solden seggen, wess hem daeraff kondich where, soe hebben wij schepen vorgen. mitten gemeinen naebueren geteucht ende up unss Eidt gehalden, dat unsen gein yverreltt gewerten (?), off gehaerett hebben, dat dat vorighe stuck lantz forder gebovett off gebruicktt ijss gewest van ijmandt andersdan van unss gemein naebuerendom tot einem kleffken toe, dat men in den wiich sehen mach, ende so wordt op Lemmen huijss van der Steijlen. Ende dat dijtt einde tho

Opname 0390
Heijen wardt nue binnen drie jaeren ijss aen dat vorge(schreven) stuck geboudt, ende angeerft, alle jaeren voort forder ende forder. Ende hebben oick sommige getuecht ende gesacht, dat sie van oeren voralders verstaen ende gehoerdt hebben ende oick van den hger van Heijden nu kortz verstorven, dat daer einen steen vortitz plege tho liggen aen dat selve kleffken, die die herlicheiden scheiden, hebben oick sommige getuecht ende gesacht, dat hoen kondich wehre ende gedecht, dat die Maese ein grot stuck wegs der herlicheitt van heijen benhommen ende affgedreven hedde bij oeren gedencken, behalven dat vor oere tijtt aefgeloepen where, dat Sie teugden dat bekantz ther halver Maesen toe nu wesen solde, want daer sommige landt hebben gehadt, beneden den Monniken inhaben, tuschen dit vorschr(even) stuck lantz und die alde Benck, daer nue die wech hingaett langs die Maese.

Ordn. 6 Opnamenr. 0391/0392
5 juni 1545        Beleidongh up Fridaich den vijfften Junij Anno (XVc) XLV
Item den gemeinen veldt und Leijgraiff is bekent durch Arndt Spannerbrock, ein heer to Heijden, und den Scholtis van wegen unss gnedigen herren.
Bewijss der Schepen wat einer up der beleijdongh broicktt.
Item die schepen wiesen vor recht dat wannher die beleijdongh geroepen iss in der kercken, unnd die gener, die dan in broecken fallen, sollen broicken ein pont ten where dann saeck, die herrn bewijsen konden, dat oren meher togewesen sij mitt recht, solchs nu willen Sie nitt hoegen off legen.
Item als einer eidt uitt dem befairtt (?) grijtt sall staen tot genaedt des herre:
Item ein gemeinen Herr straitt sall wijdt sein achtien voett.
Item einen gemeinen wegh sestien voett.

Ordn. 6 Opnamenr. 0392
14 april 1614     
Anno 1614 den 14 April iss van den fürstlichen Heeren Rath ein beleijdinge mit den Amptman van Genep, Burgermeister, Schepenen ende Rath in bywesen de Wol edelen Alter Knippinck, heer tho Heijen ein beleidungh oft besichtighung gehalden tussen die van Gennep ende Geneperloe ende der Herlicheit Heijen mit ock die semptliche schepenen ende gemein naberen derselver herlicheit und iss dese beleijdungh geschiet van Raijmakers van der Masen op einen Essenboem int an den vorscr. Camps ahn heij op doer die Dormans hey op den Bergh daer die slinck naest Heijen is ende van daer op einen Bergh geheten den Keldehrbergh ende van die Bergh op den Koepelbergh, daer den wech hir over gaet tot op dat IJshovelse felt over den Hessener (Hassumerweg?) wech, ein klein berchsken tegn dat Nijerssche felt gelegen bij Hommersum, geheeten den Vosshoeffel ende aldaer die heeren van Cleeff ende die van Gene pende den Heer van Heijen mit die scheepen ende nabaeren  gescheijen ende ein yeder na gekoyen (?). Actum ut supra … doemael gehort dat vermaent tworde hier scheijen drie herlicheiden to weten Gennep, ….. ende die herlicheit Heijen.
Ondertekend: Adolph Veltum, notaris.  

Ordn. 6 Opnamenr. 0393-0395
Extractum uit den Heijdenschen Prothocollen:

** 9 mai 1550.    Item der Scholtis gesint an den Schepen tho Heijden, wat die schepen tho Heijden, wat die schepers gebruickt sollen hebben, die up dat hoichveldt oer schaep gehuedt hebben unnd voor recht beschuldigt sein.
    URDELL
Daerop die schepenen vor recht wiesen, dat dieselve so daerover befunden sein, gebruickt hebben ein pondt nemptlich    VII stuver.
    Item seggen die Schepen off die heer ader scholtis imandt up die Heess gefunden, und solchs ime overtuegen kann, sall die Scholtis van beiden heren, die brouck daervan nhemmen.

    ** 7 febr. 1550 Anno L hebben die schepen up gesinen der partijen nae gedhomnen vitspraken ordell wievill geltz die partijen inleggen sollen und wievill tijts Sie hebben sollen naefolgende erklerungh gedhan.
Die Schepen wiesen vor recht, dat voir oer banck recht und gewoenheitt ein Ider parthie inleggen sollen, twe goltgu(lden) binnen vertien dagen nae Datum dieses, daer to sollen beide parthien genochsam burgen stellen, dat Gericht frij vitt und in to fhueren, onbelett und onbestoert.
Hieruo hebben die partijen dhamals ingewilligt van beiden sijden, dat Sie dat gelt totter hoefftvaert inleggen sollen binnen sess weken und is innen vergunt gerichtlich.

    ** Anno LIII (1553) den II dach Junij als die bueten geerffden mitt den van Heijen Irr gesatten Schattunghen niet betalen wolden und derwegen ahn rechten erwassen (?), ist diese van folgen de Sententie daerin ergangen und uitgespraken.
    Wij schepen wijsen vor recht van amsprack und antwordt, nae kondt und kondtschappen, so sich die van Gennep als nemptlich Melis van der Lijnden verninten (?) hefft. In der herrlicheitt van Heijen gefrijet soldt sein, dieselvige frijheitt nitt bewesen den Rechten genochsam. So wijsen wij vor recht dat alle die ghene die in der herlicheitt vorgen(ant) güederen liggen hebben, sollen mitt den undersaeten der herlicheitt Heijden schattijngh geven ein Ider nae seinem guedt.

Ordn. 6 Opnamenr. 0395-039..

Ordn. 6 Opnamenr. 0395
19 october 1565.
Anno 1565, den 19e Octobrij, als widderumb die Schepers nae gedhaenen kercken verbot ire schapen op ten velden gaen laeten und gefuedet hebben die schepen erklert op anhalden des Scholtis.
Die schepen seggen, dat Sie blieven bij dem fondenis als oer vorsaeten gewesen hebben in Anno (15) vijfftich, nemblich, dat ein ieder darvan gebruickt sall hebben ein pondt to weten:    VII lb

Ordn. 6 Opnamenr. 0396
27 november 1562.
Etliche kundtschappen belangende einem wegh.
Schepen Henrick Schonnip (?) unnd Thoenis Baix den 27e November Anno LXII (1662).
    Item Jan Krouwers off van den Staij tho Sambeck hefft laeten gedaigen ter konden mitt recht voer hier nabeschreven:
** In den ersten die Erentveste ynnd fromme Arndt Spanerbrock, Her tho Heijen, Roleff Vermaesen, Gerreitt Louwen, Arndt van Haesselt, Wolter Spanerbrock, Scholtis, Alhart Bijrman,
In den ersten drecht Jan vorschr. over dem her von Heijen vurgen. ther konden, wess hem kundich unnd wittich sije von den wech doer die Lanckeren, wess tot Sambecker Staij, tuecht Arndt vorgen. dat hij daerbij gewest sij, mitt den gantzen Naebueren von Heijen up ein beleijdungh, dat Lijffertt van Wijlack z(aliger) der Landtrentmeister gewest, des wegs einsdeils toge …… (rest tekst ontbreekt!)

Ordn. 6 Opnamenr. 0397-0398
In die Pingstheijlige dage 1548    Peter Boll.
Wij Roleff Vermaessen und Seger Beltgens, vort wij gemein Schepen tot Heijden, tuijgen dat vor uns geseten Richter vom beider heren wegen und unss int gericht khommen seindt: Johan Hermans, sein huijsfrou mitt oeren drien Sohnnen Johan, Henrick und Hunrick und hebben bekandt und beleden. Dat Sie in der hylix vurwarden tuijssen Peters Boll eins und Gertt oer dochter anderdeils, belaefft und gegeven hebben, geven und beloven den vorgem. Peter mit sein huijsfrou Gertt vorgen. einen mergen lantz in dem gericht Heijden int Neerveldt gelegen,vorgenoit mitt einer sijden und ein eindt Peter Boll selver, ther ander sijden Johan Ebben, mitt einem eindt Anna Rixen saliger, mer erst nai doitlichen afganck des vortschr(even) Hermans und Diemer seiner huijsfr. Ontefangen und erfflick tobehalden. Vort hefft der Erentfesten und fromme Arndt Spannerbock, ein Heer tho Heijden, in der bededinge diss hylix gelaifft und gegeven, den selven Peter Boll mitt seiner Nichten ein erff malder garsten, jaerlix pachts, wilkoer die Greff Spannerbock jaerlix geldende hefft uitt den guederen des vorgen. Peter vader und moeder nagelaeten hebben und hefft Arndt Spannerbock gelaifft dat malder garsten tho sampt oer erven, nitt mehr umb gemaent sollen werden off betalen sollen ten ewigen daegen tho. Sonder all argelist. In urkundt der waerheit. Gegeven in dem jaer uns Heren duijsenth vijffhondertt acht und vertich up dingstach in die Pingst heijlige dage.

Ordn. 6 Opnamenr. 0398
Ca. 1550  Fragment oorkonde, waarboven staat: Jan Rutten
Wij Seger Beltgens und Gerriett Louwertz, schepen, tuegen, dat vor us khommen sijn Derrick Goessens und Rijxken sein huijsfrouw und hebben vor uns Richteren van beiden Herren wegen upgedragen Johan Rutten und Metth sein huijsfrow und oeren Erven einen weijkamp vorgenoten mitt einer sijden Goyerdt van Wijlick, ther ander sijden die gemeindt. Ein Eindt Goerdt Drijssen, dat ander eiindt Johan Ebben vor
 
Ordn. 6 Opnamenr. 0399-0401
24 juni 1647
Tot vervulling van het vacant geworden pastoraat in Heijen wordt uff St. Joh. Baptista Mit sommer deses yrtz lauffenden sestienhondert sieben und vertzigen Jahr wordt de Ehrwerdigen Here Johan van Beler door de tijdelijke Herren zu Blijenbeeck als rechtmessiger Collatore voorgesteld. Deze zal vredelich met zijn parochianen leven en als zielzorger het woord Gods verkondigen. Daarbij mag hij wonen in de weem oder des Pastors behausungh, dat door de langjarige oorlog bouwvallig geworden is en dringend moet worden hersteld. De parochianen hebben voor het bouwmateriaal te zorgen.

Ordn. 6 Opnamenr. 0401-0402
10 december 1631    
Vrijwillig akkoord van de schepenen en naburen van Heijen en Jan Clabbers, dat hij vrij behalden sal dat eerff ind huijs gelegen te Heijen, maar zijn erven jaarlijks ein schepell roggen an der schoell tot Heijen tbetalen op S. Joannes Nativitatis in Midsomer und ein ton biers vor die nabuyren, so nu anstont gedroncken is betalen zal. Eveneens is hij ein halff ton biers in die Schutterije tot Heijen verschuldigd.

Ordn. 6 Opnamenr. 0402
29 december 1631    Een op kasteel Driesberg (Kessel a.d.Niers) door Arnold Henrick von Nieuenheim, Kleefs jagermeester en woudgraaf ondertekende verklaring aangaande de koop van een stuk heijdlandt nu Meerweert, waarop voor de koper een jaarlijkse last drukt van ein halff tonne biers voor der gilt tzu Heijen

Ordn. 6 Opnamenr. 0403-0404
2 maart 1651    De Iura des scholtheissen und Gerichtz Botte zu Heijen bevattende de inkomsten en tarieven/boetes die de schout en de gerichtsboden van Heijen voor hun handelingen toekomen, te weten:
1.     Von jemanden tho gedagen (voor het gerecht te dagen) den Scholtheis    8 st(uver).
            Den bode halff so viel                        4 st.
2.    Van Pandunghe (soort beslaglegging) den Scholtheis            16 st.
            Den bode halff so viel                        8 st.
            Van Pandtslietung der Scholtheyss                16 st.
3.    Den Botten (soort bodegeld) halff so viel vor den Scheffen, so daer over sitzen ein jeder ein quart wiens ad 1 schelling: ad                        8 st.
4.    Een  weet oerkundt tzu thun binnen dorps daer van, sal der Bot haben    8 st.
    Buitten ambtz oder herlicheit aber                        16 st.    
5.      Die Pantweigert oftt Vortsettung doet auch zur unrecht unmitteren het (?), hat verbrucht (heeft een boete van)    1 alde schilt ad 1 schill.
6.    Van 1 arrest, den Scholteiss                            16 st.
Den botten half so viel                            8 st.
7.    Die Schouwung (inspectie) der straten, leijgraven, heggen, und weeijen und velden, brueckfalligh (in gebreke te vinden) befoinden werden, haben verbrueckt    1 goudgulden (in specie).
 De gemene straat bij zijn erf gelegen moet 16 voet (4,80 m.) breed zijn. De heggen er langs moeten dus tijdig geknipt worden, anders rust ook daar een boete op. Deze notities waren genomen uit oude aantekeningen van de Heijense pastoor.

Ordn. 6 Opnamenr. 0405
Geen document

Ordn. 6 Opnamenr. 0406
Slecht behouden eindfragment van een Heijense akte over een boerderij en een brug uit 1546, zonder samenhang.

Ordn. 6 Opnamenr. 0407-0408
Op vrydach nae Paesschen anno (15)XLII 1542.
Wij gemenen schepenen tot Heijen tugen semenlijck op onsen schepen eet dat uijt versuijck Arnt Spaenrebock, een heer thoe Heijen, durch dvanck des rechten, want wij mijt recht daits thoe genoedicht sijn, ind van hem ons gerichtelick aff gevraicht iss off Wolter Spaenrebock, syn bastert broder nijts geedt geweest en weer voer eenen gerijchs baed, dat ons seementlick wijttich ende kondich is, dat nae Jan den Baed (die een tyt lanck gerichs baed geweest iss van wegen beijden Heeren) Marten Wijnetz gerichs baed was van weegen beijden Heren ind doe die selve Marten van Heijen uijter onsen gericht ytter woud toech begherden hij dat men hem synen eet sold verlaten ind dat hem doe synen eet verlaten wart ijn bijwesen end mijt consent beyde richters van beijden onsen heeren wegen, ind dat ter selver tijt Wolter Spaenrebock vurscreven tot enen gerichts baed van wegen beijden heeren gesat wart ind dat hem Thonis van der Lijnden durch begeert des Scholtis van Genp den eet staeffden ind iss ongevaerlick omtrent twe Jair lanck gerichts baed geweest, eer hem de eet wederom van den Scholtijs vurscr. verlaten wart, welken eet hem die scholtijss vurscr. oick nae gerichtelick quijt gescholden heeffy van wegen ons gen(ante) heren, ind dat om der twijsten wijl des iagens halven dat die drost nijt hebben en wold, dat hij baed sold wesen van wegen beijde heren. Voert op die vraich ons Arnt Spaenrebock vurscr. aff gewraicht hefft van Eevert van der Borcht off hij in onss gericht ind banck oick gheer weer geweest, tugen wij seementlick op onsen eet vurscr. dat ons gheen dair oever gestean en hebben off oick nijet hebben hoeren seggen, dat hy hyer ijn ons gericht gheet iss geweest.
Wort tugen wij op eet vuurscr. Op vraich ons Arnt vurscr. off gevraicht heeft, dat ons wijttich ind kondich iss, dat die selve Eevert vurscr. hier peend (boete) gehaelt hefft, woe wael hy geen gerichts baed ijn onss heerlickheyt en was en heff die peend uijt ons heerlickheyt te Genp gewoert, dat alhijer voertijtz nijet en plach te geboren, want wij schepen schuldich sijn der waerheijt getuchniss te gheven, dair wij mijt recht thoe gevordert weerd betuijchen wij dijt myt ons gemenen Schependombs seegel hijer onder opt spatium dess ons apeneer certificaten gedruckt op vrydachnae Paesschen anno (15) XLII.

Ordn. 6 Opnamenr. 0409-0411
22 april (XLII) --1542.
Wij Gerijt Lauwertz ind Arnt van Haeselt schepen ind voert wij gemenen schepen tot Heijen tugen ind certificieren oeuermijtz dess onss apener certificatien ind placaetz brijeff dat uijt versuijck Arnt Spaenrebock, een heer thoe Heijen, durch dvanck des rechten voir ons koemen syn Derick Ebben ind Jan Lijnsen, beijde onse mijnt schepen ind ons ter konden gedraegen heefft, dat sy nijet beleefft en hedden die wijl sy the Heijen gewoent hedden off oick nijet en hedden hoeren seggen dat eijnijghe misdedygher off gevangen off peende uijt onss heerlickheyt ind gericht gevoert weeren bij des alde greve tijden Arntz vurscreven baeder off dair bevoeren dan mijnt consent ind belijeven des greven van Heijen, ind dat gelijken van den alde drosset Christoffel van Wijlick nijet vijt ons heerlicheijt, dan mijt consent ind begheert Henrick Spaenrebock, ein heer thoe Heijen gehaelt en wart ind dat van den kerckhoff uijter weemen, dair om onse kercke ein tijt lanck interdickt weer geweest.
Ind voert hebn sij getuijcht op eet vurscr(even) dat on wael wijttich ind konmdich weer, dat Henrick Spaenrebock vurscr. eenen aangriep hed gedaen aen Jenneken Peelen ind hedt den gevangen ind gespannen ind dat om dat sylveren wyl van Sunt Anthonijs broerschap van Genp, dat hij synen broeder Derick Peelen aff gestaelen hadt ind hed hem ein tyt lanck syttent gehad omtrent V off VI weeken ongevaerlick.
Item dat hem oick kondich weer, dat die vurscr. Henrick Spaenrebock oick aengevangen ende gespannen hed Aelbert Bans om des wijl dat hij knijn gevangen hadt.
Voert hebn sij getuijcht op eet vurscr., dat on wael kondich is dat Ott van Wijlick, drost tot Genp, hed laten grieppen in de nacht ind tot Genp laten haelen Henrick Na bind dat bij tijden dess itzyge weedurou thoe Heyen Arntz vurscr. moeder mer sy en woesten nijet off die vurscr. weedvrou dair consent thoe gegeven heft off nijet.
Voert tuijgen wij Schepen vurscr. dat uijt versuyck Arntz vurscr. durch dvanck des rechten noch voir ons koemen iss Jan Hermens, Baij (bode) tot Heijen geweest iss en heeft voer ons gerichtelick getuijcht ind uijtgedragen ind gestaeffs eetz lyfflick then heijligen gehalden dat hem oick wael kondich weer, dat gelysken vurscr. uijt ons heerlickheyt gevoert waert mijt consent Henrick Spaenrebock, een heer thoe heijden ind dat der oersaken halven, want hij om van svagerschap bewant was ind want hij den graeff gedreijcht hadt, doe hij the Goch uijtkomen was om dat die greeff syn goet thoe had laten slaen soe en dorst hij bij daghe dair nijet koemen, dan hyel sych verboergen op ter Weemen bij heer Hermen ind doe die greeff dat vernaem, gijnck hij bij den drost ind begeerden dat hij om soldt laeten aengriepen, twelck alsoo geschiet iss ind waert op ter Weemen int ijser geslaegen ind satt dair enen daich twe off III ongevaerlick ind waert dair nae mijt consent des greven vurscr. the Genp gevoert int gerijcht. Ind heeft noch getuijcht dat hem oick wael kondich weer, Dat Jenneken Peelen van den greeff vurscr. aengegriepen weer om des sylveren wijl der broederschap van sunt Thonijss the Genp, want die greeff vurscr. een mijtbroeder was der selver broderschap ende halpt alsoe die broedrscap weeder aem oer sylveren, dess sy aen der quijt weeren geweest ind die kund componijerde nae doe hij ein tyt V off VI off VII weeken ongevaerlick the Heijen geseten hadt mytten greeff ind mytten drost, dair durch dat dat sylver gebetert waert, ind Jenneken waert loss gelaten.
Item heefft noch getuijcht op eet vurscr(even) dat hy ther tyt doe Aelbert Bans vurscr. gevangen waert, des greven baed was ind Aelbert was op weich myt synen schapen the drieven nae geyn Ketelvoert tot Spaenen, dair hy sych vermijdt hadt ind dat hem die greeff nae saent ind lijet hem besetten doe hij besatt was, ghijnck hij mijt hem totten greeff ind dat hem die greeff aen vijnck ind gevenckelick satt wees die kund (?) quaemen the Genp bij den Drost ind by dem Greeff ind componijerden.
Item heeff noch getuijcht op eet vurscr. dat hy ther tijt doe Henrick Nab gevangen und gehaelt waert van drosten dijnres baed was van beyden heeren weeghen (als hij wael ongeveerlick IX off X jair voer ind nae geweest weer) ind dat doe Wyllem van der Borcht snachs quaem ende rijep hem op ind dat sij doe tsamen gynge voer Henricks vurscr. doer ind quaemen myt lyst in huijs ind grepen hem ende elyden hem soe nae Genp ind hijeten hem wedom thuijs gaen off sy dat geconsentyert hed off nijet. Sonder argelyst, want wy schepenen dan schuldich syn der waerheijt tetuijchenijss the geven, dair wij myt recht thoe gevoerdert weerden te betuijghe wy dyt myt onss gemeynde schependoms segel hier ende opt spatien dess onss apener certificatien gedruckt, den tweentvijntichte aprilis anno XVc XLII

Ordn. 6 Opnamenr. 0412-0413
14 juni (?)1551.
Wy Alardt Birman und Johan Rutten, voirt wy gemeyn schepenen tot Heiden tuegen in desen apenenen placait dat uit forderyngh des Erentfeste und fromme Arnt Spanrebock, eyn here to Heiden vur ons komen und erschenen synt die Erentfeste und fromen Martin Boegell, heer tho Oyen und Derick van den Calck und hebn eyndrachtlick getucht, gekontschapt und na mit ore eidt bestedicht were recht is dat eyn tyt van jare geleden syn dat sy in Lotryngen inm eynen dorp genannt Bellene by den here van Well oren oversten ter tyt op eynre Camer umb oir betalynge aen komelicke Manstoet (?) to fforderen van oren perden als van dry maentz komen syn. So dat die vurscr. ruyther semptlick die noch then achter waren vur quyt aensaegen (?) dat men Hackfort dar to verordenen solde dwelk he van den houpluyden Amissart gemaickt was. Dair op der heer van Well oir overste on vur antwordt gaff, dat beter were eynen anderen dair to to verordenen und tbewylligen, also dat sy semptlich deputirt hebn Arnt Spanrebock, heer tho Heyden vurg(enant) wylck oir mit den heer van Well aan Koen(inklijk) Ma(jesteit) om dat Ruiter gelt f forderen gereist is und wardt den vurscr. Spanrebock tot syne teronghe belaifft und togesekert op wylcker perdt eyn gelde Croen, wylcker geldt die vurscr. Martin Boegel und Derick van den Kolck bekanden betailt thebn als myn heer van Well und myheer van heyden wederom uit Ffranckryck quamen und sy oir gelt to Well op den huysse ontfyngen weyde s…. sy gekontschapt dat on kundich is dat Hackfort vurscr. ter tyt na luydt de monster sedule vier und twyntich perden in bes… dynge gehadt heeft und dat Hackfort ter tyt nyt to Well is gew… und syn aendeyll der oncosten nit betalden, wie vurscr.. Du..dan deze kuntschap also wie vurgen. vur ons uitgedragen und mit eydt bestedicht is hebn wij Schepene vurscr. in getuchnis der wairheit unsen gemeynen schependombs segell op spatien dys placait gedruckt. In den jairen uns Heren duysen vyffhundert eyn und vyfftich, den vyrthynde dach ….. ij.

Rugzijde:
Ein alte versiegelte Kundschaft über eine Forderung den Spannerbuick betreffend.

Ordn. 6 Opnamenr. 0414
1552.
Wy Henrick van den Bungart und Johan van Hoesden, schepenen tot Genp, tuigen und certificieren in desen apenen placaithbryff dat up huiden datum van desen uit versuick dess Erenfesten und frommen Arnt Spannerbock eyn heer tot Heiden unb  urch dwanck dess Rechten vur ons komen is Thonis van der Lynden und hefft by ide syns schependombs uitgedragen und getuicht als recht, dat eyn tyt leden is hy myt den Eirbaren Roloff van Osswerdt, scholtis dess Ampts van Genp myt meer ander mannen by den vurscr. Arnt Spannerbock tot Heiden in huyse Wolter Spannrbock bastert des heren van Heiden vurscr. Baidt (=gerichtsbode) heff sitten drynck, so dat gemelte Arnt Spannerbock tegen den Scholtis und Thonis vurscr. saicht: Ick heb verstaen dat ghy gerichts luydt van Genp myt den sementlick naburen eyn beleiding gedaen hebt, die myner heerlicheit to na geit und van den maell die beleidung also myt recht staen sall, sall myn heerlicheit nyt groit geblieven, dairop die Scholtis und Thonis geantwordt hebben: Ghy van Heyden dat hir tegen oick eyn beleiding, So hefft die vurgemelte Spanerbock begert und gefonnen (?) die vurscr. Scholtis und Thonis om eyn form und manier vurgeve und leren wolden wo die beleiding na alten byllicheit und na recht geschreven sall van den maill hij dess onvervaren were, hebben die Scholtis und Thonis vurgen(ant) geantwort und gesaicht, dat Spanerbock vurgemelt, eyn beleidig van beider heren wegen verramen sall, myt geneichten und sulx asdan dry maill up verschin sonnendaigen to voeren durch synen geswaren gerichts baidt in die kercken laiten verkundigen und roepen. Sonder argelist, want dan wy schepen vurscr. schuldich syn der wairheit eyn getuich tgeven dair wy myt Recht umb gefordert werden. Is dit allet glickt vurscr. steit vur ons uitgedraigen. In oirkonde der warheit hebben wij schepenen vurscr. ons segelen hier und up spacien deses certificaathplacait gedruckt….. jair ons Heren duysent vyffhundert twe (und vyfftich) (rest niet leesbaar door opgedrukt zegel)

Ordn. 6 Opnamenrs. 0415-0420
Kleve,  17 juni 1560.
Vergelijk en verdrag tussen de gebroeders Arendtt Spannerbouken, als einen hern tho Heijden, en Johann Spanrebouk met de hertog van Kleef, wegens het frequente misverstand en tweedracht met de Ampttleutten tho Genepe van de hertog van Kleef met die van Heijen. De conflicten gaan onder meer over die holttgewässene der Hezen, Vijschereijenn, Knijnen, Wranden, waarover het gericht van Heijen gesonsulteerd is en welk gericht voortaan appellatie moet houden in Kalkar en niet meer te Gennep.
De heren van Heijen moeten voor hooggerichtsaangelegenheden en lijfstraffen naar de hertog van Kleef en de Heijense heer opereert als tidttliche helfheren en gevangenen zal deze binnen drie dagen over leveren aan de hertog. Belastingen of schattingen, tijnsen, en opbrengsten uit houtgewas e.d. komen voor de helft aan Kleef en de andere helft is voor de heer te Heijen. Ook zijn ze beperkt in het laten bouwen van nieuwe boerderijen, turfrechten, kerkelijke en wereldlijke benoemingen. Daarbij is de scholtis, die benoemd is door Spanrebock van Heijen, geen sprekend schout, zoals de Kleefse scholtis, maar slechts een swijgend schulttiss. De sprekende scholtis zorgt voor de uitvoering van de boeten/straf en de verpandingen.

Ordn. 6 Opnamenr. 0421
20 mei1560.
Arndt van Haselt en Johan Michels schepen en de gemene schepenen van Heijen verklaren ter instantie van Arnt Spanrebock, eyn heer tho Heyen, verklaren dat voor hen Arndt die Hoigh, die over de 80 jaar is, en Johan Hermans verschenen is. Beiden wonen al tuyssen vijfftich und sestich jair te Heijen en verklaren dat een zeker goed (boerderij) van die Haen afgebrand is geweest en weer opgebouwd.

Ordn. 6 Opnamenr. 0422
25 januari 1560.
Wij Herman Pelen en Gerit Lauwertz, schepen en gemene schepenen van Heijen getuigen gezamenlijk dat voor Arndten Spanrebock verschenen zijn Lenardt van Schelberch en zijn broer Derick die verklaren wanneer in Goch Wylhemken, de huisvrouw van Symon Janssen gestorven is.

Ordn. 6 Opnamenrs. 0423-0425
Kundschaft wegen eines begangenen doetschlags
Gennep,  1558.
Wy Gundert Poylman en Reyner Reynenssen, schepenen te Gennep, doen kond, dat voor onsseren Scholtis Otten Ruytter en voor deze schepenen in eigen persoon gekomen is Gerhart van Kesseleijck ter instantie van Alter Knyppingh tot Heiden. Er volgt een gedetailleerde ondervraging via een predikant over een voorval met vrouwen en een dronken man. Het gebeuren vond op 28 februari ’s avonds nabij Goch umbtrynt Aesperden up ghener syden van den Cruysswegh komende plaats met stoten, houwen, steken en met zelfs een dodelijk streck. Hierbij worden het klooster Grevendaal of Nieuwklooster en de schans van Sgrevenwerth (later Schenkenschans) betrokken als ook den Schenycks soldaten tussen kasteel Driesberg en Kleef.

Vervolg op voorgaande doodslag

Ordn. 6 Opnamenrs. 0426-0427
Gennep,  24 maart 1558.
Voor schout Otten Ruytter en de heren Gundert Poylman en Reyner Reynenssen, schepenen te Gennep verschijnt Peter die Swart van den Bergh met een verklaring. Er is sprake van een claim van vierhundert goldt gulden pennyngh geldtz und schade van rechten. Tijdens het verhoor wordt gezegd dat die duyvell mout my dair gebracht hebben.

Ordn. 6 Opnamenrs. 0428-0432 (Opname 0431 ontbreekt!)
7 januarij 1651
Herman Janssen, als schutter van Heijen, geeft een overzicht over 1650 van overtredingen met zijn bevindingen van vier met naam genoemde schepers van vee, naweiden op bepaalde gemeentevelden, gekapt hout, gestolen gras, e.d.

Ordn. 6 Opnamenrs. 0433-0434
27 maij 1651    Was der schütter angebracht hatt
Boeten vanwege een in beslag genomen paard van Derrich Roben, het hoeden van vee op Pasen (Ostertag), het drijven van schapen auff das Maijsie ouffer (op de Maasoever), het ’s nachts uitbreken van een paard, het drijvan van schapen in een korenveld e.d.

Ordn. 6 Opnamenr. 0435
20 augustus 1657
Belasting aanslag en met het contigent of aandeel daarvan voor het ambt Gennep, verdeeld over de inkomsten uit Ottersum en Oeffelt en de heerlijkheid Heijen met de verdeling naar die pastores zu Gennep und der Stadt, Uffelt, Heijen, Ottersumb en naar die vicarij St. Anthoni, Crucis en Martini in Gennep; Salvatoris en B.M. Virginis in Uffelt; St. Nicolai und Fruhmess te Heijen; Milssbeck und Lamberti te Ottersumb

Ordn. 6 Opnamenrs. 0436-0438
15 oktober 1657    
Erftbrieff Petern Driessen, opgemaakt voor de Heijense schepenen Willem Vermaessen en Jan van Lottum en hun scholtis Joan Deusingh over een hoeve, die erfelijk overgedragen wordt.

Ordn. 6 Opnamenrs. 0439-0446 (Opname 0446 ontbreekt!)
1651 - 1662    
Opgelegde boetes (met notities daartussen van uitgaven) wegens verschillende overtredingen zoals het stelen van mergel, hooi, het drijven van vee op verboden plaatsen, vechtpartijen, andere diefstal met geselen en brandmerken, enz.

Ordn. 6 Opnamenr. 0447
Ongedateerd.    
Fragment van een veroordeling, deels Duits, deels Latijn.

Ordn. 6 Opnamenrs. 0448-0451
2 juni 1661
Gerechtelijke ondervraging op verzoek van de Gennepse pastoor Emerici Kriffts, van Jacob Gorthals/Gortsalen, die met twee vrouwen betrapt is, over diefstallen met kameraad in het Land van Cuijk (o.a. tin en zilver bij de predikant Henrici Stulenius te Beugen en diefstal in Mullem en Sambeek) en in de kerk van Gennep, zijn omzwervingen als soldaat in Spaanse dienst, zijn verkoop van gestolen spullen en zijn gevangenschap in het kasteel te Boxmeer. De gerichtsschrijver van Heijen protocolleert een en ander.

Ordn. 6 Opnamenrs. 0452-0465
17 juni 1661
Door de inquisitie wordt Jacob Gordsalen ongeboeid aan een scherp verhoor onderworpen. Hij blijkt van St. Oijenraij (Sint Oedenrode) geboortig en 26 of 27 jaar oud te zijn. Twee maanden is hij in Spaanse militair dienst geweest en heeft daarna als marskramer langs de huizen een jaar lang met kammen, schotelen en swebelstöck (lucifers) officieel zijn kost verdiend. Hij ontkent diefstallen in Mullem. Sint Anthonis en Sambeek. Het uitvoerig verhoor wordt vervolgens in Boxmeer voortgezet. Veel details worden weergegeven.

Ordn. 6 Opnamenr. 0467
Archiefomslag, Landesarchiv NRW, Gesamtarchiv von Romberg, Haus Heijen – Karton Akten, Nr. 6.

Ordn. 6 Opnamenrs. 0468-0469
25 febr. 1728 [met extract van 18 juni 1560] inzake een schrijven vanuit Kleef van de Kriegs- und Domainen Cammer aan de heer van Heijen, waaruit blijkt dat de inwoners van Heijen van oudsher (zeker sedert 1560) bepaalde diensten in natura, verschuldigd zijn d.w.z. hand- en spandiensten, en wel aan hun landsheer (in dit geval nu de Pruisische koning) en aan de lokale heer van Heijen, te weten half om half. Het bericht is verstuurd aan rentmeester Leurs, gezeten op het Genneperhuis.

Ordn. 6 Opnamenr. 0470
1731    Vermessungs Carte, een soort kadastrale van het kirspel Ottersom, van grondstukken die blijkbaar aan het huis Heijen behoren zoals de Tillenkempken, Diepenbroicks lange kamp, Diepenbroick werth, zum Hövelschen hoff gehörig Frhr. v. Diepenbroick met landerijen (bouwland, weiland en heide) geheten de Heijensche Lucht, alsook een weiland bij het Genneperhuis gelegen, geheten Pillenkamp.

Ordn. 6 Opnamenrs. 0471-0472
Buldern, 1732
    Verzoekschrift van de Freiherr Johan (?) von Diepenbroick, als Jurisdictions Einhaberen van Heijen aan de Pruisische koning n.a.v. Landsdag uitspraken van 1653, 1654 en 1664 i.v.m. het meer toegestaan zijn van het aantasten de gemeenschappelijke heidegronden, de jacht, de bossen, de weidegebieden en het maaien van plaggen. In 1719 was nog 75 Hollandse morgen van de Heijense heide afgegraven en in cultuur gebracht. Hernieuwd verzoek om toestemming tot afgraven.

Ordn. 6 Opnamenrs. 0473-0475 (Opname 0475 ontbreekt!)
1738.
Door de Pruisische koning wordt toestemming verleend om de reeds aangevangen ontginning heidegrond onder Heijen voort te zetten (met 3 jaar vrijstelling van belasting, zoals van de novale tienden daarop). Het betreffen:
1 morgen door Henrich Tünnessen
5 morgen door Theijs Jansen
7 morgen door Peter ther Vooren
5 morgen door Jan Claessen
5 morgen door Jan Deriksen
5 morgen door Jacob Hübers
2 morgen door Kerst to Rijck
2 morgen door Gerrit Gerritsen

Verder aan de Steenberg gelegen de nieuwe ontginning van
1 morgen door Gerrit Gerritsen
1 morgen door Jan Willemsen
1 morgen door Jan Barbiers
1 morgen door Jan Claessen
1 morgen door Jan Busman
En nog auf der Burgt    4 morgen door Jan Barbiers, totaal 47 morgen

Ordn. 6 Opnamenrs. 0476-0480
25-29 augustus 1746
Mededeling van het echtpaar Johan Herman van Diepenbroick en vrouwe Elisabetha Josina Wilhelmina gebohrne Voigt von Elspe, Heer und Fraw zu Buldern, Heijen und Borg inzake hun gehorende Pertinentien: adeliches Hauss Heijen, Garten Baumgarten, die Schantze, Fischereij ins Meer und Maase, Jagdgerechtigkeit, Taubenflucht, Fehrfreijheit auf der Maasen an des Boxmeersche Fehr, die weijde- und bawländereijen … des unter Gennep gelegenen Luchtschen hoffs, zu, Haus Heijen gehorige Erbschäifte in rogge, gerste, kapaunen, hunen und tijnsen, zoals geregistreerd onder de heren Van Wijlick.

Ordn. 6 Opnamenrs. 0481 – 0484 (Opname 0484 ontbreekt!)
7 september 1744     
Verklaring van Gerhardt Leurs, Richter en Albert Groenewaldt, Peter Boumans en Jan Peters, schepenen van de heerlijkheid Heijen dat voor hem verschenen zijn Mr. Matheus Schmitz en zijn huisvrouw Catharina Velmans. Voor een som van 22.000 gulden Hollands en 334 gulden doen zij afstand van een serie gespecificeerde landerijen onder Heijen

Ordn. 6 Opnamenr. 0485-0497
18e eeuw.
Overzicht van weilanden en landerijen zu den Vicarie zu Heijen gehorrich met jaarlijkse opbrengsten, met name een weiland bij den Wittensteijn, den kleijne witte steijn genandt, verder der halbe Niggekamp, land an dem Merpass, land genandt die Papenlir, weiland in die Lancker.    

Ordn. 6 Opnamenrs. 0486-0498
1626-1628
    Zum Huse Heijen horen een serie landgoederen, die qua grootte, ligging en (fiscale) opbrengsten op 13 pagina’s in details opgesomd worden.

Ordn. 6 Opnamenr. 0499
Ca. 1630    Een hof te Heijen in gebruik bij Johan Lijnsen met nabijliggende weilanden in de Lanckeren, den Hamsse paiss, op het Kraunfeltt, op het Hoichfeltt, achter die Kalckhoiff, op den Raijacker, op die Laick, in die Ma(i)stenhuick, die Paipelyr, in der gemeint.

Ordn. 6 Opnamenrs. 0500-0501
17e eeuw.    Pahling des Heijenschen Hoffs, of te wel den hoieff tho Heijen ahn Landerije so baulandt und weijlandt in het Lankerer, int Nijefeldt, in die Rodedell, ahn die Laicker, die Papeleir, den Meirpaiss, den Weijerspoeill, denm Klokamp, den Smallert e.a.

Ordn. 6 Opnamenrs. 0502-0506
17e eeuw    Opgaven van gepachte landgoederen onder Heijen met grootte, ligging, pachter, e.d.

Ordn. 6 Opnamenrs. 0507-0509
1646        Maandelijkse afkondiging in de kerk van Heijen van op te leggen boeten bij het overtreden van zekere hertogelijk Kleefse en lokale wetten van de heer van Heijen m.b.t. de schapendrift, het goed gesloten houden van omheinde weilanden, het tijdig opschonen/korten van wilgen, het schoonhouden van sloten, het kappen van hout of heibrem voor de verkoop aan derden en het is verbaden dat nijmandt in deser herlicheit op eenige Soindaigen offt andere heijlige dagen Beede dagen sal arbeijden, mehr als tot Godesdienst gehoort, komend op een boete van 5 goltgulden und 10 goltgulden daer sij vor arbeiden.

Ordn. 6 Opnamenrs. 0510-0516
1646        In vijftien punten wordt uitleg gegeven over het weiderecht e.d. van Heijen in het bijzonder gericht op de inwoners van de stad Gennep i.v.m. schendingen ervan, vroegere gewelddadigheden, enz.

Ordn. 6 Opnamenr. 0517
17e eeuw    Smeekschrift aan de Vrouwe van Heijen, geschreven door Peter Perfaes (uit Boxmeer?) en veerman op de Maase, die wegens het onvoldoende aanwezig zijn daar van heide en strooi om zijn brouwketel te kunnen stoken, toestemming vraagt    om soo veel brouw heijde ende strouw heye te moegen laeten mayen als ick sal nodich hebbe.

Ordn. 6 Opnamenrs. 0518-0520
1436        Copeij aus den Blienbeckssen protocol den limitten zwisgen Heijen undt Afferden betreffent, geschreven door Peter Jeurgens, secretaris tot Afferden en overgenomen uit het zogeheten Legerboeck van Afferden. De grens loopt van beneden Heijenert velt tot midden in ghen Maess und so voirt op doert velt totten Hengelboem und vort niederwert en zo verder.

Ordn. 6 Opnamenrs. 0521-0523 (0523 ontbreekt!)
Archiefomslagen, Landesarchiv NRW, Gesamtarchiv von Romberg, Haus Heijen – Karton Akten, Nr. 18 en Nr. V, 11 A 3.

Ordn. 6 Opnamenr. 0524
15 april 1643        Fragment van een eindstuk van een pachtverdrag met onderpandstelling, waarin genoemd wordt Eb(ert) Stickers (rentmeester te Heijen?) en zijn erven, uitgeschreven te Emmerick.

Ordn. 6 Opnamenrs. 0525-0526
1628-1648        Kopie van een brief, uitgevaardigd te Maastricht en ondertekend door Willem van Till, waarin wordt bevestigd dat Eb Stijckers als rentmeester van Heijen, den hoff Bongaert met de visserij mag gebruiken als pachtgoed, maar het staat de Vrouwe van Heijen vrij om vis hieruit aan het Hof in Kleef ofte aen ander luijd te schenken, zo zij dat wil. Ook mag Sti(j)ckers de Wijersspoell met de Poll gebruiken tot zijn profijt.

Ordn. 6 Opnamenrs. 0527-0550
1646            Uitvoerig register van ontvangsten en uitgaven te Heijen van onder anderen: geleverd ijzerwerk, gekochte pistolen, ontvangen koren en werkzaamheden daaraan

Ordn. 6 Opnamenrs. 0551-0553 (0553 ontbreekt!)
Archiefomslagen, Landesarchiv NRW, Gesamtarchiv von Romberg, Haus Heijen – Karton Akten, Nr. 5 en Nr. V, 2 Band.
    
Ordn. 6 Opnamenrs. 0554-0556 (0555 ontbreekt)
11 december 1692.    Pachtvoorwaarden van een huis met landerijen i.v.m. reparatie, erfdienstbaarheid aan het kasteel van Heijen, schaden a.g.v. oorlogen of natuur, het betalen van jaarlijkse schattingen, e.d.

Ordn. 6 Opnamenrs. 0557-0562 (opname 0562 ontbreekt)
10 maart 1693        Pacht door Reinier Reiniers van de Vrijfräwlein Berthina Elisabeth van Vittinghoff genannt Schell, Gerichtsfräwlein der Heerlickeit Heijen van het adelickes Heuijs Heijen, mitsgaeders daerbij gehoorigen gaerden, Boggaert, Bischerijen in het Mehr op de Maese, Duivenvlucht, Jaghtgerechtigheit, Fehrvrijheit op de Maes ahn Peter Perfaess vehr, als oock Weij- en Hoijlanderijen (ongeveer 180 kleine mergen), alles schattingvrij, met daarbij den Lochtsen Hoff, met de diverse erfpachten aan het Huis Heijen, enz., enz. tegen een pachtsom van 920 rijksdaalders, half in Hollands en half in Kleefs geld. Met jaarlijkse leveringsverplichtingen aan de Rentmeesterij van Gennep, het klooster Marienbaum, de Heijense pastoor en de Heijense schoolmeester en ook moest hij kapitaalkrachtige borgen stellen.

Ordn. 6 Opnamenrs. 0563-0570
Boxmeer, 6 december 1664
Gerechtelijke ondervraging of interrogatoria van in dienst van de Excellentie van Boxmeer (Graaf Albert van den Bergh) zijnde personen over de jachtgerechtigheden met lange jaghte ofte honden …. met tyrasse en verleger honden …. met roers (geweren), te voet of te paard) onder Heijen. De ondervraagden zijn: Jan Reijnen (in de seventigh jaer ongefehrlijck, geboren tot Wanraij, eerst stalknecht, daarna jager), Peter Pouwels (de) Vinck (oud ongeveerlyck de 52 jaeren, gebooren te Burgerhout/Antwerpen, sedert 1631 in Boxmeerse dienst, eerst twee jaar als Lacquaij/lakei, vervolgens vinckevanger, daarna jager en wildschut), Attueer Gieskens (out ongeveer 48 jaeren, geboren te `s-Heerenbergh, eerst lakei, dan bottellier ende soo vervolgentlyck Boirgh greeff), Peter Winock (segt ses oft seven in seventigh jaer, geboren te Doornyck sedert 1627 in Boxmeer, als trompetter), Joncker Wilhelm Teodosius Walhorn de Deckher (out se syn ongeveerlyck 45 jaeren, geboren te Brussel en sinds 1641 in Boxmeer, eerst als edelman voluntair ende nu op sijn selfts synde), Geurt ten Nijftis alias Sijbers (verclaert ongeveerlyck de vierendartigh jaeren, geboren te Boxmeer en vanaf zijn jeugdjaren in Heijen, eerst in Boxmeer schapenhoeder en jager). Zelfs de huijslieden van Heijen zijn daarbij komen helpen om de haesen uijt de aerde te graven, die de honden hadden ondergejaeght. Ook waren bij een jachtpartij wel over de hondert berckhoender in de heerlickheyt Heijden geschoten en ook zijn de boeren van Heijen zelf met de jacht meegelopen.

Ordn. 6 Opnamenrs. 0571-0574
Boxmeer, 6 december 1664
Soortgelijke gerechtelijke ondervraging als voorgaande, over het jachtrecht te Heijen door de heer van Boxmeer, van persoon geheten vrouwe Willemken Loijen uit Grave die 72 of 73 jaar oud is en getrouwd is met Sybert ten Nijftis te Boxmeer en daarna in 1638 met Eb Stijckers, de rentmeester van Heijen.

Ordn. 6 Opnamenrs. 0575-0577
Pachtcedul, 1 april 1681.
Verpachting in een openbare herberg door scholtis Johan Deusingh en de schepenen en naburen van Heijen van de gemeynts Maas oeveren, in blocken ofte parceelen verdeeld in  rijksdaalders van elk 60 stuiver Kleefs. De percelen (vier blokken) liggen onder meer naest de Mergelstraet.

Ordn. 6 Opnamenr. 0578
1681.      Eigenhandig ondertekend leenverklaring inzake opgenomen vier hondert Rijxdallders door Getruit Elisabeth van Nijvenheim, gebooren van Eickel, waarvoor zij onsen onder het gericht van Herijen gelegenen Hoeij ofte Weijkamp, den Kooe kamp en Honshorst genaemt tot onderpand stelt.

Ordn. 6 Opnamenrs. 0579-0580
11 sept. 1687    
Duitstalig antwoord van de burgemeester, schepenen en raad van de stad Gennep aan de Heijense jegermeister omdat de burgers van de stad Gennep niet gerechtigd zouden zijn onder Heijen te jagen.

Ordn. 6 Opnamenrs. 0581-0586
5 - 9  - 14 sept. 1698 / Kwitantie13 mei 1699
Verkoop tegen opbod in Kleefse rijksdaalders van hoeij= oder weijkamp zwischen Gennep und Genneperhaus, Mekerens weijde geheten, later Peilen weijde naar Carl Ludwig Peil en Gerhard Peil. De kwitantie is ondertekend met nomine Magistratus Gennepensis Const. de Mentrop.

Ordn. 6 Opnamenr. 0587
8 augustus 1699.
Nototie over de meting van bouwlanden tot het Huis Heijen behorend door de gezworen landmeter H. Thomas in totaal 183 morgen en 21 morgen onder Gennep gelegen. De landerijen zijn belastingvrij.

Ordn. 6 Opnamenrs. 0588-0595
8 – 12 aug. 1699
Verklaring van Haret Thomesen, landmeter, van metingen van aangewezen landerijen van de heer van Bulderen en Heijen te weten onder meer de Kerkenkamp, den Hoge Camp, het heylandt, diverse stukken op het Hogh Velt, den Loechthe hoef, achter de Hees, int Legh genaamt de Roodel/Roeijdel schietende op de Weijers poel, den Raeij acker, het Weert, den Maes hoeck, aen de Cuijel op de Lack, de Geer, e.d.

Ordn. 6 Opnamenrs. 0596-0600
12 mei 1717.
Ondervragingsverhoor over de gerechtigkeit van hacken en houwen tüsschen Gennep en Heijen, afgegeven door Peter Ebben, inwoner van Afferden voor de schepenen ende regeerders der Heerlijckheit Heijen. Peter, ongeveer 75 jaar oud zijnde en in de Heerlijckheit Heijen gebooren ende getoogen, heeft circa 50 jaar in Heijen gewoond en is er 18 jaar schepen geweest. Hij is nu gedaagd in de Gerichts Camer te komen en hij geeft een verklaring onder eed. De inwoners van de heerlijkheid Heijen zijn gerechtigd tüssen Gennep en Heijen de Heij vlaggen ofte stroij heij te hacken en te houwen en dat die van Gennep daer toe geen recht en hebben. Daarover zijn eerdere klachten van Heijen aan Gennep gedaan. Werden die van Gennep op overtreding betrapt, dan zijn ze altijd weggevlucht. De verklaring is ondertekend door E.H. Bammelroij, scholtis en Hendrijck Aerts en Willem Wijenberg, secr.

Ordn. 7 Opnamenrs. 0601-0603
17 oktober 1718.
De heer Van Diepenbrouck en zijn gemalin Engelina Elisabeth, vrijvrouwe van Diepenbrouck, geborene Van Vittinghoff genant Schel, Heere ende Vrouw tot Heijen kopen van het echtpaar Rembertus Pasmans en Christina Fegelaers hun onder Heijen gelegen huis, hof en daerbij gehoeriges kemken voor de som van 353 Rijksdaalder à 20 stuivers Kleefs geld en een bedrag voor de armen. Tot het huis horen de deure, vensters, hecken, peertsback, bedsteede ende anders wat nagelvast is. De koopsom in twee termijnen te betalen, vergezeld van een meer gedetailleerde afrekening.

Ordn. 7 Opnamenrs. 0604-0605    (Zie ook 0608-0609)
18 maart 1719.
Betreft een soort petitie, ondertekend door diverse Heijense inwoners met hun eigen handtmerck, waarin gezegd wordt, dat er grooten mangel an bauland is, terwijl er een grooten overvloet van heydeland is. Er wordt volmacht verleend om stukken in cultuur te gaan brengen.

Ordn. 7 Opnamenrs. 0606-0607
1717-1719.      Kostenoverzicht van de heer Van Diepenbrouck, heer te Buldern en Heijen, van de heerlijkheid Heijen contra de stad Gennep om diverse redenen zoals klachten, documenten, schepenbrieven e.d.

Ordn. 7 Opnamenrs. 0608-0609    (Zie ook 0604-0605)
Circa 1718        Mandatum wegens het verlangde afgraven van de heide te Heijen, ondertekend door ingezetenen van Heijen.

Ordn. 7 Opnamenrs. 0610
Blauwe Archiefmapomslag, Landesarchiv NRW, Gesamtarchiv von Romberg, Herrlichkeit Heijen – Nr. V, 9 Band 2

Ordn. 7 Opnamenrs. 0611
Archiefomslag, Landesarchiv NRW, Gesamtarchiv von Romberg, Haus Heijen – Karton Akten, Nr. 5 en Nr. V, 2 Band.

Ordn. 7 Opnamenrs. 0612-0613
5 september 1736        Brief, geschreven te Gaesdonck, ondertekend door de prior F. P. Nabben, waarin gesteld wordt dat aan het Huis Heijen jaarlijks eensdeels op St. Martinus (11 november) een hoen en een thins groot door het klooster betaald wordt vanwege de Hamsen Hoff tot Heijen tot en met het jaar 1726. Vanaf de jaren1727 tot en met 1735 zijn nog bedragen te voldoen, waarover echter al vaker met de pachter Monsieur Reiniers gesproken is en waarover nu discussie gaande is aan wie betaald moet worden. De totale jaarlijkse betaalverplichtingen van de Gaesdonck aan het Kasteel van Heijen gaan gewoon door en bedragen 1 malder garst. 1½ spint rogh en 2 hoenen

Ordn. 7 Opnamenrs. 0614-0615
11 december 1736        Duitstalige brief vanuit Buldern aan de Gaesdonckse prior over de jaarlijkse betalingen over de Hammschen hoef met verwijzing naar Richter Leurs te Heijen en vereffening van vorderingen.

Ordn. 7 Opnamenr. 0616    
Archiefomslag, Landesarchiv NRW, Gesamtarchiv von Romberg, Haus Heijen – Akten, Nr. 9

Ordn. 7 Opnamenr. 0617    
Blauwe Archiefmapomslag, Landesarchiv NRW, Gesamtarchiv von Romberg, Herrlichkeit Heijen – Nr. V, 9 Band 1

Ordn. 7 Opnamenr. 0618
15 maart 1719
Brief , waarin een akkoord tussen de frijherr van Dri(e)sberg, Kessel en Mook met meester Peeter Lusie, woonachtig te Kleef, om een steenoven met een capaciteit van 100.000 te zetten (in Heijen?). Den tieglar sall sorg dragen voor de leem en ook dat er geen sandt tussen de leem word gearbeijt. Het werk zal half april 1719 aanvangen en in de verhouding van drie gebrande tegen eenen bleecke steen leveren. Onpartijdige metselaars zullen de kwaliteit van de stenen beoordelen, keuren en dan voor betaling vrijkgeven. Stookkolen zullen via een schipper aan de steenbakker geleverd worden en kunnen worden afgehaald aan de Wisselse brug. Arbeid en stroo zijn voor rekening van de steenbakker.    

Ordn. 7 Opnamenr. 0619
18 juli 1733        Bekendmaking vanuit Gennep van Gerh. Leurs dat het verboden is om schapen op de gemaaide korenvelden te laten grazen zolang daar nog de gasten met schoven (koren)theinden op het Veldt staan. Op overtreding staat een boete van twee goudgulden!

Ordn. 7 Opnamenrs. 0620-0646
Kleef, 10 juli 1734        Zeer uitvoerig Duitstalig schrijven van de Pruisische regering in Kleef wegens de overvloedige hoeveelheid heidegrond in Heijen, waarbij de rentmeesters van Goch en Gennep de grondkwaliteit gaan bekijken i.v.m. in cultuurbrenging. Ook het aspect dat het vee bij hoogwater op deze heide aangewezen is, moet goed bekeken worden, zodat voldoende heidevelden blijven voor beweiding, plaggenbemesting, voor brandstof e.d.. Er worden aantallen van 530 morgen heideland genoemd, waarmee 177 kleine morgen bouwland van heideplaggen zou kunnen worden voorzien. De Kleefse waldforst Janicke en de Kriegs- & Domaine Cammer worden ingeschakeld, alsook de leenheer van het Boxmeerse leengoed Huis of Kasteel Heijen met alle bijbehorende zaken. Dat is op dat moment de graaf Van den Bergh, als heer van Boxmeer. Er blijken al in de zestiende eeuw illegale ontginningen van heidevelden in Heijen plaats te hebben gevonden.

Ordn. 7 Opnamenrs. 0647-0648    (Opname 0647 ontbreekt) 
Archiefmapomslag, Landesarchiv NRW, Rombergsch. Archiv (Dep.), Herrlichkeit Heijen – Nr. V, Nr. 8

Ordn. 7 Opnamenr. 0649
1649    Brieffragment, alleen 1e pagina behouden.
1649
Overeenkomst tussen Johan Gijsbert von Vittinghoff genannt Schele, heer te Heijen en de inwoners/onderdanen van Heijen i.v.m. de verplichte hand- en spandiensten. Zij zouden sedert 1560 alle veertien dagen een dagdienst kostenloos aan het Huis Heijen verschuldigd zijn en deze regel was nadien schijnbaar ingeperkt.

Ordn. 7 Opnamenrs. 0651 - 0652
Wezel, 24 november 1649 + 3 december 1649
Persoonlijke brief van Gisbert Johan von Vitinghoff gnandt Schell zum Scheleberg met daaraan gekoppeld een antwoord van de landvorst Friderich Wilhelm inzake een klacht over de nalatigheid van het verrichten van diensten door onderdanen te Heijen, hun ongehoorzaamheid alsmede plicht tot het nakomen van hun plichten.

Ordn. 7 Opnamenrs. 0653 - 0654
1649
Een door de Heijense onderdaan Dieterich Robben ondertekende brief met klachten aan de Kleefse landvorst over o.a. aan hem en andere dorpsgenoten door de Heijense heer opgelegde einheijmische en ausheijmische diensten, die zij van Gotts undt Rechtswege nit schuldigh sein. Zij hebben daarover ook al bij de schepenen van Gennep een klacht ingediend en bij de scholtis Johan Deusingh. Als drukmiddel had de heer van Heijen namelijk een vette koe van de inwoners in de wei in beslag genomen, als een soort onderpand.

Ordn. 7 Opnamenrs. 0655 - 0656
11 september 1677.
Mededeling van Johan Deusingh, richter der herligkeit und gerichtsbanck Heijen, dat Berthina Elisabeth von Vittinghoff gnt. Schell, gerichtsfrewlein dieser Heerligkeit Heijen de Heijense schepenen in het Heijense gericht samen heeft geroepen en daar herhaalt zij und repetiret dat zij ondanks eerdere protesten van de inwoners al bij haar overleden moeder, toch bij haar oude rechten inzake hand- en spandienst blijven zal und desshalb beij Ihren alten rechten und herkommen verbleibe. Dat alles laat zij in een gerichtlichen schein nogmaals vastleggen op papier.

Ordn. 7 Opnamenrs. 0657 - 0658
Copia wt den leenboeck Boxmer (verstrekt op 22 april 1542).
1401.    *     Beknopte leenopdracht van 1401 up sijnte Andrijs dach, waarbij Henrick Spaenreboeck van Jan, heer tot Boxmeer en Spalbeek die heerlickheit van Heijden te leen ontvangt in hoegen und leege, in diepen und dregen …. und mit einder marcken verhergewadt. Leenmannen: Goessen van Meer, bastert en Willem Reintgens.
1474    *    Idem leenopdracht aan Henrick Spaenreboeck, greeff van heijden door de leenheer Peter van Vertein, ridder, her tot Boxmer, Heesswick und Aesten. Leenmannen: Wijnant van Eijck en Goessen van Meer Bastert.
1497 op st. Jacops aevent des heylihes apoestel    *    Idem leenopdracht aan Henrick Spaenreboeck, Henrickszoon door leenvrouwe Margriet, vrow tot Boxmer und tot Haeps. Leenmannen: Henrick van Meer, schout of schoeltys tot Boxmeer und her Jan Haeck und mer ander goeder mannen van leen.
1540 23 febr.    *    Idem leenopdracht der heerkicheit van Heijden aan Arnt Spaenreboeck, nae doetlicker aeffganck sijns broeders Henrick Spaenreboeck door leenheer Maxijmiliaen van Egmondt, graaf van Buren en Leerdam, heer van Ysselstein und Craenendunck. Mannen van leen: Jann van Kessel und Ffrans van de Borcht.

Ordn. 7 Opnamenr. 0659     (nr. 0660 ontbreekt!)
Archiefmapomslag, Landesarchiv NRW, Abteilung Westfalen
Gesamtarchiv von Romberg. Archiv, Haus Heijen – Akten Nr. 4

Ordn. 7 Opnamenr. 0661
Archiefmapomslag (blauw), Landesarchiv NRW, Abteilung Westfalen
Gesamtarchiv von Romberg. Herrlichkeit Heijen – Akten Nr. V. Nr. 2 B(an)d 1

Ordn. 7 Opnamenrs. 0662-0663
April 1541        Ein kunschoip (een bevestiging) van wege de Jagt van Evert Ducker.
Voor Henrick van den Bongart en Thonis van der Lynden, schepenen der stat Genp, getuigen in een apenen placaithbriff op verzoek van Arnt van Spanrebuyck, eyn heer tot Heien, op aandringen van Evert Duycker van Nijmegen. De vraag is wat hem bekend is uit de tijd van Arnts vader (geheten greeff) Henrick Spanrebuck betreffende de jachtrechten in de heerlijkheid van Heijen met windhonden en garen (het zetten van strikken). Evert verklaart met den selige greeff op deze wijzen gejaagd te hebben en het wyltbrait aan verschillende vrienden geleverd te hebben.

Ordn. 7 Opnamenrs. 0664-0665
4 febr. 1559         
Wettelijke erfkoop van eynen bouhoff, geheiten op gen Loicht myt allen hoylandrz, weylandt, boulant und getymmer, niets uitgezonderd, in het gericht Gennep en Heijen gelegen. Koper is Arnt Spanrebock, heer tho Heijen en verkoper Johan Lesier. Niet tot de overeenkomst hoort een stuk bouwland aan de Muxkens Bergh gelegen en Jaspers Camp. De condities met de termijnen der betaling van de erfpachtpenningen worden geregeld, als ook het bijbehorende vee, die beesten, waarbij o.m. de Boigensche merckt daich een bepalende dag is. Tot een van de genoemde bemiddelaars van deze deal hoort de Heijense (?) pastoor Alardt Michels.
    
Ordn. 7 Opnamenrs. 0666-0667
29 juni 1563        „Wegen der Greinzen zwischen Bleienbeck undt Heijen“.
Getuigenis van de schepenen van Heijen over het illegaal verblijven van schapen van de heer van Afferden in de heerlijkheid Heijen. Daarover is schriftelijk beklag via de schout van Gennep van de Kleefse regering gedaan en de schapen zijn in beslag genomen nabij de plaatsen van den heyngel boum en twee hoevelen oder Berchsken tegen dess heren van Afferden kamp en de brugh by Hommersum, genoempt Brugvort.    

Ordn. 7 Opnamenrs. 0668-0669
18 april 1544    
Op verzoek van Arnt Spanrebock, eyn heer to Heyden, certificeren Arnt van Hasselt, Geryt Lauwerth en de gemene schepenen van Heijen in een open plakaatbrief, dat voor hen verschenen is Johan Hermans die de vraag beantwoordt of hem wat bekend is of de Gennepse rentmeester over hout myt houwen off eykelen beboet is in der alten Heesen. Het blijkt dan dat alleyn die Greeff tot Heiden daarvan gebruik gemaakt heeft myt houwen, brant, tymmerholt und eykelen. Deze heer van Heijen heeft ook dat holt tsamen met de rentmeester doen boissen, tot bossen gebonden und glick gedeilt. Ook getuigt Lysken Stoix, die 74 of 75 jaar oud is en steeds in Heijen woonachtig, en zij verklaart dat haar bekend is, dat Arnt Spanrebock’s voorschreven alde vader en voordien syn vader, na oud gebruik, hout genomen heeft. Ook legt Goirt Dryssen nog een getuigenis daarover af.

Ordn. 7 Opnamenrs. 0670-071
Grens Heijen-Afferden. Op de achterzijde van de akte staat betreffendt die beleidung zwischen Heijen und Afferden gelegn.
30 juni 1563     Boven de akte staat: Copia Verdraghs wegen der grentzen zwischen die von Heijen und Afferden, tot stand gekomen door de scholtis van Gennep en dit op schriftelijk bevel van de Kleefse landsheer aan de drost van Gennep. Verwezen wordt naar de pälinge platz waar schapen van Afferden in beslag zijn genomen. Men komt overeen dat die palinge gehalden solle werden von den Heijngelbom an, up, over und langhs den bergh enzovoorts.

Ordn. 7 Opnamenrs. 0672-074
21 juni 1567
Bericht van Adriaan van den Bijlandt, heer van Well en Bergen en tevens ambtman te Gennep aangaande de weg na der Lancker streckende is vor guith aingesiehen, dat die ingeseten vanHeijden und Peter van Beringe, so achter den hecken so der heer van Heijen vor den wegh gehangen hefft, geerfft und geguit sijn, und ander niemands over den wegh tot irer noottrifft in und uitfaeren, oick oere beesten der over drijven sullen …. und van niemandt frembders …… dan allein van den geerfden vurscr.
    Item van den wegh ain den Ortzbergh, sullen die nabuiren den gemeine feldtwegh darhin streckende, also halden und maicken, dat sij denselingen tot irer gefallen gebruicken kunnen, und sall der heer van Heijen so waell als ein ander sijn erff ain der gemeindten gelegen mogen afwerckrn und frijen und so van den Molenwegh vor oder achter ghein uthweinsingh is, worhin sich derselbige streckende doet, sall also wie derselbige  itzunder bij den hern van Heijen befunden, verbliven.
    Aingainde dat plecksken genoimpt die Pessen und so dar datselinge langh vor die gebrecken, soe der heer van Heijen gehad heeft worden gehouden tot profijt van de heer van Heijen.
    Aingainde den willigen, die heer van Heijen langes den Meer heeft gepoot, deze horen de heer van Heijen als medeheer toe.

Ordn. 7 Opnamenr. 0675
25 maart 1589
Jan Verhaegh en Jan Brouwer schepenen en de gemene schepenen der vrij heerlijkheid Boxmeer getuigen, dat wij hen in eigen persoon Vrouwe Maria, geboren gravin zu Nassau Catzennelleboge, gravin zu den Bergh, frij vrouwe zu Boxmeer en Bylant etc. onze regerende vrouwe verschenen is. Zij verklaart dat zij gerechtelijk Peter Boll van Heyden in de Boxmeerse schepenbank heeft laten komen om een verklaring af te geven over bepaalde visserijrechten. Peter was ongeveer 70 jaar oud. Hij verklaart onder eed dat het waarachtig is
a)    dat die greeff van Heyen voor desen gewest, genaempt Arent van Spannerbroock die visscherije wes aen der Beeck tho, niet bekroent heeft, dus ongestraft daar mocht vissen. Ook de huidige heer laat dit ongemoeid toe, alleen dat hij niet hebben en wol dat die van Meehr, de inwoners van Boxmeer, vischten binnens weerts, als het water groot is, dus als er hoogwater is.
Ten tweede zegt hij dat Pouwel Drubbel en Ott Crouwers zaliger altijd in dat water gevist hebben boven die Beeck en bij zijn weten niet door die van Gennep of van Heijen.

Ordn. 7 Opnamenrs. 0676 -0678 (opname 0676 ontbreekt!)
19 october 1647    Overzicht in inkomsten, die gedeeld worden van Adolpho Veltum als tijelijcken Custer tot Heijen:
Jan Ross                    onbekent

Henrijck Custers                onbekent
Peterken Eeren                onbekent
Ties Ebben            modo Sijn Genaede Freij Heer van Diepenbrouck tegen woor bewoont door Meus van Elsen
Jacob Havens of Gerit Smits             ignorata
Derijck Scheef            modo Jacob ter Vooren
Dat huijs aen de Meer            modo Sijn Gen. Freij H van Diepoenbrouck, bewoond door Gijsbert Geurts
Wijlijcken Hoff            modo sijn Genaede Freij H van Diepenbrouck, bewoont door Jacob Jansen
Des Heeren Hof of Pan=huijs        pertinet ad Generosum Dominum, maer leedich ende sonder woninge
Derijck Daemen of den Bouman        pertinet ad Generosum Dominum, maer geen wooninge
Jan Tijp            onbekent
Lisken Heeks            modo Laurents van Swaenenberch
Jan Hopman            onbekent
Theunis van Cloot, knooeden genant        modo Jan Gerrits alias de Suckerberg
Denis ofte Metjes Scheefen            modo Anneken Robben, deese erf is gelegen aen de Smeelen, maar sonder woninge.
Nelis Smits            onbekent
Jan Bois Linsen            modo Henderijck Bossen
Jan Viermans            onbekent
Ties Drissen        modo Henderijck Verhasselt bewoont van Claes Tissen
Derijck Linsen            onbekent
Derick Samans            onbekent
Henrijck Lauwers            onbekent
Willems Stocks            modo Peterken Ebben sonder huijsinge
Op den nieen Hoff in de Heij 2 huijsen    modo het eene Huijs het Clooster S. Agata. Het ander de Erfgenaeme van Hans Tegelaer
In de Lanckeren op de Maes        modo de Heer van Remmen maer geen behuijsinge.
De opstelling is op 10 september 1716 op verzoek van pastoor Bartholomeus Heckermans gemaakt i.v.m. de nieuwe koster Johannes Linsen.